Wees gewoon jezelf !

DE AMERIKAANSE historicus Francis Fukuyama is de man van het grote gebaar. Tien jaar geleden werd hij in één klap beroemd met het juiste artikel op het juiste moment: 'The End of History?' Hij betoogde dat de overwinning van het westerse stelsel van liberale democratie-plus-markteconomie op de socialistische planeconomie definitief...

Het idee dat aan de geschiedenis een einde was gekomen, en dat we eindelijk de deur van die naargeestige twintigste eeuw achter ons dicht konden gooien en met een schone lei opnieuw konden beginnen, was anno 1989 een perfecte articulatie van de waan van de dag. In 1991 bezweek de Sovjet-Unie en een jaar later kwam Fukuyama met zijn boek The End of History and the Last Man. Het vraagteken uit 1989 was veranderd in een uitroepteken.

Met veel filosofisch geweld en intellectuele krachtpatserij probeerde hij zijn speelse observatie om te smeden tot een heuse theorie over de ontwikkelingsgang der geschiedenis. Als drijvende kracht achter die ontwikkeling zag hij de strijd om erkenning die eigen is aan elke mens - een strijd die zijn onvermijdelijke einde vindt in de overwinning van het kapitalisme en de liberale democratie op alle ideologische concurrenten.

De theorie overtuigde niet.

Fukuyama gaf zich geen rekenschap van het feit dat het mondiale kapitalisme naar zijn aard revolutionair is. Het kapitalisme houdt geen rekening met gevestigde posities en veroorzaakt dus per definitie onrust. Het roept zijn eigen tegenstanders op, omdat het naast winnaars altijd verliezers kent. En die verliezers zullen zich organiseren - als sociaal-democraten, maar ook als communisten, nationalisten, fundamentalisten of terroristen.

De belangrijkste voorwaarde voor de ontwikkeling van een gezonde vrije-markteconomie is een effectief functionerend rechtssysteem. Aan die voorwaarde ontbrak (en ontbreekt) het in het voormalige Oostblok. Het is lichtzinnig om, zoals Fukuyama deed, de overwinning van de liberale democratie als een onvermijdelijke natuurwet te poneren.

Het hele idee van een einde van de geschiedenis is in wezen een onnozele gedachte. Maar het is wel een idee dat de mens, van christen tot marxist, door de eeuwen heen enorm heeft aangesproken: het idee van de verlossing uit het menselijk tranendal.

In 1995 bracht Fukuyama in zijn tweede boek, Trust, een nieuw begrip op de markt: sociaal kapitaal. Burgers die elkaar vertrouwen, kunnen zakendoen zonder ingewikkelde contracten af te sluiten. Hoe meer sociaal kapitaal, hoe meer welvaart, luidde de conclusie.

Sociaal kapitaal is een moeilijk grijpbaar, laat staan meetbaar, begrip - en Fukuyama verzuimde een exacte definitie te geven. Sociaal kapitaal stelt mensen in staat betrekkingen met elkaar aan te gaan die maatschappelijk nuttig en economisch productief kunnen zijn. De kern van sociaal kapitaal is vertrouwen: de verwachting die burgers hebben in het eerlijke, ordelijke en coöperatieve gedrag van hun medeburgers. Deze verwachting is gebaseerd op gemeenschappelijke normen en waarden, die het resultaat zijn van culturele tradities als gewoonten en godsdienstbeleving.

Belangrijk onderdeel van sociaal kapitaal is het vermogen tot spontane samenwerking, het gemak waarmee burgers vrijwillig organisaties in het leven roepen. Kleine ondernemers kunnen zich aaneensluiten tot grote coöperaties, zoals de Verenigde Oostindische Compagnie, de grootste onderneming van de zeventiende eeuw. Ondernemingen kunnen netwerken vormen, zoals in Japan de keiretsu. Werknemers kunnen in teams zelfstandig en gemotiveerd produceren. Dat bespaart controlerend middenkader en voorkomt stakingen. Bij gebrek aan sociaal kapitaal, bijvoorbeeld in China waar mensen alleen hun eigen familie kunnen vertrouwen, is het minder waarschijnlijk dat spontaan grote ondernemingen ontstaan.

Het idee van sociaal kapitaal, overigens niet door Fukuyama zelf bedacht, was helemaal zo gek nog niet. Maar ook hier draafde hij door. Sociaal kapitaal, zo moesten we weten, was dé beslissende factor van economisch succes. De Chinese en Koreaanse, maar ook de Franse en Italiaanse economieën waren volgens Fukuyama low-trust, dus minderwaardig. Japan, Groot-Brittannië, Duitsland en de Verenigde Staten daarentegen waren high-trust, dus superieur.

Maar waaruit blijkt dat? In elk geval niet uit de cijfers. Of men nu economische groei meet, of productiviteit, inflatie of werkloosheid, begrotingstekort of een combinatie van deze indicatoren: de mate van trust correspondeert in de verste verte niet met economisch succes.

Toch was Trust beter dan zijn voorganger. Want in tegenstelling tot 'het einde van de geschiedenis', dat niet meer is dan een onnozele filosofische speculatie, bestaat sociaal kapitaal echt - al is het moeilijk meetbaar en verklaart het niet zoveel als Fukuyama pretendeert.

In zijn nieuwe boek The Great Disruption betoogt Fukuyama dat de hele wereld (in het Westen meer dan in Azië) sinds het midden van de jaren zestig ten prooi is gevallen aan moreel verval en maatschappelijke wanorde. Stijgende misdaadcijfers, wantrouwen in publieke instellingen, uiteenvallen van gezinnen, geweld tegen kinderen (door stiefvaders), verminderde vruchtbaarheid zijn tekenen van afbraak van sociaal kapitaal (nota bene: in Trust was sociaal kapitaal nog een indicatie van economisch succes. Hoe kan tegelijkertijd de economie groeien, terwijl het sociaal kapitaal wegsmelt?)

Oorzaak van deze maatschappelijke wetteloosheid is de individualisering, die het gevolg is van technologische ontwikkelingen. De pil stelt vrouwen in staat aan geboorteplanning te doen, maar ontslaat mannen tegelijkertijd van hun verantwoordelijkheden ten opzichte van de voortplanting. Zij profiteren dus, merkt Fukuyama snedig op, nog meer van de pil dan vrouwen.

De spierkracht vereisende industriële nijverheid maakt plaats voor een diensteneconomie, waarin de rol van informatie steeds belangrijker wordt. Vrouwen verlaten hun gezinnen om buitenshuis te gaan werken. Hun relatieve positie op de arbeidsmarkt wordt steeds beter; vooral ongeschoolde, niet-blanke mannen kunnen zich op die arbeidsmarkt steeds moeilijker handhaven. Hetzelfde geldt op de huwelijksmarkt: vrouwen hebben geen blue-collar husband meer nodig. De emancipatie van de vrouw is dus de belangrijkste destabiliserende factor (nota bene: in The End of History and the Last Man was het streven naar erkenning nog de drijvende kracht van de geschiedenis die tot haar gelukzalig einde had geleid). De oude orde, gebaseerd op massaproductie en feodale gezinsverhoudingen, is definitief ineengestort.

De sociale wanorde is echter alweer op zijn retour. In de VS dalen de misdaadcijfers. Het aantal scheidingen neemt niet meer toe. De kritiek op het superindividualisme wordt steeds sterker: de moraal komt terug - en daarmee de gemeenschapszin in nieuwe vormen. Mensen organiseren zich in nieuwe verbanden, al erkent Fukuyama dat de normerende werking van een buurtcomité geringer is dan die van het klassieke gezin.

We moeten er vertrouwen in hebben, speculeert Fukuyama, dat we aan de vooravond staan van een nieuwe maatschappelijke orde. Maar waarop is zijn vertrouwen gebaseerd? Niet op een sociologische analyse van de netwerkmaatschappij, of op een economische analyse van het mondiale kapitalisme. Fukuyama's optimisme is geheel en al gebaseerd op zijn interpretatie van de evolutionaire biologie.

Deze nieuwe, op Darwin gebaseerde, tak van wetenschap leert ons dat de mens van nature geneigd is om samen te werken. 'De natuurlijke staat van de mensheid', oreert Fukuyama, 'is er niet één van een oorlog van allen tegen allen, maar één van een beschaving, die haar samenhang ontleent aan de aanwezigheid van een heleboel morele regels.'

Dus, voorspelt hij, 'er zullen zich spontaan nieuwe culturele en morele waarden ontwikkelen die de mensen in staat zullen stellen zich aan te passen aan de veranderende technologische en economische omstandigheden waarmee ze geconfronteerd worden'. Een hele geruststelling, maar waar blijft de bewijsvoering?

Misschien kan de evolutionaire biologie veranderingen verklaren die zich over een reeks van duizenden jaren ten opzichte van de mensheid als geheel voltrekken. Maar valt biologisch te verklaren dat in een tijdspanne van één generatie het traditionele gezin uiteenvalt en de huwelijksvruchtbaarheid van met name het blanke ras dramatisch daalt? En hoe is de biologische neiging van mannetjes om zoveel mogelijks vrouwtjes te bevruchten te rijmen met Fukuyama's premisse dat het gezin de hoeksteen van een stabiele samenleving vormt?

Het idee van een Great Disruption, een grote breuk die de bestaande sociale orde voorgoed vernietigt, is volstrekt onverenigbaar met het idee van een door de evolutie gegeven bestemming van de mensheid om orderlijk samen te werken.

Fukuyama's boek valt in feite in twee boeken uiteen, die elkaar uitsluiten. Zo'n denker kan eigenlijk niet serieus worden genomen - of het zou moeten zijn als New Age-denker. Want de populariteit van Fukuyama kan alleen worden verklaard uit zijn blijde boodschap. Hij voelt perfect aan wat de mensen willen horen. Maak je geen zorgen, zei hij in 1989, want het einde van de geschiedenis is nabij. Bovendien, zegt hij nu, ligt het in de natuur van de mensheid besloten om in harmonie samen te leven.

Fukuyama steekt de mensen een hart onder de riem. Hij vertelt ze dat de wanorde bijna voorbij is. Voor de economie hoeven ze niet bang te zijn, van de politiek hoeven ze niets te verwachten. Het gereedschap om gelukkig te worden, de darwinistische survival kit, draagt de mens zelf bij zich. Geluk is een kwestie van doen wat je hart je ingeeft. Wees gewoon jezelf!

Ronald Reagan of bij ons Ed Nijpels of Erica Terpstra zouden wel raad weten met Fukuyama's boodschap. Maar in werkelijkheid is zijn denken puur holisme. Fukuyama's speculaties staan haaks op de klassieke liberale filosofie van Hobbes of Hayek. Tegen het Grote Gebaar, kenmerkend voor de denkwereld van Plato tot Marx, hebben liberale filosofen als Popper en Berlin juist hun leven lang gestreden. Fukuyama past in geen enkele survival kit, ook niet in die van de liberale politiek.

Meer over