‘We zijn hier pas tien jaar bezig’

Fotojournalistiek bestaat nog niet zo lang in Indonesië . ‘Na de val van Soeharto en het einde van de censuur kon ineens iedereen fotograaf worden.’ Door Michel Maas..

Michel Maas

De bewoners van Atjeh hadden al gauw geen tranen meer om het leed te bewenen dat op 26 december 2004 over ze heen was gespoeld. ‘Onze tranen zijn op’, zeiden ze. De wereld lag op zijn kop. Boten lagen op de bruggen, bruggen lagen op de bodem van de zee, huizen stonden midden op de weg, en op de rijstvelden groeide wrakhout en puin. Bijna de helft van de hoofdstad Banda Atjeh was verdwenen en meer dan 160 duizend mensen waren dood. Het was de grootste ramp die de provincie, en misschien heel Indonesië, ooit had getroffen.

Indonesische fotografen zwermden uit over het rampgebied. Hun foto’s zeiden vaak meer dan verhalen. Een selectie uit de eerste foto’s uit het rampgebied werd verzameld in het boek Samudra Air Mata, Oceaan van Tranen, dat al verscheen op 7 februari 2005, amper een maand na de tsunami, toen er nog tranen waren. Meer nog dan de verwoesting zelf toont de Oceaan van Tranen de verbijstering waardoor iedereen werd getroffen die deze onbeschrijflijke verwoesting zag. De ramp is te groot om in één foto te kunnen vatten. Door het boek heen zie je hoe de fotografen daarom op zoek gaan naar het detail: het kleine drama dat het grote symboliseert. Een weg, een trap die door de vloedgolf voorgoed zijn afgesneden van hun bestemming. Portretten liggen anoniem in de modder, een broek, een identiteitsbewijs, een pop. Je voelt hoe de mensen ontbreken. Tegelijk zijn er ook ‘nieuwsfoto’s’: foto’s van vluchtelingen, hulpverleners, lijken, radeloze mensen, uitgeputte mensen.

Oceaan van Tranen werd een boek over de tsunami, maar tegelijk werd het een etalage van werk van de nieuwe generatie Indonesische fotografen, een klein monument voor de fotografie die in Indonesië eigenlijk nog maar net echt van de grond is gekomen. De ‘nieuwe generatie’ is meteen ook zo’n beetje de eerste generatie, zegt Alex Supartono, curator van het cultureel centrum Utan Kayu in Jakarta – een kleine, eenzame oase van kunst, literatuur en theater in de materialistische Indonesische hoofdstad. Supartono is ook de samensteller van de Indonesische bijdrage aan Noorderlicht, de jaarlijkse fototentoonstelling die afwisselend in Groningen en Leeuwarden wordt gehouden en die dit jaar is gewijd aan Another Asia, een ander Azië.

De fotografie als kunst, de fotografie als documentair medium, de fotografie die serieus genomen wordt. In Indonesië bestaat die veertien jaar, als je 1992 aanhoudt als het jaar waarop het is begonnen. Dat was het jaar waarin het Institut Kesenian Jakarta, de kunstacademie van Jakarta een opleiding fotografie begon – de eerste echte creatieve foto-opleiding. In hetzelfde jaar werd bij het nationale nieuwsagentschap Antare de Galery Fotojurnalistik Antara opgericht: een galerie waar professionele workshops werden gehouden en waar jonge fotografen voor het eerst de fotojournalistiek konden leren.

In 1995 werden de eerste foto’s opgenomen in kunsttentoonstellingen. Fotografen namen deel aan de Biënnale van Jakarta en de eerste kunstgaleries namen foto’s op in hun collecties. Supartono: ‘Het echte momentum voor de fotografie was 1998. Soeharto viel, de censuur werd opgeheven en de pers werd vrij. Dat heeft een enorme impact gehad. Iedereen kon ineens een camera oppakken en fotograaf worden. En er gebeurde zoveel. Voor fotografen was dat geweldig. Sindsdien is het met sprongen vooruit gegaan. Jonge fotografen zijn tentoonstellingen gaan houden. Zij zijn zichzelf serieus gaan nemen.’

Supartono heeft vijf fotografen geselecteerd voor Noorderlicht die daar gepresenteerd worden als ‘de Indonesische fotografie’. Supartono: ‘Het is voor het eerst dat dat gebeurt, dat Indonesische fotografen de fotografie van heel Indonesië vertegenwoordigen.’ Wat dat betekent, weet hij zelf niet: ‘Wij zijn hier pas tien jaar echt bezig. Het is nog veel te vroeg om van een Indonesische school in de fotografie te spreken.’

Hij heeft vijf fotografen bij elkaar gezocht die op het eerste gezicht alleen met elkaar gemeen hebben dat zij in Indonesië leven en werken. Wat ze verder bindt is, wat Supartono noemt: ‘het subjectieve element.’ ‘Het gaat om het artistieke proces. Zij zijn allemaal bezig met de vraag hoe zij zichzelf in hun foto kunnen brengen. Zij zijn op een of andere manier bezig met hun identiteit, hoe indirect ook. Zelfs als Wahyudi Rahardjo de bouw van wolkenkrabbers fotografeert, haalt hij die bouwvakkers zo dichtbij dat zij een deel van hemzelf worden.’

Ng Swan Ti (‘Swanti’) is op doorreis. Zij wacht op het vliegtuig dat haar van Banda Atjeh naar Jakarta zal brengen. Zij heeft in Atjeh foto’s gemaakt voor een Duits magazine. Zij is 34, en deel van het grote leger van selfmade fotografen dat na 1998 een camera pakte en is begonnen. ‘Ik heb nooit een echte opleiding gehad. Ik werkte in een Australische gistfabriek tot ik in 2001 besloot dat ik wilde gaan fotograferen. Ik leerde het van vrienden, in het veld. In 2001 begon ik verhalen te maken, en foto’s, en bood die aan aan Indonesische kranten en tijdschriften. In 2002 werd ik uitgenodigd voor een workshop van World Press Photo in Jakarta. Dat is voor mij erg belangrijk geweest. Wij hadden hier geen voorbeeld. Door die workshop kwamen wij in contact met buitenlandse fotografen. Ik leerde hoe je als freelancer je geld kon verdienen. De workshop hielp mij aan mijn eerste internationale opdracht. ’Inmiddels is Swanti lid van het bureau Jiwafoto, en werkt ze meestal voor Europese tijdschriften. Jiwafoto bestaat drie jaar. Er zijn elf fotografen bij aangesloten. Het is het enige fotobureau van Indonesië. ‘Fotojournalistiek in Indonesië is nog lang niet zo ver als in andere landen’, aldus Swanti. ‘Er zijn veel goede jonge fotografen, maar heel weinig die anders denken, die dingen proberen die buiten de routine vallen. Dat is iets waar je tijd voor moet nemen, en hard voor moet werken. En het is iets waarmee je geen geld verdient.’

Swanti maakt al sinds het begin foto’s van het katholicisme in Indonesië. ‘Ik doe dat omdat ik meer wilde begrijpen van mijn eigen achtergrond. Ik kom uit een Chinese familie. Mijn ouders geloven nog steeds in Confucius. Zij stuurden mij naar een katholieke school en ik ben daardoor katholiek geworden. Mijn broers en zussen zijn protestant. Mijn man is een moslim. Ik groeide op in een omgeving waar religie alles is. Dat wilde ik vastleggen met mijn camera.’ Met haar camera heeft Swanti vastgelegd hoe de religie in Indonesië zich vermengt met traditie. ‘Bij mij mengde de religie zich met de fotografie. Het fotograferen dwong mij na te denken over de beelden die ik zag. Dat beïnvloedde mijn geest en de manier waarop ikzelf over religie dacht. Ik begin te begrijpen hoe geloof een rol speelt in een mensenleven, niet alleen het katholicisme, maar elk geloof.’ Het project gaat door, zegt ze. ‘Het is nooit af, denk ik. Ik hoop dat het ooit nog eens een boek wordt.’

[Zie verder pagina 23]

‘WIJ VINDEN ALLES MOOI’

[vervolg van pagina 21]

Amerikaanse collega’s hebben vaak kritiek op haar, vertelt ze. Zij zeggen dat ze te weinig een eigen stijl heeft. Swanti voelt wat ze bedoelen. ‘Als ik foto’s zie, voel ik aan wat Europees is, en wat Amerikaans. Maar ik kan niets bedenken bij een Indonesische stijl. De Borobudur is Indonesisch. Het is een visueel object. Maar het heeft geen enkele verbinding met wat er nu in Indonesië gebeurt. Wij zijn het contact met onze eigen stijl kwijt.’

Paul Kadarisman is een andere exposant bij Noorderlicht. Zijn werk lijkt honderd procent te verschillen van de documentaire foto’s van Ng Swan Ti. Hij heeft enkele portretten gemaakt waarop hijzelf naast een van zijn vrienden staat: een docent van de kunstacademie, waar hij de foto-opleiding volgde, en twee fotografen, die alledrie Muhammad heten. ‘Paul, wat de meest christelijke naam is die je maar kunt bedenken, en Muhammad samen op de foto’, grinnikt Kadarisman. Alledrie de Muhamads zijn bovendien zijn voorbeelden, zegt hij, voor wie hij een klein fotografisch monumentje heeft willen oprichten. De drie dubbelportretten zijn een vervolg op een project dat hij eerder heeft gemaakt. ‘De titel daarvan was: understanding independence. Ik ben met een groep vrienden naar het nationaal monument, Monas, gegaan en heb ze daar gefotografeerd.’ Dat klinkt als een al even simpel gegeven als Muhammad & Paul, maar onder die simpele portretten schuilt een verhaal dat een kant van Indonesië ontbloot die maar weinig wordt belicht. Kadarisman: ‘Als kind werden wij altijd naar Monas gesleept. In dat monument werd de geschiedenis van de republiek en de revolutie erin gestampt. Wij leerden doctrine op doctrine op doctrine. . . Daarheen heb ik mijn vrienden mee teruggenomen. Mijn vrienden, dat zijn videokunstenaars, musici, grafisch designers. Leden van de pop-cultuur. Wij geven niets om de revolutie. “Pop” is a-politiek. Mijn vrienden staan model voor een totaal ander soort vrijheid. Die a-politieke mensen bracht ik naar de meest politieke plek van Jakarta.’

Door kinderen vol te stampen met doctrines en verhalen over helden, vindt Kadarisman, leer je hen van klein af aan te accepteren wat ze wordt voorgeschoteld. ‘Je leert hen af de wereld te willen veranderen. Ik ben begonnen met het documenteren van postkoloniale gebouwen. In Jakarta heerst complete chaos. Ze bouwen maar en bouwen maar en slopen wat hen niet bevalt. Alles wordt gesloopt voor shoppingmalls. Die zijn vreselijk, maar wij hebben niet geleerd iets vreselijk te vinden. Wij slikken alles en genieten nu zelfs al van de mall. Wij klagen niet eens.’ Het is als tatoeages of piercings, zegt hij: die doen pijn, maar tegelijk is het lekker. ‘Die nieuwe gebouwen doen pijn aan je ogen, maar het wordt mooi gevonden. Mensen accepteren alles. Ze hebben geen smaak ontwikkeld, geen kritisch vermogen. Dat gaat door tot en met de muziek, en de kunst. Wat ontbreekt, is het gevoel van rebellie, van revolutie. Wij zijn pop, en a-politiek. Wij slikken alles en vinden alles mooi.’

Fotografen en kunstenaars moeten mensen laten wennen aan ‘andere’ zaken. Een smaak ontwikkelen, die er nu nog niet is, zegt hij. Voor een speelse, onafhankelijke geest als Paul Kadarisman is het leven echter niet gemakkelijk. ‘Ik doe commercieel werk om te eten.’ Hij laat een advertentie zien: een blauwe man wordt verpletterd door een pil. Het blauwe mannetje is de ziekte. ‘Dit laten ze mij doen’, zegt Kadarisman. ‘In het jaar 2006, willen ze hier nog zulke dingen. . . De mensen van het advertentiebedrijf zeggen: zo willen we het hebben, kun je dat maken? En dan maak ik het. Ik heb geen enkele invloed in het creatieve proces. Ik ben de technische uitvoerder van hun ideeën.’

Het is een worsteling, zegt fotografieconservator Alex Supartono. De Indonesische fotografie is nog altijd bezig zich los te maken van zijn oorsprong. ‘Fotografie is hier altijd iets technisch geweest, en voor de meeste mensen is het dat nog steeds. Het kost fotografen heel veel moeite om iets anders te doen en daar een plaats voor te vinden. De fotograaf is in Indonesië nog altijd een Tukang Portret, een portrettenmaker.’

Meer over