'We zijn een raar stel'

Zonder dat iemand, zeker de band zelf niet, er erg in had, is The National een belangrijke groep geworden. ‘Nooit gedacht dat wij met onze voorkeur voor Vivaldi nog eens rock ’n’ roll zouden gaan maken.’..

De zanger kijkt om zich heen; ja dit hotel komt hem wel bekend voor. De vorige keer dat hij met zijn band The National in Londen was, werd hier na een concert een afterparty gehouden. Niet dat hij die zelf bezocht, hoor. ‘Wij zijn niet van die feestbeesten. Nee, ik zag de meute, ik hoorde een discodreun en ben linea recta naar mijn kamer gegaan.

‘Jij toch ook?’ Matt Berninger kijkt naar Aaron Dessner, de gitarist van de band. ‘Ja, ik was bekaf. Ik wil na een optreden eigenlijk gewoon rust. Saai hè?’

De twee bandleden zijn ook nu niet naar het hippe K-West hotel in Shepherd’s Bush gekomen om te feesten. Het is een werkbezoek waarin ze de totstandkoming van High Violet, het vijfde album van The National uit Brooklyn, toelichten. Een plaat waarvan veel wordt verwacht, niet in de laatste plaats door het Londense publiek. Berninger: ‘Vier minuten deden we erover om hier de Royal Albert Hall uit te verkopen, terwijl ik altijd dacht dat we niet trendy genoeg waren voor de Britten.’

De kaarten werden verkocht dankzij de kracht van de albums Alligator (2005) en Boxer (2007) die eraan vooraf gingen. Zonder dat iemand, en zeker de band zelf niet, er erg in had, is The National een belangrijke band geworden. Zoals het door hen bewonderde R.E.M. dat in de jaren tachtig werd. Net als The National maakte die groep aanvankelijk platen zonder (radio)hits, en bouwde een naam op met een reeks albums die nog altijd klassiek zijn.

Berninger: ‘Dat willen wij ook. Op de ouderwetse manier complete albums afleveren, die zonder expliciet te zijn iets zeggen over de tijd waarin ze zijn gemaakt.’ High Violet slaagt volledig in die missie. Het is niet alleen een belangrijke plaat, maar vooral een erg goede. Niet zozeer hip of trendgevoelig, eerder tijdloos. Iets dat de band, thans woonachtig in het voor popmuziek überhippe Brooklyn, ook voor ogen had.

Dessner: ‘Brooklyn is erg in de mode, met bands als Animal Collective en Yeasayer, maar ik geloof niet dat wij daar enig voordeel van hebben gehad. We komen trouwens allemaal uit Cincinnati, hoor.’

De vijf mannen van The National komen inderdaad uit dezelfde plaats in Ohio, maar troffen elkaar pas in New York. Twee paar broers, Scott en Bryan Devendorf en de eeneiige tweeling Bryce en Aaron Dessner, woonden in het welvarende oosten, Matt Berninger in het wat armoedigere westen van de stad. Als tieners kenden de broers Dessner Bryan Devendorf al, die in de woorden van Aaron ‘een echt coole gast’ was, ‘een skater die geweldig kon drummen’.

‘Mijn broer en ik speelden gitaar, maar hij vond ons maar een stel nerds. Wij speelden klassiek en waren vooral met techniek bezig.’

Matt Berninger: ‘En ik leerde op de universiteit van Cincinnati weer de oudere broer van Aaron, Scott Devendorff, kennen.’

Elf jaar bestaat The National nu. ‘Een wat rare naam ja’, zegt Matt Berniger, de zanger die ook alle teksten schrijft. ‘We zochten naar een naam die even universeel als nietszeggend klonk. Het moest iets betekenisloos zijn. Zo’n naam als The Smiths. Kan het niksiger? The National komt in de buurt, zo dicht als iets maar in de buurt van The Smiths kan komen.’

Twee platen verschenen er van The National, op een label dat ze zelf voor hun muziek hadden opgericht, Brassland. ‘Aanvankelijk rommelden we maar wat aan’, weet Berninger nog. We hadden allemaal een baan. Ik werkte op een designbureau waar ze vroegen of ik niet een keer met mijn band kon komen spelen op een personeelsfeestje. Pas toen werd het serieus. Ineens heb je een publiek om voor te spelen.’

Wat voor muziek ze eigenlijk wilden maken toen ze begonnen? Als het maar niet cool was, grapt Dessner. ‘Wat niet zo moeilijk was, want zeg nu zelf: twee paar broers die een zanger begeleiden, die eigenlijk maar één stemkleur heeft, een zwaarmoedige bariton, daar haal je de pers niet mee. Maar wij voelden ergens wel meteen dat het klopte.’

De bariton is het met zijn gitarist, die ook verantwoordelijk is voor het muzikale gedeelte van The National, eens. Berninger: ‘Ik kende Scott, die nu bas speelt, van kunstcolleges. Hij hield van allerlei hippe gitaarbands als Pavement en Guided By Voices. Ik was altijd meer gericht op mooie teksten: Tom Waits, Nick Cave, dat werk. Scott zag blijkbaar mogelijkheden en haalde op een bepaald moment zijn broer erbij, Bryan, die geweldig kon drummen. En Bryan kwam weer met jullie aan’, zegt de zanger, terwijl hij naar Dessner wijst.

Dessner: ‘Wat me zeer verbaasde, want bevriend waren we niet. En wij hadden niks met al die rockbands, mijn broer speelde geweldig klassiek gitaar, ik imiteerde hem op de bas. Nooit gedacht dat wij met onze voorkeur voor Vivaldi nog eens rock ’n’ roll zouden gaan maken.’

Maar het verzoek kwam wel op een goed moment. Aaron en Bryce Dessner waren beiden in een andere stad gaan studeren en misten elkaar eigenlijk vreselijk. ‘Toen Bryan ons belde, waren we allebei een beetje wanhopig, Bryce was in New York klassiek gitaar gaan lesgeven en had er moeite mee in zijn onderhoud te voorzien. Ik ook. Ik weet nog dat we met z’n vijven voor het eerst samen kwamen en meteen voelden: wat een raar stel zijn we, maar wat klopt het allemaal goed.’

Het duurde hooguit wat lang voor de buitenwereld dat door had. Het eerste album The National (2001) was nog te vaag maar Sad Songs For Dirty Lovers (2003) werd her en der opgepikt. Matt Berninger: ‘Zoals in Parijs, vreemd genoeg. Toen we in New York hooguit voor wat vrienden speelden, kwamen er in Parijs al een paar honderd man naar ons kijken. Vanaf toen werd het echte serieus, denk ik.’

Er kwam in elk geval interesse van het grote Britse indie-label Beggars Banquet. De twee albums (Alligator en Boxer) die The National voor hen zou uitbrengen, bleken echte ‘groeiplaten’. Berninger: ‘Op die platen vonden we een eigen stijl. Ook al klinken ze verschillend, we hadden alles helemaal onder controle. Alligator was wat bozer, wat te maken had met mijn emoties op dat moment. Op Boxer wilde ik alle schreeuw-elementen uitbannen. Ik zou alleen nog maar ingehouden zingen, zei ik tegen de jongens, die daar maar de gepaste muziek voor moesten schrijven.’

Aaron Dessner doet gewoon wat zijn zanger van hem verwacht, beaamt hij. ‘Matt heeft, hoe je het ook wendt of keert, een zeer beperkt stemgeluid. Zijn bariton kent weinig variatie. Die moet komen van de muziek eronder. Op het eerste gehoor klinken platen van The National voor mensen wat saai. Donkere neuzelstem ja. Maar wij als begeleiders brengen kleur aan met subtiele verschuivingen in de arrangementen. Als je goed luistert, gebeurt er heel veel. Er zit een gelaagdheid en een spanning in onze muziek waar je misschien even moeite voor moet doen, maar die volgens mij wel loont. Als mijn broer en ik een melodie hebben bedacht, dan ga ik eerst bij Bryan langs. Die drumt niet zozeer mee, hij componeert zelf een compleet eigen partij waarmee hij de melodie te lijf gaat. Daarna gaan we naar Matt. Die zegt oké, hier kan ik wat mee en gaat dan aan een tekst werken. Maar het kan ook zijn dat hij ons terugstuurt. Wil hij het niet zingen, dan is er geen National song.’

Met z’n allen in de studio zitten ze nooit. Aaron Dessner houdt het overzicht, hij heeft zijn garage tot studio laten verbouwen en steekt al zijn tijd in het uitwerken en combineren van ideeën. Hij bepaalt wanneer een van de anderen iets mag komen inspelen.

Berninger: ‘We zijn een echte garage-band, alleen maken we geen garagerock.’ Hoe je de muziek van The National wel moet noemen, zou hij ook zo snel niet weten. ‘Alles draait toch om de liedjes, de sound is minder belangrijk. Diepte krijg je niet door een brede of een vernieuwende sound, dat is slechts buitenkant.’ Daarin verschilt The National van veel nieuwe spraakmakende bands uit hun Brooklyn.

Dessner: ‘Hoe mooi ik de muziek van Animal Collective soms ook vind, ze zijn echt met iets heel anders bezig. Bryan kan ook geweldig afrobeat spelen, en Bryce heeft een Ghanees gitaarpatroon binnen de kortste keren geleerd, maar dat is niet waar het ons om gaat. Wij zijn echt met z’n vijven bezig songs te bouwen. Dat is zoeken naar de juiste elementen. Maar een song is pas af als die echt onder je huid gaat zitten en niet van je afglijdt. Dat kan even duren.’

Wat de toegankelijkheid niet vergroot zijn de vaak wat cryptische teksten van Berninger. ‘Ik heb een notitieblokje waarin ik zinnetjes schrijf waarmee ik iets denk te kunnen. We’re half awake in a fake empire bijvoorbeeld. Of Terrible love and I’m walking with spiders. Dat zijn allebei zinnen die hele liedjes zijn gaan dragen.’

Fake Empire opende de vorige plaat, Boxer, waar Terrible Love het begin is van High Violet. De albums verschillen muzikaal in die zin dat Berninger zijn band wat meer poppy composities had gevraagd. ‘Iets luchtiger ja, wat weer met mijn gemoedstoestand te maken had’, aldus de zanger.

Dat gemoed is bepalend geweest voor de sound op Alligator. ‘Ik schreeuwde wat meer, wat te maken had met persoonlijke ellende, zoals twijfels aan mijn relatie, maar ook aan de politieke toestand van dat moment. Wij waren in 2004 heel fanatieke aanhangers van de democratische presidentskandidaat John Kerry. Het idee van nog vier jaar George Bush was afschrikwekkend, en iets van die afschuw hoor je op Alligator terug.’

De toon op Boxer was berustender. Berninger: ‘Wat moet je anders? Bush was aan de macht, alles leek alleen maar erger te worden. Ontsnappen kon alleen door je eigen werkelijkheid te creëren, een droomwereld om je aan vast te klampen. Escapisme ja, daar gaat Fake Empire over. Hooguit in slaaptoestand was de ellende te verduren.’

Maar, zo weet Berninger nu, je kunt je niet van alles afsluiten en de werkelijkheid om je heen blijven ontkennen. ‘Ik ben nu vader van een dochter van veertien maanden. Die moet het volle leven nog in, die kun je niet in een soort cocon houden. Ik kan nu me niet meer overal van afsluiten, en zal met alles mee moeten doen en verantwoordelijkheid nemen. Dat is een besef dat in de liedjes op High Violet meespeelt. Was even wennen, maar het voelt goed.’

High Violet klinkt wat luchtiger dan de voorgangers, maar is opnieuw geen plaat om de polonaise op te lopen. Dessner: ‘Wij zijn ook geen popband die zijn best moet doen nieuwe hits te leveren. Radio-airplay hebben we nooit gehad, en zonder zijn we gekomen waar we nu zijn. We hebben een publiek dat gestaag groeit, trekken zalen vol met meer dan duizend man voor wie onze muziek echt iets betekent.’

Berninger: ‘Ik hoop vooral dat ik geloofwaardig klink, zoals Tom Waits en Nick Cave geloofwaardig klinken. Ze verzinnen misschien hun verhalen, maar je gelooft ze meteen, door de eigen wijze waarop ze die voordragen. Dat waarachtige is de kern van goede muziek, ook van popmuziek of de muziek zoals wij die willen maken. Willen ja, want het blijft zoeken. Als we alles gevonden hebben, is er volgens mij geen aardigheid meer aan.’

Meer over