Fantasie

Watchmen

Dreiging verdampt in Watchmen

Floortje Smit

Hoe verfilm je een strip die al door velen onverfilmbaar is verklaard en door regisseurs als Terry Gilliam is afgeslagen? Gewoon, plaatje voor plaatje, moet regisseur Zack Snyder hebben gedacht. Zijn Watchmen is een grotendeels letterlijke vertaling van de klassieker onder de graphic novels.

Net als bij zijn eerdere stripverfilming, 300, valt er visueel weinig te klagen. De trouwe fans kunnen de strip van Alan Moore en Dave Gibbons spectaculair tot leven zien komen, inclusief uit elkaar spattende lichamen, ander bloederig geweld en de oogverblindende technische gimmicks. Vaak gefilmd met een stilstaande camera en een kadrering die direct uit het boek is overgenomen.

Maar de gelaagdheid en psychologische aspecten waar Watchmen ook om geprezen wordt, blijken niet zo gemakkelijk te kopiëren. De serie uit 1986 en 87 was een gitzwarte afrekening met de superheldenfantasie. Uit het groepje gemaskerde ordehandhavers dat Watchmen opvoert, blijken het vooral gefrustreerde types in rare pakjes die allemaal op hun eigen manier psychisch niet helemaal in orde zijn.

In 1985, de tijd waarin het boek zich afspeelt, zijn ze al weer een aantal jaar op non-actief gesteld, waart er een moordenaar rond en gaat de wereld – mede door hun eerdere invloed - bergafwaarts: de Vietnamoorlog is misschien wel gewonnen, maar Nixon is bezig met zijn derde ambtstermijn en een kernoorlog dreigt.

Dit is de meest vereenvoudigde verhaallijn. Snyder vat de alternatieve historie samen in een prachtige, zelfbedachte openingssequentie. Zodra hij letterlijk de strip volgt, gaat het mis: die mooi opgebouwde dreiging verdampt in de hoeveelheid flashbacks en – forwards, verwijzingen, beeldrijm en vertelperspectieven. Dat is bedoeld om de karakters en het verhaal te verdiepen, maar maken eerder de plot nodeloos ingewikkeld voor wie de strip niet kent. Het acteerniveau wisselt nogal: Jackie Earle Haley is een meer dan waardige Rorschach; Jeffrey Dean Morgan een goede Comedian, maar de rest van de acteurs is matig – vooral Malin Akerman. De oudermakende make-up van Carla Gugino is ronduit storend.

Erger nog: de filosofische gesprekken klinken opeens irritant pompeus. De ingewikkelde balans tussen hommage aan en knipoog naar het genre pakt soms dramatisch verkeerd uit en symboliek heeft op zo’n scherm toch vaak een andere uitwerking: een heftige seksscène tussen twee superhelden in een ruimteschip, op Hallelujah van Leonard Cohen? Een zwevende Buddha-figuur op Mars? En er mag dan een reden zijn dat Dr Manhattan bloot rondloopt in de strip, in de bioscoop leidt die heen en weer zwiepende blauwe penis vooral af.


Meer over