columneva en eddy posthuma de boer

Wat Van Gogh en Maslov ons kunnen zeggen

Het leven door de ogen van de Posthuma de Boers - een foto uit het rijke naoorlogse archief van vader Eddy, met een tekst van dochter Eva. Vandaag: waarom we kunst nodig hebben.

Sterfscène Boris Godoenov, Nederlandse Opera 1987 Beeld Eddy Posthuma de Boer
Sterfscène Boris Godoenov, Nederlandse Opera 1987Beeld Eddy Posthuma de Boer

‘Wenn ich das Wort Kultur höre, dann greife ich schon an meinen Revolver’ (‘Als ik het woord cultuur hoor, grijp ik meteen naar mijn ­revolver’), citeerde Hermann ­Göring de fascistische toneelschrijver Hanns Johst uit volle borst. Kunst heeft vaak onder vuur ­gelegen en ook nu is de aanval weer geopend. Dreigende bezuinigingen op subsidies, het enige boekenprogramma op televisie weg, een narcistische politicus die met nationalistisch geblaat tegen moderne kunst ageert. Niet voor niets zijn dictatoriale types er zo bang voor: kunst tilt ons boven onze referentiekaders uit, ondermijnt totalitaire samenlevingen. Het bewijs voor de macht van kunst hebben dictators natuurlijk zelf door de eeuwen heen geleverd met propagandistische standbeelden, schilderijen en geschriften waarmee getracht werd bevolkingen te indoctrineren.

Gisteren fietste ik langs De Schreeuw, het monument dat Jeroen Henneman maakte na de moord op Theo van Gogh. Het hoge, stalen beeld verwarde me, zoals elke keer als ik het passeer, omdat ik het zo mooi vind als ding op zich, en het me tegelijkertijd herinnert aan die gruwelijke gebeurtenis en me het belang van vrijheid van meningsuiting inwrijft. Ik dacht aan de piramide van Maslov, die tijdens mijn studie (iets met kunst) bij een college met als onderwerp ‘organisatiestructuren binnen de culturele sector’ (halleluja) aan bod kwam. De docent legde uit, mijn permanent katerige hersens spitsten zich en sloegen ongeveer dit op: een mens moet eten. Een dak boven zijn hoofd. Wil veiligheid en zekerheid. Dat is de basis, de onderste laag van de piramide.

Als het daarmee snor zit, komt de behoefte aan andere mensen, aan contact – de tweede laag. Dan volgt de wens om zich te ontwikkelen, te leren, waardering en erkenning te krijgen. Pas als dat in kannen en kruiken is, ontstaat de behoefte aan zelfontplooiing, bijvoorbeeld door het beleven of maken van kunst – de top van de piramide. ‘Vanuit dit licht kunnen we ons afvragen wat het nut van kunst is’, stelde de docent, en gaf ons opdracht een essay over het vraagstuk te schrijven.

De twijfel sloeg toe: inderdaad, wat was het nut van kunst, waar waren we met z’n allen mee bezig? De discussie barstte in de collegezaal los en werd voortgezet in een kroeg. Tot eenduidige antwoorden kwamen we niet, maar al pratend beseften we hoezeer kunst kan beroeren. Hoe ze kan troosten, de ziel kan verzachten, vragen kan opwerpen over de mens en de wereld die de mens en de wereld verder brengen. En dat hebben we nodig, zeker in deze entartete tijd.

Meer over