Schrijvers in hun werkkamerMichel van Egmond

Wat nou zelfquarantaine? Michel van Egmond is in drie bladzijden in Brooklyn

Michel van Egmond thuis tussen zijn memorabilia.Beeld Ivo van der Bent

In deze serie nemen schrijvers ons mee op hun (geestelijke) omzwervingen door de werkkamer, zoals Xavier de Maistre dat deed in 1794 in het boek Reis door mijn kamer. Vandaag is de beurt aan Michel van Egmond, die Joseph Mitchell, de beste straatreporter aller tijden, graag aanprijst.

De kamer waarin ik schrijf, bevindt zich op de zevende etage van een veertig jaar oud pand in het centrum van Rotterdam. Er staan twee banken, een tafel met vijf stoelen, ze heeft een balkon met uitzicht op de Euromast en een kast met duizend boeken. 

Aan de muur hangen een televisie, een kunstwerk van de slagwerker annex graficus Han Bennink en een ingelijste cover van de Amerikaanse Esquire, editie juli 1966, met daarop het oude Yankee Stadium. Er is een genummerde afdruk van het beroemde portret dat Francis Wolff in 1963 op straat schoot van Herbie Hancock en een plastic poppetje dat Ed de Goey moet voorstellen, er staan drie identieke en loodzware beelden van Jeroen Henneman, een werk van fotograaf annex model André van Noord dat Bali 1 heet en dat hij me een paar jaar geleden persoonlijk wilde komen brengen, iets dat ik heel ongastvrij afwimpelde omdat ik weer zogenaamd te druk was met een boek, en waar ik spijt van heb omdat hij nu dood is en je nooit zo arrogant moet zijn om de gelegenheid onbenut te laten een originele geest beter te leren kennen. 

Bali 1 van fotograaf annex model André van Noord.
Een plastic poppetje dat Ed de Goey moet voorstellen.

Er hangt in mijn werkkamer ook een ingelijste cover van The New Yorker waarop met viltstift en in bibberig bejaardenhandschrift is geschreven ‘To my fellow author Michel. Best always, Gay Talese’, hoewel dat me er alleen maar dagelijks aan herinnert dat ik net zo veel fellow author ben van Gay Talese als dat Cor Bakker een fellow musician is van Johann Sebastian Bach, en er hangt een ingelijste en vergeelde print uit 1944 van Joseph Mitchells verhaal ‘Old Mr. Flood’, gesigneerd en van een opdracht voorzien door de grote meester himself en door mij dik zeventig jaar later voor 500 dollar gekocht in midtown Manhattan, bij een vrouw die zo oud was dat haar botten kraakten als een piratenschip toen ze het op de zesde verdieping van haar antiquariaat met een plechtig gezicht en witte Boudewijn Büch-handschoentjes voor me uit een vitrine haalde.

Als er ooit brand uitbreekt in deze kamer, is dit het object dat ik op weg naar de uitgang zal proberen te redden.

Al twintig jaar lang houd ik het verzameld werk van Joseph Mitchell binnen handbereik, waar ik ook ga. Het reist met me mee, van huis naar huis, van hotel naar hotel, van werkkamer naar werkkamer. Zoals hijzelf nooit raakte uitgekeken op de Hudson, zo raak ik nooit uitgelezen in zijn werk.

Joseph Mitchell is in mijn ogen niet alleen de beste straatreporter aller tijden, de grootste stilist in de literaire journalistiek, de fijnzinnigste observator en weemoedigste chroniqueur van zijn tijd, maar vooral de beste luisteraar ter wereld, met een absoluut gehoor voor de manier waarop mensen zich uitdrukken. Zijn monologen hebben een betoverende werking op me.

Al twintig jaar lang houd Michel van Egmond het verzameld werk van Joseph Mitchell binnen handbereik, ‘waar ik ook ga'.

Als jonge krantenjournalist debuteerde hij vlak voor de Grote Depressie. Hij versloeg het proces rond de ontvoering van Charles Lindberghs baby en interviewde Albert Einstein, Frida Kahlo en andere iconen van zijn tijd, maar veel liever schreef hij over onbekende mensen. Hij zocht zijn hoofdpersonen bij voorkeur onder vissers, zigeuners, marktkooplui, kroegbazen, klaplopers, circusartiesten, wonderkinderen, straatpredikanten, gekken, halve garen, restaurateurs, opscheppers, misfits, kluizenaars en andere excentriekelingen en portretteerde ze stuk voor stuk met een mengeling van verbazing, humor, diep menselijk inzicht en vooral mededogen.

In 1964 publiceerde hij zijn laatste verhaal. Daarna lukte het plotseling niet meer, al bleef hij het nog wel heel lang proberen. Tweeëndertig jaar lang om precies te zijn, tot vlak voor zijn dood in 1996. Zijn salaris werd tot aan zijn pensioen doorbetaald en al die jaren wandelde hij dan ook trouw op doordeweekse dagen naar de redactie van The New Yorker, sloot zich op in zijn werkkamer en typte er lustig op los, maar als hij aan het einde van de middag het pand weer zuchtend verliet was er nooit meer dat aan zijn verblijf herinnerde dan een volle prullenmand.

Zo werd Joseph Mitchell in de loop der tijd een schrijver die vooral bekend werd om wat hij niet schreef.

Maar niet bij mij. Ik geniet van alles wat hij wél schreef. Wat Jules Deelder had met zijn jazzalbums (‘soms ga ik voor mijn platenkast staan en dan hoor ik ze allemaal tegelijk!’), dat heb ik met Mitchells verhalen: ik kan erin verdwijnen. Wat nou zelfquarantaine? Ik wandel een paar passen naar mijn boekenkast, pak mijn lievelingsbundel erbij en in drie, hooguit vier bladzijden ben ik allang niet meer in mijn werkkamer op zeven hoog in Rotterdam, maar kuieren Joe en ik in de schaduw van de Brooklyn Bridge richting Sloppy Louie’s, het allang verdwenen restaurant op de allang verdwenen Fulton Fish Market, op zoek naar een paar sterke vissersverhalen en een ‘goed, goedkoop en verkwikkend ontbijt – een gerookte haring en roerei, of een omelet met elftkuit, of geopende sint-jakobsschelpen met bacon, of een ander ontbijtgerecht dat daar geserveerd wordt’. (‘In het oude hotel’, 1952)

Soms vlooi ik in mijn werkkamer door zijn teksten als een rabbijn door de Talmoed en zoek ik tussen de regels naar het geheim van zijn vakmanschap, wat uiteraard zinloze en nogal aanmatigende exercities zijn die gelukkig worden overschaduwd door de ontelbare keren dat ik me gewoon laat meevoeren door zijn bedwelmende stijl.

Een kunstwerk van de slagwerker annex graficus Han Bennink.

Tot nu toe las ik hem vooral in tijden van voorspoed en genoot ik van zijn virtuositeit, zijn oog voor detail, zijn galgenhumor. Nu, in tijden van rampspoed, voel ik pas hoe troostrijk zijn werk ook is. Bijna al zijn verhalen worden bevolkt door hoofdpersonen die ieder op hun eigen excentrieke manier met alles wat ze in zich hebben aan het leven hangen. Of het nu de bejaarde Mr. Flood is, een zelfbenoemd ‘seafoodetarian’ die van plan was dankzij een uitgekiend dieet van verse vis door te leven tot de middag van 27 juli 1965, zijn 115de verjaardag, of de door Greenwich Village zwervende bohemien Joe Gould, die zei te kunnen leven op ‘lucht, zelfrespect, sigarettenpeuken, cowboykoffie, sandwiches met gebakken ei, en ketchup’, of de onvergetelijke praatjesmaker Commodore Dutch, die als chicste zwerver van de stad veertig jaar lang in zijn bestaan voorzag door het geven van een jaarlijks benefietbal ten bate van zichzelf. ‘Dutch is een schooier, maar hij is geen doorsneeschooier’, laat Mitchell iemand in het verhaal A sporting man (1942) zeggen. ‘Hij bedelt niet, hij int contributie.’

Zijn personages brengen in tijden van zelfquarantaine een bepaalde relativering mijn werkkamer binnen. Ik moet nog steeds lachen om hun aandoenlijke pogingen de tijd stil te zetten, veranderingen tegen te gaan en het oude te beschermen tegen de onvermijdelijke afbrokkeling. Zelfs opgesloten tussen vier muren vind ik onverminderd troost in de manier waarop ze ons gezamenlijke lot proberen te relativeren. Of, om het in de woorden van de grote Joseph Mitchell zelf samen te vatten: ‘Life’s a goddamn mess, but you wouldn’t want to miss it.’

Publieksprijs

Michel van Egmond (1968) is journalist en schrijver. Hij won driemaal de NS Publieksprijs: in 2013 met Gijp, in 2014 met Kieft en in 2017 met De wereld volgens Gijp. Deze week verscheen Patty – De negen levens van Patty Brard, dat hij samen schreef met zijn vriendin Antoinnette Scheulderman. 

Reis door mijn kamer

Als iemand weet hoe het is om de hele dag thuis te zitten, zijn het schrijvers. In deze serie nemen ze ons mee op hun (geestelijke) omzwervingen door de werkkamer, zoals Xavier de Maistre dat deed in 1794 in het boek Reis door mijn kamerNicolien MizeeLieke MarsmanPaul SchefferArnon GrunbergKatinka PoldermanBert Wagendorp  en Maarten ’t Hart gingen Michel van Egmond voor, boekenchef Wilma de Rek trapte de serie af. De komende weken volgen onder anderen Saskia Noort, Dimitri Verhulst, Maxim Februari en Connie Palmen, op zaterdag.

Meer over