Boeken

Wat moet Hongarije aan met Miklós Radnóti (1909-1944), de grote dichter die geen Hongaar mocht zijn?

De poëzie die Radnóti kort voor zijn executie schreef, is voor het eerst - prachtig - in het Nederlands vertaald.

null Beeld Floor Rieder
Beeld Floor Rieder

Op de Hongaarse televisie verscheen begin dit jaar een nieuw spotje van een grote supermarktketen. Stemmige pianomuziek, lachende gezichten van mensen die koffiebonen branden, eigenlijk alles wat je verwacht van een doorsnee reclamefilmpje. Maar de voice-over is allesbehalve doorsnee. ‘Ik kan niet weten wat dit oord is voor een ander’, declameert een stem. De dichtregels daarna, ruim tachtig jaar oud, zijn minstens zo bekend. Generaties scholieren leerden ze uit hun hoofd.

Het is mijn moederland, omhelsd, maar nu door vlammen,
het heeft mijn verre jeugd gewiegd, dit kleine land

Het gedicht heet Nem tudhatom (‘Ik kan niet weten’), een meesterwerk uit het oeuvre van dichter Miklós Radnóti (1909-1944), bij leven al een geziene figuur en na zijn dood in de Tweede Wereldoorlog nog veel bekender. Wie in Boedapest een wandeling maakt door de Pozsonyi-straat, ziet zijn nonchalante gestalte op de hoek staan, een in brons gegoten flaneur in driedelig pak. Naast hem ligt zijn jas, een grimmige herinnering aan het feit dat hij als Jood altijd klaarstond om te vertrekken.

Bij uitgeverij Van Oorschot verscheen onlangs de bundel Het schriftje uit Bor, met daarin tien gedichten die Radnóti kort voor zijn dood schreef, prachtig vertaald door Arjaan van Nimwegen en Orsolya Réthelyi. Het is een primeur – Radnóti’s bundel verscheen niet eerder in Nederlandse vertaling – die de vraag oproept hoe Hongarije zich vandaag de dag tot zijn beroemdste dichter verhoudt.

In zijn nawoord noemt Arnon Grunberg de Hongaar een ‘schrijvende ter dood veroordeelde’, waarmee diens tragische leven pregnant is samengevat. ‘Zijn werk zit vol omineuze verwijzingen naar een vroege, gewelddadige dood; het was haast een obsessie voor hem’, zo zegt biograaf Gyozo Ferencz in een online videogesprek.

Eind 19de eeuw waren honderdduizenden Joden naar Hongarije getrokken. Ze waren de ‘gist’ die het culturele leven deed rijzen, schetst Ferencz. Politiek antisemitisme werd nauwelijks serieus genomen. Gaandeweg de jaren twintig werd de atmosfeer guurder: ultrarechtse groepen vielen Joden aan en het aantal Joodse studenten dat op de universiteit werd toegelaten, werd door de autoritaire regering wettelijk ingeperkt. ‘Er werd weinig over geschreven’, aldus Ferencz, ‘maar in brieven aan zijn vrouw doet Radnóti dat wel. Hij voelde zich bedreigd.’

Miklós Radnóti in 1930. Beeld rv
Miklós Radnóti in 1930.Beeld rv

Het jodendom zag hij als een cultureel curiosum, niet als een doorleefde identiteit. Kort voor zijn dood liet Radnóti zich dopen in de katholieke kerk. Lezers van nu moeten dat niet opvatten als vlucht, waarschuwt Ferencz. ‘Hij wilde Hongaar zijn, zich volledig assimileren. Maar daarmee botste hij met het feodaal-fascistische systeem van toen. Hem werd gezegd: jij kunt je eigen identiteit niet kiezen, wij weten wat je echt bent.’

Radnóti was Joods maar niet belijdend, links voelend maar geen communist, een katholiek zonder kerk en een nationalist zonder bombarie. Een ‘rebus’ zonder oplossing, in de woorden van Ferencz. ‘Die vier identiteiten kreeg hij niet met elkaar verzoend. Joods en links ging begin 20ste eeuw prima samen, maar Jood en Hongaar?’

Op het Radnóti-gymnasium in het westen van Boedapest zijn de gangen uitgestorven. Mariann Schiller, kleindochter van een Auschwitz-overlevende en al 35 jaar literatuurdocent, vertelt dat ze bij haar leerlingen onwennigheid proeft als Radnóti’s poëzie ter sprake komt. Wat moeten ze aan met een ‘cultureel nationalist’ in een tijd waarin de premier het nationalisme zo’n beetje tot staatsgodsdienst verheft? Schiller: ‘Als ik zeg: ik ben een goede Hongaar, beginnen mijn leerlingen te lachen. Een goede Hongaar, dan denken ze meteen aan Viktor Orbán.’ Een korte stilte. ‘Shakespeare lezen is makkelijker.’

Vanaf 1940 werd Radnóti tweemaal voor de Arbeitseinsatz opgeroepen. In maart 1944 volgde de Duitse bezetting (daarvoor collaboreerde Hongarije al), waarna zijn poëzie in eigen land verboden werd. Er volgde een derde oproep voor de arbeidsdienst. Over hun laatste nacht samen schreef zijn vrouw Fanni Gyarmati in haar dagboek: ‘Toen we eindelijk zijn gaan slapen trok ik hem naar me toe als een breekbare, zoete hostie, met zoveel angst en wanhoop: hoe kan hij met dit lichaam verdragen wat hem nog te wachten staat?’

Radnóti werd te werk gesteld in de kopermijnen van Bor, over de grens in Servië. Vanaf augustus 1944 werd het kamp ontruimd omdat de Sovjets en de Joegoslavische partizanen in aantocht waren. De gevangenen werden op dodenmars gestuurd. Radnóti begon Razglednica’s te schrijven, Servisch voor ‘ansichtkaart.’ In Het schriftje uit Bor zijn ze alle vier opgenomen, telkens ondertekend met een dorp of stad op zijn route. Onderweg kwamen gevangenen van uitputting en honger om. De vierde en laatste beschrijft een executie zo levensecht dat het zijn eigen lijkt:

Ik stortte naast hem, zijn lijf rolde,
strak al, een gespannen snaar.
Nekschot. – ‘Dus zo wordt jouw einde,’ –
fluisterde het in mij, – ‘lig stil,
geduld nu, daaruit bloeit de dood.’
– ‘Der springt noch auf,’ – klonk boven mij.
Bloedmodder stolde op mijn oren.

Literatuurdocent Schiller laat haar leerlingen de regels voorlezen tijdens een facultatieve Zoom-les. Eerst het Hongaars, daarna de Engelse vertaling. De Duitse regel, Der springt noch auf, blijkt vertaald naar het onschuldiger klinkend ‘He’ll get away yet’. ‘Dat vind ik storend, die Duitse woorden horen daar’, zegt Sara (18) met een ernstig gezicht. ‘Al moeten de Duitsers natuurlijk niet alle schuld krijgen voor wat er gebeurd is.’ Márton (18), nuancerend: ‘Volgens mij waren het Hongaren die hem doodschoten.’

De precieze datum van Radnóti’s executie is onbekend, waarschijnlijk begin november 1944, inderdaad door Hongaarse soldaten. Pas anderhalf jaar later werd zijn lichaam opgegraven, met in zijn jaszak zijn tien laatste gedichten, vergezeld van een oproep om die naar een adres in Boedapest te brengen.

Tegenwoordig wordt hij volop gelezen, maar volgens biograaf Ferencz niet op de juiste manier. Van het beroemde Ik kan niet weten hebben Hongaren een sentimentele lofzang op Hongarije gemaakt. ‘Mensen lezen dat vol adoratie, terwijl ik er een schreeuw om hulp in lees, haast hysterisch, opgetekend door een jongeman van wie alles is afgepakt.’ De dichter wiens werk getuigt van wanhoop en angst, is postuum onschadelijk gemaakt. Zijn gedichten zouden kunnen aanzetten tot reflectie op de Hongaarse rol in de Holocaust, maar duiken in plaats daarvan op in mierzoete reclameteksten. ‘Het is de eeuwige Hongaarse ontwijkingsstrategie’, denkt Ferencz. ‘Door hem te aanbidden is hij gedomesticeerd. En daarmee ook het Joodse leed.’

Voor scholieren staat Radnóti op de leeslijst, ofschoon niet langer bij de verplichte literatuur. Onder het bewind van Orbán zijn daar twee auteurs aan toegevoegd met fascistische en/of antisemitische ideeën. Schiller ziet het met lede ogen gebeuren. ‘Ik ken leraren die zeggen: we behandelen Radnóti omdat het moet, maar ach, hij was maar een Jood.’ Zo bezien is de worsteling van de dichter met zijn afkomst nooit gestopt: niet tijdens zijn leven en ook niet erna.

null Beeld Van Oorschot
Beeld Van Oorschot

Miklós Radnóti: Het schriftje uit Bor. Uit het Hongaars vertaald door Arjaan van Nimwegen en Orsolya Réthelyi. Van Oorschot; 64 pagina's; € 17,50.

Meer over