Wat moet een mens zonder T.S. Eliot

Henny Vrienten, inderdaad die van de popgroep Doe Maar, is een fervent liefhebber van poëzie. Iemand die staande voor zijn immense boekenkast van dichter naar dichter springt.

Hij staat voor zijn boekenkast, want hij is een staande poëzielezer. Hij heeft een gebonden bundel in zijn rechterhand die hij net van een stapeltje heeft gepakt. Hij staat ter hoogte van de bloemlezingen (Nederlands), vlakbij bij de diverse grootheden (wereld).

Henny Vrienten (60) leest en bladert met zijn linkerhand en zet de bundel weer terug. Of hij een kriebelende kruin heeft, zoals hij zijn ultieme vervoering beschrijft, is niet te zien. Hij is zeker niet hoogrood aangelopen en to-taal onbereikbaar, zoals hem overkomt als hij het literaire hooggebergte van de Brits-Amerikaanse dichter T.S. Eliot bewandelt.

Maar het is wel een bijzonder boek, en in een dergelijk handzaam formaat dat hij het mee kan nemen naar de tandarts. Het is van de Romein Titus Lucretius, in een Engels/Latijnse uitgave van Loeb Classical.

Stapels
Overal in de zeer ruime werkkamer van Henny Vrienten liggen stapels poëzie die ergens goed voor zijn. Er zijn stapels die hij weg doet, omdat hij er niks aan vindt of er niets in leest waar hij wat mee moet. Die verdwijnen in dozen in het souterrain, om daarna bij een antiquariaat of op het Waterlooplein te belanden – en een enkel keer koopt hij (per abuis) er eentje terug. Er zijn ook stapels poëzie die hij net binnen heeft en die hij – hup hup – meeneemt naar bed om de bundels van kaft tot kaft te lezen. Want dat is ook zo handig aan poëzie: er hoeft geen samenhang te zijn in het boek, zoals in proza, en het is lekker kort.

Er zijn ook stapels dichtbundels die alleen stapels zijn, omdat ze op een plek in de kast wachten, of niet eens een plek krijgen in de kast. Ze zijn nog niks, zelfs niet alfabetisch of categorisch gerangschikt. Ze zijn twijfelgevallen (diversen).

Hij is een staande poëzielezer die daarna moet lopen. Hij leest een gedicht over hoe het is om dichter te zijn, en dat hem doet denken aan een gedicht van Kees Ouwens of aan een regel van Gerrit Komrij. Dan moet hij op zoek naar die ene regel, want liedjes vergeet hij maar gedichten niet. Als hij bij die ene regel is, loopt hij weer verder, want hij leest toevallig iets over een onbekend meisje dat uit de Seine is gevist, en hij weet zeker dat hij daar vele malen eerder over heeft gelezen. Hier is het: bij Anton van Duinkerken en Vasalis.

Zwaan Kleef aan
Zo werkt het dus, en daar doet hij in Zwaan Kleef Aan verslag van. Een wandeltocht door zijn werkkamer; van Remco Campert naar Robert Frost naar Jan Eijkelboom naar Cesare Pavese naar Gerrit Achterberg naar Czeslaw Milosz naar Anna Achmantova.

Noem het poëtische looplijnen, onzichtbaar getrokken, die zijn duizelingwekkende verzameling doorkruisen.

Henny Vrienten heeft dus een heel mooie boekenkast, want een man moet één keer in zijn leven een heel mooie boekenkast laten maken, speciaal voor zijn duizenden bundels en boeken over poëzie.

Tien jaar geleden wist hij dat in zijn Amsterdams grachtenpand deze kamer zijn werkkamer zou worden. De honderd jaar oude vloer, het prachtige licht – het kon niet anders. Beneden de geluidsstudio, en boven de werkkamer, inclusief boeken. Want een huis, waar overal – in alle hoeken en gaten – boeken staan, vindt hij maar niks.

Vroeger had hij ook van die boekenkasten, je weet wel, met van die doorgezakte planken, met ijzeren haken in de muur, en ook nog schots en scheef opgehangen. Deze keer zou hij het anders doen, laten we zeggen definitief.

Boekenkast
Een boekenkast is niet zomaar iets, maar dat weet iedereen. Want vertel wat er in je boekenkast staat, en iedereen weet wie je bent. Hij zag laatst een foto van de dichter Guillaumme van der Graft, voor zijn boekenkast, en dan moet hij zich bedwingen om niet met een vergrootglas die kast te onderzoeken.

Hij komt wel eens bij mensen en daar staat de kast vol met boeken over nazi’s en de Tweede Wereldoorlog, of ziet hij vooral science fiction. Waar moet hij dan nog over praten? Er zijn zoveel boeken die hij niet wil lezen.

Hij weet ook wel dat hij zal eindigen met een bescheiden kast, met vijf plankjes vol. De essentie, zal hij maar zeggen. De bloedeerlijke boeken, die allemaal voor een plekje hebben gevochten. Zo ver is het niet, want alle boeken die hij nu heeft zijn er niet zomaar, die hebben allemaal een reden om er te zijn.

Hij houdt van dode dichters, al klinkt dat wat wrang. Maar als de jaartallen tussen haakjes achter de poëet staan, is de verzameling makkelijker compleet te krijgen. Ook mooi is het als je aan gedichten kunt aflezen dat het einde van de dichter nadert. Dat raakt hem.

Eeuwigheid
Hij is geen verzamelaar die denkt parallel te lopen met de eeuwigheid. Wat hij koopt, en bewaart, doet hij voor zichzelf. Het gaat niet om de verzameling, het gaat om hem.

Tijdens een tournee met Henk Hofstede en Frank Boeijen, zocht hij van tevoren wat het beste antiquariaat was in de stad waar ze moesten optreden. Ze gingen altijd vroeg op weg, en een paar uurtjes voor het soundchecken smeerde hij ’m, om met twee volle plastic tassen terug te keren.

En het allermooiste is als er een boek op je pad komt dat je niet zoekt, maar dat er wel toe doet.

Zijn vaste timmerman had hij dus voor de ultieme boekenkast gevraagd, en over de maten en het materiaal had hij goed nagedacht. Geen doorzakkend lawaaihout, maar robuust eikenhout moest het worden. Hoogte 28 centimeter, een meter breed en circa 25 cm diep.

Freak
De assistent in zijn geluidsstudio moest wekenlang de talloze boekendozen naar boven dragen en op de vloer zetten. Uiteindelijk kon Henny Vrienten aan de slag. Hij heeft dus idiote trekjes, en je mag hem zelfs een freak noemen, want z’n boekenkast moet perfect zijn, zeker als het gaat om de indeling.

Aan de linkerwand: de Nederlandse poëzie, alfabetisch, dus als afvallige katholiek beginnend met Bertus Aafjes’ Voetreis naar Rome. In plastic verpakt, want het is een eerste druk. Dan de B, en dat zijn er heel veel, denk maar aan Bloem, Bredero, Bilderdijk en Boutens, en zo verder tot aan de Z van Zwaal.

Aan de overkant staan de Engelse en Amerikaanse dichters, eveneens alfabetisch, en doorlopend naar de categorie wereld, boeken over poëzie en de bloemlezingen.

Drie planken
T.S. Eliot – want wat moet een mens zonder T.S. Eliot – heeft drie planken. Hij trekt Four Quartets uit de kast, een stukgelezen beduimeld exemplaar met krabbels in de kantlijnen, en stickers om de pagina’s te markeren. Elke vakantie gaat het boek op zeker mee; hij heeft zo van die vaste gewoontes. Want hij leest elk voorjaar Mei van Herman Gorter en pakt op saaie zondagmiddagen altijd Martinus Nijhoff.

Hij is een herlezer die op zoek gaat naar de opwinding van de eerdere leeservaringen. Die als het ware zijn eerste leesorgasme probeert terug te vinden.

Bij Eliot begin je steeds opnieuw, omdat je als mens ouder bent geworden en het gedicht mee is veranderd. O, en opeens kun je iets lezen, wat je niet eerder hebt gezien.

Poëzie is een toverbal, en een kijkoperatie in het taalkundig brein van een grote geest.

Vijftigers
Was dat altijd al zo? Laten we zeggen dat het begonnen is op het seminarie in Kaatsheuvel, waar een van de paters de ontdekking van Nova Zembla op rijm eruit gooide. Later vond hij zijn nieuwe bijbel: de bloemlezing Nieuwe griffels schone leien van Paul Rodenko, en weer ietsje later schafte hij voor het belachelijk hoge bedrag van één gulden vijfenzeventig gedichten van de Vijftigers aan, door Simon Vinkenoog bijeengebracht onder de titel Atonaal.

Lang dacht hij zijn liefde voor poëzie onder de pet te houden – hij heeft nou eenmaal een goed ontwikkeld schaamtegevoel. Niemand hoefde te weten dat de voormalige Doe Maar-zanger thuis W.H. Auden, William Shakespeare, R.L. Stevenson en William Carlos Williams behaagt. Of dat hij geabonneerd is op de Times Literary Supplement, en e.e. cummings uit het hoofd citeert. Maar Zwaan Kleef Aan is zijn derde poëzieboek, hij zat in de jury van de PC Hooft-prijs en hij is nu zestig; wat kan het hem eigenlijk bommen wat de mensen ervan denken.

Het zijn maar bloemlezingen, het is geleende geleerdheid en hij maakt een buiging naar al die prachtige dichters die de brutaliteit hadden om hun zinnen in het papier te rammen.

In zijn boek laat hij een rijmpje uit zijn jeugd vallen over Doris Day (‘O was ik maar de broek van Doris Day/dan kon ik altijd ruiken aan haar snee’) en dan zit je al heel snel bij Doe Maar en hun hit Doris Day.

Gedichtenbundels
In de hoogtijdagen van zijn status als hartstochtelijk begeerd jeugdidool, kende hij een poëzieloze periode. In zijn Doe Maar-tijd nam hij van alles mee naar bed, maar geen gedichtenbundels, zegt hij grinnikend.

Hij als dichter – hij moet er niet aan denken. Daar is hij te weinig plechtig voor als liedjesschrijver. Dat gekwelde, dat neurotische, dat uitwonen van de wereld in dienst van de poëzie, past niet bij hem.

Hij heeft zijn melodieën waarmee hij het allemaal kan vertellen. En kom niet aan met een combinatie van muziek en poëzie, of dat je dichters op een podium moet zien schallen. Nou ja, alleen als het Hugo Claus zou zijn, maar die is dood, of Lucebert, maar die is ook dood, die pathetisch zinnen uitsprak als overal zanikt bagger.

Hoekje met een boekje
Hij wil vooral stilte, in een hoekje met een boekje, volledig geconcentreerd, lezend in eigen tempo en als het ware een online verbinding met het gedicht.

Toen zijn boekenkast eenmaal af was, kwam zijn moeder op bezoek. In het ouderlijk Brabantse huis was vroeger ruimte voor drie boeken, waaronder De postduif en haar kenmerken. Zijn moeder liep langs zijn verzameling, en zei: je hebt niet één boek dat ik zou willen lezen.

Zijn vader, timmerman van beroep en 21 jaar geleden overleden, zou ook zijn opvattingen hebben gehad over de boekenkast. Hij zou vakkundig het eikenhout hebben bevoeld, de constructie hebben getest en hebben gezegd: Het gaat niet om wat ie opbrengt, maar hoe stevig ie staat.

De timmerman zou trots zijn geweest op zijn zoon.

Henny Vrienten (ANP) Beeld
Henny Vrienten (ANP)
Meer over