Wat maakt een sportboek een goed sportboek?

In een zomer vol voetbal, wielrennen en atletiek wordt de kiem voor veel nieuwe sportboeken gelegd. Amerika gaf altijd de toon aan, maar Nederland is bezig aan een inhaalrace, blijkt uit een subjectieve top-12.

Beeld Wendy van Santen

Boeken over sport zijn niet altijd leuk, maar soms wel. Er zijn zelfs sportboeken die je leuk kunt vinden, ook als je helemaal niet sportminded bent en eigenlijk liever een boek leest over de geschiedenis van IJsland of het leven van Franciscus van Assisi. De zomer, en zeker een sportzomer, is een goede tijd om zulke sportboeken te lezen, omdat de lucht dan zindert van de sport, je even iets anders kunt doen dan naar sport kijken en wellicht enig begrip krijgt voor degenen die wél de godganse dag voor de televisie hangen om naar voetbal, wielrennen of turnen te kijken. Of naar roeien. Een goed sportboek kan je zodoende in harmonie brengen met de wereld om je heen, wat altijd prettig is en de geest tot rust brengt. Houd je wel van sport, dan is het interessant de actieve dan wel passieve beleving daarvan aan te vullen met nieuwe kennis en zo de beleving te verdiepen.

Wat maakt een sportboek tot een goed sportboek? In de eerste plaats dit: het moet niet louter over sport gaan, want dat is meestal dodelijk saai. Wanneer het sportboek ook een tijdsbeeld geeft, of inzicht verschaft in de complexe psyche van de topsporter (het is moeilijk topsporter te zijn zonder dat er een draadje los zit) stijgt het uit boven de meestal niet zo boeiende weergave van de kale feiten.

Ten tweede geldt voor het sportboek hetzelfde als voor alle andere boeken: het moet een verhaal vertellen, het moet goed zijn geschreven en nadat de liefhebber het boek heeft uitgelezen, moet hij of zij achterblijven met een lichte hunkering en een gevoel van lichte verontwaardiging en/of teleurstelling: waarom is het boek uit, in godsnaam? Had het niet honderd pagina's dikker gekund?

Het aanbod van sportboeken wordt veel en veel groter voor degenen die Engels kunnen lezen. De meeste goede sportboeken komen uit de Verenigde Staten, de VS zijn, behalve een reli-natie, ook een sportnatie. Honkbal, football, basketbal en ijshockey houden het land bij elkaar, sport is een wezenlijk deel van de samenleving. Dat zie je ook aan de Amerikaanse literatuur, waarin wordt gesport dat het een lieve lust is. Vooral honkbal is populair onder schrijvers (The Natural, Bernard Malamud, The Great American Novel, Philip Roth, Underworld, Don DeLillo), maar er wordt ook gebasketbald (John Updike, Rabbit, Run), geworsteld, zoals in de boeken van John Irving of zelfs gecricket (Joseph O'Neill, Laagland). Sport is voor veel Amerikaanse auteurs een manier om dichter bij de 'gewone man' en de haarvaten van de samenleving te komen. Schrijvers schamen zich ook niet om uit te komen voor hun sportliefde, een grootheid als Norman Mailer was bezeten van boksen en honkbal, en getuigde daar ook van in zijn boeken.

Een van de beste Amerikaanse journalisten van de 20ste eeuw, David Halberstam, wisselde zijn werk over de Amerikaanse politiek en media (The Best and The Brightest, The Powers That Be) af met sportboeken van hoog niveau (The Breaks of the Game, Summer of '49). Er worden in de VS zelfs schitterende romans geschreven waarin sport het centrale thema is, zoals Chad Harbachs De kunst van het veldspel.

Langzaam maar zeker zie je ook in Nederland een verandering. Het niveau van sportboeken wordt hier hoger en in de literatuur duikt soms een sportman op, zoals de judoka in Peter Buwalda's Bonita Avenue. Vroeger was C. Buddingh' de enige die zich dergelijke frivoliteiten veroorloofde (Daar ga je, Deibel!), en vermoedelijk is hij daardoor als prozaschrijver ook nooit helemaal serieus genomen door bleke, dichtgeslibde recensenten die zich niets zinlozers konden voorstellen dan een bal (of een fiets) en niets absurders dan een roman met een bal erin (of een racefiets). Weliswaar had Tim Krabbé destijds zijn De renner al geschreven (in 1978), maar dat boek maakte op de meeste literatuurpausen weinig indruk, ook al behoort het tot het beste wat de Nederlandse literatuur dat decennium voortbracht.

De boeken op mijn lijst van Beste Sportboeken Aller Tijden moesten aan een aantal criteria voldoen. Fictie viel bij voorbaat af, zelfs als sport er een prominente rol in speelt. Een roman is een roman, nooit een sportroman. Verder moest ik de boeken zelf hebben gelezen, zodat ik niet hoefde af te gaan op het oordeel van anderen. Dat laatste leidt ongetwijfeld tot enorme omissies - ik zit niet louter sportboeken te lezen. De productie is zo groot dat ik daar een dagtaak aan zou hebben en er wordt ook nog weleens een boek geschreven dat niet over sport gaat, maar wel alleszins de moeite waard is.

Beeld Hans Bolleurs

Ook in minder toegankelijke talen dan het Engels wordt ongetwijfeld schitterend sportwerk geproduceerd. Maar zoals Nederlandse sportboeken zelden worden vertaald, omdat ze buiten de grenzen domweg niet worden opgemerkt, zo missen we hier al heel snel het beste van de Braziliaanse en IJslandse sportschrijvers die mogelijk wereldroem zouden verdienen. Ze ontbreken hier. Net als overigens een lange lijst ander magnifiek sportwerk.

Waar is Nick Hornby's Voetbalkoorts? Waar Hillenbrands Seabiscuit? Waarom ontbreken Roger Kahns The Boys of Summer en 8 Seconden, de Tour van 1989 van Herman Chevrolet? Bissingers Friday Night Lights, Paper Lion van George Plimpton, McPhee's Niveaus van het spel, Lagercrantz' Ik ben Zlatan, Fotheringhams Put me back on my bike, het verzameld sportwerk van Gay Talese: niet in de lijst. Net als nóg tien sportboeken waarvan u en ik weten dat ze formidabel zijn.

Allemaal op subjectieve gronden gesneuveld. De lijstjesmaker gaat als een gewetenloze slager tekeer, het bloed druipt van de muur, hij ziet het wenend aan. Echt, deze lijst had er zomaar héél anders uit kunnen zien, er is heel veel moois.

Is een boek verkrijgbaar in het Nederlands, dan heb ik de Nederlandse titel gebruikt

Er is heel veel moois

1 David Halberstam, The Breaks of the Game (1981)
Onvergetelijk portret van een professioneel basketbalteam, een sportorganisatie en de Amerikaanse samenleving aan het eind van de jaren zeventig van de vorige eeuw.

2 Juliet Macur, De leugens van Lance, de ondergang van een wielerlegende (2014)
Een nauwgezette en spannende speurtocht naar hoe het allemaal kon gebeuren, naar wát er precies gebeurde en naar de psyche van een bezeten man.

3 John Feinstein, A Season on the Brink (1986)
De van binnenuit beschreven belevenissen van het basketbalteam van Indiana University. Een non-fictieroman over de geniale maar geschifte coach Bob Knight en de kwetsbare sterspeler Steve Alford.

4 David Remnick, King of the World, Muhammad Ali And The Rise of An American Hero (1998)
Eigenzinnige biografie van de hoofdredacteur van The New Yorker, over de vroege jaren van Muhammad Ali en diens betekenis voor de Amerikaanse samenleving.

5 Erik Brouwer, Spartacus, de familiegeschiedenis van twee joodse Olympiërs (2009)
Hoogtepunt in de Nederlandse sportliteratuur, met een onvergetelijke tekening van het joodse Amsterdam van voor de Eerste Wereldoorlog

6 Michael Lewis, Moneyball (2003)
Hoe de honkbalclub Oakland Athletics succes boekte door statistieken boven intuïtie te stellen. Fascinerend boek schuddhet conservatieve voetbal wakker.

7 Auke Kok, 1974, Wij waren de besten (2004)
Over het Nederland van de jaren zeventig en hoe Oranje de laatste afslag miste op weg naar de wereldtitel voetbal van 1974. Sporthistorie die een tijdsbeeld schept en een beeld van een generatie.

8 Norman Mailer, Het gevecht (1975)
De schrijversblik op 'The Rumble in the Jungle', het gevecht om de wereldtitel zwaargewicht tussen Muhamad Ali en George Foreman, in Kinshasa, 1974.

9 Benjo Maso, Wij waren allemaal goden (2003)
Socioloog Maso werd bekend met Het zweet der goden, maar dit boek, over de Tour de France van 1948, is nóg beter. Meeslepend verhaal over een vergeten tijd en andere wereld.

10 Joe McGinniss Het wonder van Castel di Sangro (1999)
Een Amerikaan in een Italiaans dorpje waar zich een voetbalwonder voltrekt. Magnifiek portret van een kleine samenleving in contact met de grote wereld, vol bijzondere karakters.

11 Jim Bouton, Ball Four (1970)
Legendarisch boek van een profhonkballer die kan schrijven en die niet bang is de vuile was buiten te hangen en uit de kleedkamer te klappen.

12 A.J. Liebling, The Sweet Science (1956)
Liebling schreef prachtig over eten in Parijs, over het Amerikaanse leger in de Tweede Wereldoorlog en over van alles en nog wat. In deze verzameling verhalen schrijft hij prachtig over boksen.

Meer over