Essay

Wat je hebt ben je zelf: de middenklasse kenmerkt zich door bezit

null Beeld Rueben Millenaar
Beeld Rueben Millenaar

Arnon Grunberg buigt zich over de vraag waarom de huidige middenklasse zo ongrijpbaar is, en wat de maatschappelijke processen waardoor de bourgeoisie ooit is ontstaan daarmee te maken hebben.

Ergens aan het einde van de 18de, begin 19de eeuw, kwam in Europa een nieuwe klasse op: de burgerij, de middenklasse, de bourgeoisie, of hoe je haar ook wilt noemen. De verschillen per regio en land waren groot; de Italiaanse burgerij met het dolce far niente, het zalige nietsdoen, had andere gewoonten en vermoedelijk andere waarden dan de Duitse met haar Tüchtigkeit. Toch waren de overeenkomsten opvallend genoeg om al die verschillende soorten middenklassen met één woord aan te duiden.

De opkomst van deze nieuwe klasse kan zoals bekend niet los worden gezien van de Franse Revolutie, die de vanzelfsprekendheid van rechten en voorrechten die van vader op zoon werden doorgegeven, en in mindere mate van moeder op dochter, niet langer als vanzelfsprekend wenste te aanvaarden, hoewel de directe aanleiding voor een revolutie, ook de Franse, altijd prozaïscher is dan de hooggestemde idealen waarmee het volk de straat opgaat.

Metropolen

Minstens zo belangrijk waren industriële, economische en wetenschappelijke ontwikkelingen. Grote steden hadden zoals dat tegenwoordig wordt genoemd een ‘aanzuigende werking’, waardoor metropolen ontstonden. In en rondom die metropolen begonnen zich massa’s te vormen die behoefte hadden aan massaproducten, later ook aan massatoerisme, massavermaak en massaal onderwijs.

Dankzij industrialisatie kon de vraag naar massaproducten worden bevredigd en deze industrialisatie (fabrieken) creëerde nieuwe massa’s die hoopten de producten die ze zelf produceerden ooit aan te schaffen. Karl Marx (1818-1883) had goed gezien dat deze ontwikkeling tot steeds intensievere specialisering zou leiden, wat vervreemding tot gevolg zou hebben. Dat begrip, vervreemding, is zo vaak gebruikt en misbruikt dat het zijn oorspronkelijke betekenis geleidelijk aan is kwijtgeraakt. Waar iedereen vervreemd is, is niemand dat meer. Vermoedelijk is vervreemding weinig anders dan een neveneffect van de massale ‘vloeibaarheid’ die in de wereld kwam, om te beginnen in Europa. Eerst het vermoeden, vervolgens de hoop, uiteindelijk de eis: sociale mobiliteit voor de massa. Niets wijst erop dat wij ons werkelijk van de schok van die vloeibaarheid hebben hersteld, al stelt het ene na het andere onderzoek tegenwoordig dat het met de reëel bestaande sociale mobiliteit niet zo’n vaart loopt.

‘Onttovering’

Gehechtheid aan het land waarop men woonde en dat men misschien bewerkte, aan de vorst voor wie men knielde en aan de God die men op al dan niet dubbelzinnige wijze vreesde en vereerde: niets was meer vanzelfsprekend. En ondanks mensenrechten, sociale vangnetten en pensioenregelingen is niets ooit weer vanzelfsprekend geworden.De socioloog Max Weber (1864-1920) sprak over ‘onttovering’, waaraan met name de wetenschap debet zou zijn, en dat begrip geeft goed aan wat die oude vanzelfsprekendheid was: een vorm van toverij.

Nietzsche (1844-1900) had God doodverklaard, de vorsten lagen op sterven; uit de graven van God en adel kwam de burgerij gekropen, oftewel: daaruit zijn wíj komen kruipen. De adel bleek doder dan God, maar vermoedelijk was Nietzsche zelf ook niet zo overtuigd van Zijn definitieve dood en hij had ook gewaarschuwd voor de gevolgen ervan: de mens die in het gat van God springt en bezwijkt aan de goddelijke taken waarmee hij zichzelf heeft opgezadeld.

Vóór de Europeaan in dat gat kon springen moest in de behoefte van steeds meer geschoolde arbeiders worden voorzien, een neveneffect van de specialisering. En er waren wetenschappers nodig, met name artsen, die ervoor moesten zorgen dat kostbaar menselijk materiaal, tegenwoordig in bedrijven adequaat human resources genoemd, niet onnodig vroegtijdig aan zijn eind kwam. Dat is gelukt, want rond 1800 reikte de gemiddelde levensverwachting van de Europeaan niet veel verder dan veertig. Al deze ontwikkelingen maakten massale scholing noodzakelijk. De leerplicht deed haar intrede, kinderarbeid werd een probleem.

Het waren niet zozeer idealen als kansengelijkheid die hieraan ten grondslag lagen als wel bittere noodzaak, al waren de uitwassen van uitbuiting bijvoorbeeld enkele Engelse protestanten en filantropen te veel. In 1833 nam het Britse parlement een wet aan die bepaalde dat kinderen maar een paar uur per dag in een fabriek konden werken. Voor volwassenen golden nog geen werktijden.

Sommige leden van de bourgeoisie zetten zich in voor het vrouwenkiesrecht, de opkomst van de democratie in Europa werd voortgestuwd door het ontstaan van die nieuwe klasse.

Werk kwam God vervangen

Hoe verschillend de middenklassen als gezegd ook mochten zijn, kenmerkend is een geloof in de verlossende kracht van werk. Je zou kunnen zeggen dat het werk God kwam vervangen, al ging het niet meer om ‘zwetend’ werken in het veld. Werk en kennis waren onlosmakelijk aan elkaar verbonden geraakt. De stervende aristocratie had zich nog op het standpunt gesteld dat werken, inclusief het opvoeden van kinderen, iets was voor mindere goden.

Het ontstaan van de burgerij leidde er ook toe dat het gezin ‘hoeksteen van de samenleving’ kon worden; ouders en kinderen waren anders, vermoedelijk intensiever dan voorheen, aan elkaar overgeleverd. Freud kon zijn theorieën over de menselijke seksualiteit ontwikkelen in deze context van de snelkookpan van het gezin, waar alle leden een verhulde en erotisch getinte machtsstrijd met elkaar voeren en waar het onderdrukken van bepaalde verlangens, bepaalde woorden en bepaalde geluiden, een van de hoogste geboden vormt. De ideeënhistoricus Peter Gay (1923-2015) vat dat prachtig samen in zijn aan te bevelen studie De eeuw van Schnitzler – De opkomst van de burgerij in Europa: ‘Het wezen van de bourgeois wordt, zo luidt de suggestie, grotendeels gevormd door verboden: dingen die mensen uit de middenklasse niet mogen doen, woorden die ze van zichzelf niet mogen uitspreken.’

Wie deze zin tot zich door laat dringen beseft hoezeer dit van toepassing is op de diverse hedendaagse middenklassen.

Het proletariaat

Maar voordat de sprong naar het heden gemaakt kan worden moet het oude, inmiddels vrijwel geheel verdwenen proletariaat worden vermeld. Dat leefde half in fabrieken en stierf daar half – onvergetelijk in beeld gebracht door Charles Chaplin in Modern Times – en diende bevrijd te worden van zijn ketenen. Ook dat is behoorlijk goed gelukt in Europa, met dank aan de sociaaldemocratie, die feitelijk zo succesvol is geweest dat ze dreigt te bezwijken aan haar succes.

Het communisme was ook een nostalgische beweging die de vervreemding (de arbeider is op natuurlijke wijze gehecht aan zijn arbeid) wenste te bestrijden en al te denkbeeldige gemeenschappen (arbeiders aller landen) creëerde waar uiteindelijk weinig mensen op zaten te wachten.

Het proletariaat en de diverse middenklassen kenmerken zich door materialisme: men is wat men niet bezit of wat men juist wel bezit.

Als je bent wat je bezit, is je zelfbeeld fragiel, want wat je bezit kun je gemakkelijk kwijtraken. Kennis en cultuur zijn eveneens tot op zekere hoogte bezittingen, niet voor niets spreken sociologen over sociaal kapitaal, intellectueel kapitaal, et cetera, maar ook die bezittingen kun je kwijtraken: kennis kan verouderd blijken te zijn, de kunst die je aan de muur hebt hangen kan plotseling uitsluitend hoon opwekken.

Dat materialisme maakt de vorming van een gemeenschap ingewikkeld, want bezit is iets persoonlijks: mijn bankstel is niet uw bankstel. In Duitsland is geprobeerd het immateriële, het individu ontstijgende bezit aan te prijzen en te vereren; wij zijn Goethe en Schiller. Maar het nazisme heeft dat geloof beschadigd en Goethe en Schiller zijn zelfs in Duitsland niet meer wat ze waren.

De al te bekende tirades tegen individualisme hebben ook een absurde kant. Je kunt het de diverse middenklassen moeilijk kwalijk nemen dat de leden lijden aan de symptomen van hun klasse, voor zover lijden het goede woord is. Individualisme is een kenmerk van de bourgeoisie, de klasse die, zoals Gay dat noemt, het evangelie van de arbeid met het evangelie van de vrije tijd verbindt.

De twee wereldoorlogen uit de vorige eeuw, met name de eerste, waren ook een poging de fragiele middenklassen nieuwe denkbeeldige gemeenschappen te laten vormen: men was niet meer wat men bezat, men was eerst en vooral Duitser of Fransman. Wij weten hoe dat eindigde.

De kerk stribbelde tegen, maar ontzuiling en secularisering duwden haar de weg op van adel en aristocratie: die van het langzame verdwijnen. (God is hardnekkiger dan zijn kerken.)

Astrologie en naaktlopen

Tegenwoordig worden steeds weer nieuwe pogingen gedaan tot gemeenschap. De gemeenschap moet de leden van de middenklassen verlossen van hun voortdurende onbehagen: de relatie die men onderhoudt met zijn bezittingen, lees: geld. Men is witte man, Aziatische tiener, genderneutraal persoon. En altijd al heeft de bourgeoisie geprobeerd te ontkomen aan haar onbehagen door middel van spiritualiteit, astrologie, de natuur en soms ook het naaktlopen. Prachtig, maar achter die pogingen tot het vormen van gemeenschappen glinstert de schitterende leegte van het materialisme: de mens die een gemeenschap moet vormen met zijn bezittingen, waartoe hij in opperste nood ook zijn kinderen rekent, en die ook nog eens in permanente angst leeft zijn bezittingen en daarmee zichzelf kwijt te raken.

Het diepe onbehagen over wie men eigenlijk is en de behoefte daaraan te ontkomen, het verlangen naar wezenlijke, andersoortige gemeenschappen, zal de middenklasse blijven typeren.

Vrijwel nooit ontkwam men aan de verleidelijke gedachte dat, zoals Gay het noemt, het eigen ras, land of godsdienst ‘aan de hoogste tak van de boom van de evolutie bloeide’.

Als de diverse middenklassen zich verzoenen met hun materialisme en de wezenlijke ontheemding, die daar altijd een neveneffect van is, zal men allicht imaginaire gemeenschappen creëren waarvan de leden níét hoeven te geloven dat ze aan de hoogste tak van de boom van de evolutie bloeien.

Meer over