Reportage

Wat hebben wij aan de IJslandse filmindustrie en wat hebben zij aan ons?

De Volkskrant ging op stap met een groep Nederlandse filmmakers als onderdeel van het ‘Holland in Focus’-programma van het Reykjavik International Film Festival. Hierbij worden banden gesmeed met de IJslandse filmindustrie.

De Nederlandse delegatie op IJsland, met als zesde van links Ido Abram,  directeur See NL. Beeld Shariff Korver
De Nederlandse delegatie op IJsland, met als zesde van links Ido Abram, directeur See NL.Beeld Shariff Korver

In de touringcar richting vulkanisch gebied geeft de IJslandse gids een waarschuwing. De laatste tijd, zegt ze, is er weer activiteit. Soms een aardbeving. ‘Als dat zo gebeurt en je staat naast een berg met grote stenen, stap dan even opzij.’

Droogkomisch grapje, tijdens de toeristische trip die speciaal door het Reykjavik International Film Festival (RIFF) is georganiseerd voor hun internationale gasten. Toch: intrigerend idee. Mocht een lawine van rotsblokken het gezelschap raken, dan is dat een flinke aderlating voor de Nederlandse filmindustrie.

Vijftien filmprofessionals zijn in Reykjavik voor het ‘Holland in Focus’-programma. Benedetta, Do Not Hesitate, Dramagirl, Dead and Beautiful, Magic Mountains, Feast en Farewell Paradise worden vertoond voor een IJslands publiek. Een aantal filmmakers en producenten is ingevlogen, er is iemand van het Filmfonds en van de internationale filmmarkt van het IFFR.

De groep is samengesteld door Ido Abram, die zichzelf ‘het kaasmeisje van de Nederlandse film’ noemt. Het grappige is dat Abram zo’n beetje het omgekeerde is van een kaasmeisje: een grote, donkerharige man, zonder vlechten, met een stem die gezag afdwingt. Maar verder klopt het: hij is de directeur van de organisatie SEE NL, die de Nederlandse film moet promoten in het buitenland. Hij is even enthousiast als Frau Antje over een Edammer en zeker zo charmerend.

SEE NL krijgt een aantal keer per jaar van filmfestivals het verzoek om mee te werken aan een Nederlands filmprogramma, vertelt hij. Niet per se omdat ze geïnteresseerd zijn in de Hollandse cinema: omdat SEE NL een deel van de kosten draagt, is het voor festivals een goedkope manier om een mooi bijprogramma samen te stellen. Abram: ‘Wij werken dus alleen mee als wij er ook écht iets aan hebben.’

Vragen: waarom is het belangrijk dat IJsland kennismaakt met ‘de Nederlandse cinema’? Wat, in hemelsnaam, moeten al die Nederlanders hier tussen de geisers? Is dit geen verkapt schoolreisje?

Tijdens wat RIFF de ‘Dutch Day’ heeft gedoopt, blijkt dat de trip is als de IJslandse aardkost: wat je aan de buitenkant ziet, zegt niets over wat er onder de oppervlakte gebeurt. In het Nordic House, een culturele instelling, vertellen zes producenten in een krap half uurtje enthousiast over hun lopende projecten. Maaike Neve van Bind begint over haar kinderboekverfilming die zich helemaal zal afspelen in IJsland.

Maar waar het werkelijk om gaat, zijn de koffiepauzes met IJslandse donuts: dan kan Neeve handen schudden met de directeur van het IJslandse filmfonds, terwijl haar collega’s praten met lokale producenten. Nederlandse en IJslandse films zijn voor financiering afhankelijk van samenwerking met buitenlandse coproducenten. Het Nordic House is de arena van een paringsdans. Wat heb je nodig, wat kan ik bieden en welk financieel voordeel levert dat op. ‘Iedereen die mee is’, zegt Abram, ‘moet in de toekomst samenwerken met IJsland, of is daarin geïnteresseerd.’

Abram zelf heeft ook ‘een boodschappenlijstje’. Hij stond te kletsen met Frédéric Boyer, de programmadirecteur van het RIFF die het Nederlandse programma samenstelde. ‘We hebben het gehad over hoe moeilijk het voor dikke mannen is om een geschikte winterjas te vinden. Én ik heb hem gewezen op twee Nederlandse projecten die interessant zouden kunnen zijn voor het Les Arcs European Film Festival, waar hij artistiek directeur is en waar veel Franse verkoopagenten rondlopen.’

Terug in de touringcar. De gids: ‘Is iedereen er? Als je er niet bent, wil je dan je hand opsteken?’ Abram rammelt met een doosje Smintjes. ‘De groepsleider heeft snoepjes!’ Bestemming: Fagradalsfjall, de vulkaan die het afgelopen jaar weer actief werd.

Ook de uitstap is meer dan een vriendelijke geste. De IJslandse filmindustrie kent haar unique selling point: het fenomenale landschap. Het lokte regisseur Christopher Nolan en de serie Game of Thrones werd er deels gedraaid. ‘Kijk, daar wordt gefilmd’, wijst de gids. Maar ook het nadeel wordt duidelijk: in de acht uur dat de trip duurt, is er hagel, breekt de zon door en steekt de wind op. Die wisselvalligheid is een nachtmerrie voor producenten, erkent Gijs Kerbosch van Halal, terwijl de regen het dak van de bus ranselt. ‘Daarom hameren ze hier steeds op hun ‘komt wel goed’-mentaliteit. En dat ze met Amerikaanse producenten werken; de kwaliteitsstandaard is hoog.’

Dramagirl, de speelfilm die Kerbosch produceerde, is te zien in Reykjavik, net als de korte film The Walking Fish van Thessa Meijer – met haar werkt hij nu aan Vulkaanmeisje. Ze zoeken een dorpje aan de voet van een vulkaan. Logische plekken: Italië, de Canarische Eilanden of hier. ‘Voor locaties scouten is het nog te vroeg, maar zo kan deze wereld al wel visueel in haar hoofd gaan leven.’ Ook maakte Kerbosch vast een aantal afspraken met producenten. ‘Coproduceren is toch alsof je een huwelijk aangaat. Je moet met elkaar een paar jaar lang in de weer, je moet een goed gevoel bij elkaar hebben. Via Zoom lukt dat niet. Hier, informeel, leer je elkaar supergoed kennen.’

Hij houdt echt van de Nederlandse film, zegt Abram op de terugweg. ‘Het irriteert me mateloos dat we daar in Nederland zo kritisch op zijn. We zijn ook te veel gericht op grote festivals als Cannes. Het is maatwerk. Geselecteerd worden voor het Tsjechische filmfestival van Karlsbad kan sommige films meer opleveren.’

Zelf sprak hij in Reykjavik een paar keer met een Amerikaanse verkoopagent. Niet zo verborgen agenda: de Nederlandse Oscarinzending Do Not Hesitate onder haar aandacht brengen, zodat die wellicht een Amerikaanse distributeur vindt. De film draaide al op het filmfestival van Tribeca in New York. ‘Tijdens grotere festivals is het altijd afwachten of je echt iemand te spreken krijgt, hier gaat dat veel makkelijker. Ze had hier al goede dingen gehoord over de film, vertelde ze. Ik vind het altijd verschrikkelijk om het woord te gebruiken, maar de filmwereld is een mensenwereld. Alles draait om contacten. Maar als de films niet goed zijn, kan ik ze natuurlijk ook niet verkopen.’

Dure truien

Dirk Rijneke was de eerste producent die samenwerkte met de IJslanders, voor de film Reykjavik-Rotterdam. Hij kent ook de nadelen. ‘Het landschap is prachtig, maar het weer verandert vier keer per dag en je mag niet op het mos staan - dat soort dingen.’ Verder worden er voor de meest eenvoudige shots enorme crews opgetuigd. ‘Commercieel gezien denken ze als Amerikanen. Ze zien er zo vriendelijk uit met die truien, maar ondertussen. Ze zijn duur, maar je kunt wel altijd op ze rekenen.’

Meer over