boekenInterview Willem van Toorn

‘Wat een generatie verwende, verongelijkte consumenten hebben we gefokt!’

Willem van Toorn Beeld Sabine Rovers
Willem van ToornBeeld Sabine Rovers

Zijn toenmalige uitgever bracht schrijver Willem van Toorn na de publicatie van Stoom (2006) op het idee een vervolg te schrijven. Met Morgenrood, een historische roman met commentaar op het heden, is dat werk nu volbracht.

Onno Blom

Willem van Toorn (86) is even terug in het paradijs van zijn jeugd. Het grootste deel van het jaar woont hij samen met zijn vrouw, Ineke Holzhaus, in een gehucht in de Franse Berry. Nu verblijven ze een paar weken in hun stacaravan vlak bij Buren. ‘Wonderlijk mooi stadje’, zegt Van Toorn, terwijl hij dromerig naar de horizon staart. ‘Buren was op de fiets vanuit Amsterdam de laatste plek waar we een glas karnemelk konden drinken voor we bij mijn grootouders en ooms en tantes in Tiel arriveerden.’

Zijn vader was kleermaker, kon in Tiel vanwege de crisis in de jaren dertig geen werk meer vinden en vertrok met zijn gezin naar Amsterdam-West. Daar dreef hij een aantal jaren een aardappelhandel. Boven de winkel aan de Postjesweg nummer 88 werd Willem geboren, in 1935, als jongste van drie zonen. ‘Ik ruik die aardappels nog’, zegt Van Toorn grinnikend.

Na de bevrijding verhuisden ze naar nummer 80, waar zijn vader zijn oude vak weer oppakte. Dat is het huis van De jongenskamer, het lange verhalende gedicht dat Van Toorn drie jaar geleden publiceerde, waarin hij liefdevol de plek beschrijft, verstopt achter de kleermakerij, waar zijn eerste waarnemingen zich ontwikkelden. ‘Is dit het eigen hol van gelach en hees gefluister/ over ontdekkingen, over wat niet hardop/ kan worden uitgesproken – de doden tegen het hek/ van het Vondelpark, die meid van het Columbusplein.’

Toch werd hij nooit een echte stadsjongen, doordat hij eindeloos bleef terugkeren naar zijn familie in de Betuwe. Het rivierenlandschap werd de spiegel van zijn denken. Van Toorn verbeeldde de Waal, de uiterwaarden en de meanderende dijk in talloze gedichten, essays en romans, waarvan er één, uit 2000, eenvoudigweg De rivier heet.

U vocht jarenlang een bittere strijd uit met Rijkswaterstaat om het eeuwenoude cultuurlandschap om ons heen te behouden.

‘Ja, samen met anderen, onder wie de schilder Willem den Ouden. Helaas lijken we aan de vooravond te staan van nieuwe, zinloze dijkverzwaringen. Ik protesteerde niet alleen met het oog op de betoverende schoonheid en de natuur. Het gaat verder. Met de verwoesting van het rivierenlandschap wordt ook ons geheugen met de grond gelijkgemaakt.’

Willem van Toorn Beeld Sabine Rovers
Willem van ToornBeeld Sabine Rovers

Heeft de schrijver een morele taak?

‘De schrijver moet niets, behalve iets nieuws ontwerpen, bedenken, verbeelden, een verhaal vertellen. Maar ik zal voor een roman nooit alleen maar esthetisch materiaal gebruiken. Ik heb al heel jong Hemingway gelezen, For Whom The Bell Tolls, en vertaalde John Updike en E.L. Doctorow. Vertellers, maar nooit onverschillig. In hun werk klinkt altijd een echo van de tijd.’

In Morgenrood, uw nieuwe roman, citeert u de slotregel van Mijn kleine oorlog van Louis Paul Boon: ‘Schop de mensen tot ze een geweten krijgen.’

‘Weet je hoe de tweede druk van het boek van Boon eindigt? Daar luidt de slotregel: ‘Wat heeft alles voor zin?’ Geef mij de eerste druk maar.’

Hoe is het idee voor Morgenrood geboren?

‘Nadat mijn roman Stoom was verschenen, in 2006, zei mijn toenmalige uitgever bij Querido, Ary Langbroek: ‘En nu deel twee’. Ik heb dat altijd in mijn achterhoofd gehouden. De helden van die roman, Maarten Corbelijn en zijn vrijgevochten vriendin Klaartje, zijn geboren in de jaren tachtig van de 19de eeuw. Ze maken Herman Gorter mee, die de arbeiders toespreekt, en de spoorwegstaking van 1903. Maartens vader is als machinist bij het rangeren doodgereden door zijn eigen locomotief. Dat is mijn eigen grootvader uit Tiel ook overkomen. Een paar jaar geleden stuitte ik op een publicatie over Nederlandse verpleegsters die naar het front vertrokken tijdens de Eerste Wereldoorlog. Die breekt uit, vijf jaar nadat Stoom eindigt. Toen dacht ik: daar is deel twee.’

Morgenrood heeft een andere vorm dan Stoom. Geen klassieke historische roman, maar een zoektocht naar een vervlogen geschiedenis vanuit het nabije heden.

‘Thomas Corbelijn krijgt een stapel dagboeken in handen van zijn betovergrootvader Maarten uit 1914-1918. En de brieven van Maartens geliefde Klaartje, die als verpleegster naar het front is vertrokken. Samen met zijn vriendin Susan, die de dagboeken heeft gevonden in haar huisje van de woningbouwvereniging Morgenrood, volgt Thomas het spoor van zijn socialistische voorvader die zijn geliefde is nagereisd naar de slagvelden in Ieper, Duinkerken, Verdun en de Chemin des Dames.’

null Beeld Sabine Rovers
Beeld Sabine Rovers

In Nederland maakt de Eerste Wereldoorlog geen deel uit van het collectieve geheugen.

‘Maar in Frankrijk word je er in elk gehucht mee geconfronteerd. Ook in ons dorp staat een monument voor de gevallenen van 1914-1918. Op quatorze juillet – dat, zoals je weet, aan een andere revolutie herinnert – worden alle Franse doden herdacht en de dappere brandweermannen van het dorp onderscheiden. Er worden lange tafels op straat gezet, waaraan iedereen aanschuift om een glas wijn te drinken met elkaar en de burgemeester. Wij ook.’

Is daar uw fascinatie voor la Grande Guerre ontstaan?

‘Die was er al. Mijn ouders vertelden me vroeger verhalen over Belgische kinderen, oorlogsvluchtelingen, die in gebouw Gustaaf-Adolf in Tiel werden ondergebracht. Door de jaren heen heb ik een tamelijk krankzinnige verzameling boeken en materiaal over de Eerste Wereldoorlog opgebouwd. Ik bezit zelfs originele stereofoto’s uit de loopgraven. De afgelopen tijd heb ik de reis van Thomas en Susan langs de slagvelden en ruïnes, de tocht over die in bloed gedrenkte bodem, ook zelf gemaakt, samen met Ineke. Ik krabbelde mijn notitieblok vol, Ineke nam foto’s.’

Was de roman wel de juiste vorm voor dit boek?

‘Een roman geeft je de vrijheid om erbij te betrekken wat je wilt. En je kunt je eigen ervaring en documentatie zo gebruiken dat die algemene geldigheid krijgen. Het was geweldig om de brieven van Klaartje van het front zo authentiek mogelijk op te schrijven. Niet alleen zodat alle gegevens kloppen – ik heb veel gehad aan een boekje van Louis, een jonge, Franse arts aan het front – maar ook zodat toon en stijl, taal en spelling volkomen vanzelfsprekend aandoen. Ik heb me verbaasd over de foute grappen die er aan Engelse zijde werden gemaakt. Die beschreven het prachtige, totaal kapotgeschoten raadhuis van Ieper als ‘het luchtigste theater uit de omgeving’. Ik kon het allemaal gebruiken en naar mijn hand zetten. De verbeelding geeft je verhaal vleugels.’

Maakt de verbeelding de literatuur?

‘Wat literatuur is, dat maakt de geschiedenis maar uit. Daar moet je niet deftig over doen. Ik verwacht van wat ik lees dat het goed is gemaakt. Dat gaat van John le Carré tot Franz Kafka. En natuurlijk doen thema’s ertoe. Ik meen uit de verte wel waar te nemen dat de Nederlandse literatuur nu wordt overspoeld door persoonlijke bekentenissen. Ik word liever verrast dan dat ik me steeds herken.’

Toch valt op bladzijde 70 van Morgenrood de schrijver, gezeten aan zijn werktafel in zijn Franse huis, bruusk zijn eigen boek binnen: ‘Mijn God, denkt de schrijver, die geen God heeft, op dit punt. Wat een geluk dat ik aan deze vertelling ben begonnen voordat een virus de hele wereld lamlegde.’

‘Zo is het ook gegaan! Thomas en Susan, jong en verliefd, vragen zich een eeuw na dato af wat die afschuwelijke strijd in Europa voor hun toekomst heeft betekend. Ik was geheel ondergedompeld in hun verhaal. Toen brak de pandemie uit – overigens lang niet zo erg als de Spaanse griep na de Eerste Wereldoorlog – en reageerden velen daar in Nederland op alsof het een persoonlijke belediging was. Infantiel.’

De schrijver van Morgenrood moet vaststellen dat corona de moderne samenleving veel genadelozer ontmaskert dan de kritische blik van zijn jonge held.

‘Ik kon er niet omheen, maar kon het ook niet in het verhaal verwerken. Dus ik besloot een randcommentaar te schrijven over wat ik via het nieuws allemaal op mij af zag komen. Wat een generatie verwende, verongelijkte consumenten hebben we gefokt! Die maken zich druk over het recht om drie keer per jaar met wintersport te gaan, met hun kont in een vliegtuig te gaan zitten, of zonder mondkapje of vaccinatie het café in te kunnen. Stel je voor dat mijn broers, pubers tijdens de Duitse bezetting, waren gaan demonstreren tegen het schuilen in kelders tijdens een luchtalarm of tegen spertijd – omdat ze recht zouden hebben op amusement.’

null Beeld Sabine Rovers
Beeld Sabine Rovers

Is dat gedrag een generatiekwestie?

‘Vorig jaar is mijn oudste broer overleden. Jan was een begenadigd grafisch ontwerper. Toen hij wist dat hij zou sterven, hebben we een aantal goede gesprekken gevoerd. Hoewel we het over veel politieke zaken niet eens waren, vonden we elkaar in de stelling dat wij deel uitmaken van een gezegende generatie. We groeiden op in een tijd waarin we zeker wisten dat alles anders moest. Het werk lag er. Er werd op ons gewacht.’

Was jij als jongen kritisch over je ouders?

‘Jan was heel wat kritischer over onze opvoeding dan ik. De kleinburgerlijkheid stond hem tegen. Mijn broers liepen veel onderwijs mis, ze zwierven tijdens de bezetting vaak meer door de straten van Amsterdam dan dat ze op school zaten. Op mij kwam alles wat gemoedelijker over – ik was dan ook de benjamin, het verwende jongetje.’

U hebt uzelf ook moeten opleiden, toch?

‘De hoofdonderwijzer, meneer D.P. van der Togt van de protestants-christelijke Pieter Oosterleeschool in de Orteliusstraat, zat bij mijn vader in de werkplaats om erop aan te dringen mij naar het gymnasium te sturen. Maar mijn vader weigerde. Hij vond dat alle kinderen gelijk behandeld moesten worden, denk ik. Toen hij oud was, heeft hij daarvoor zijn excuses gemaakt. Hij had gevreesd dat zo’n chique school geld zou kosten. En hij was bang voor het onbekende. Ik heb het hem nooit kwalijk genomen. Een gezin door crisis, armoede en oorlog heen loodsen, ik vraag me af ik dat zelf had gekund. En met mij is het goed gekomen. Met mijn broers en mijn zusje, in 1940 geboren, trouwens ook hoor.’

Wat is de uitkomst van al dat optimisme en sociaal besef uit de wederopbouw?

‘Verdomd weinig. Neem de sociale woningbouw. We waren in Nederland beroemd in de wereld om onze stedenbouwkundige opvattingen. Maar we leverden ons uit aan de vrije markt zodat je in Amsterdam nu alleen nog maar kan wonen als je een miljoen euro kunt meebrengen. Een nichtje bewoont een appartementje in een vroegere Amsterdamse arbeiderswijk. 1.300 piek in de maand! Net zo groot als deze stacaravan!’

De schrijver van Morgenrood denkt vaak aan Leo Vromans uitspraak ‘Liever heimwee dan Holland’.

‘Tijdens de pandemie kwam er uit Nederland een spervuur van rotzooi op mij af. Ik las dat ze de Wieringermeer vol willen zetten met energie slurpende datacenters voor multimiljardairs die geen belasting betalen. Ik las dat men van plan was om de studie Nederlands aan de VU af te schaffen. Ik las dat een meisje dat in Groningen op Hadewych wil afstuderen, dat alleen maar in het Engels mag doen. Ik las dat de drankhandels open mochten blijven en boekwinkels gesloten werden. Zo kennen we Nederland weer.’ Van Toorn zucht diep. ‘Wat is hier gebeurd?’

Willem van Toorn Beeld Sabine Rovers
Willem van ToornBeeld Sabine Rovers

Was de staat van het land reden om tien jaar geleden Amsterdam-Zuid te verlaten en naar Frankrijk te vertrekken?

‘De prachtige Concertgebouwbuurt hadden wij om ons heen zien veranderen in een yuppenbuurt. Alles was te koop. Eén grote speculatiemarkt. Onze huur zou onbetaalbaar worden. We moesten weg.’

Hadden jullie niets meer om voor te blijven?

‘Toch wel. Veel van mijn schrijversvrienden leefden toen nog. Henk Bernlef en K. Schippers, jongens uit dezelfde buurt in Amsterdam-West, waren bij het gezellige afscheidsetentje in de al lege en kaal gekrabde etage in de Frans van Mierisstraat.’

Is alles beter in de Berry?

‘Nou, ik kan ook wel een half uur over Frankrijk zeuren hoor, dat is niet moeilijk. Maar de solidariteit van de mensen in de streek, de eenvoud, het ongehaaste… een weldaad. We worden in ons dorp omgeven door jonge gezinnen die bedrijfjes oprichten, in het onderwijs werken of biologisch boeren. De mensen hebben het op het Franse platteland hier in de buurt beter dan ooit, maar dat heeft hun mentaliteit nog niet aangetast. Als de burgemeester van Châteauroux, de dichtstbijzijnde stad, zegt dat je in de binnenstad een mondkapje op moet, dan loopt er niemand zonder. Dat kan ook niet, want anders word je door een flic in je kraag gevat.’

In Morgenrood loopt het voor Thomas Corbelijn uit op de keuze: vluchten in cynisme, zoals zijn welgestelde en welbespraakte vader deed, of optimistisch blijven zoals zijn socialistische grootvader – en kiezen voor de liefde, een kind, de toekomst.

‘Ik hoop dat hij kiest voor het laatste. En hoop is al heel wat, zegt de grootmoeder van Thomas.’

Strijden die twee kanten, cynisme en optimisme, ook in u?

‘Dat is niet ondenkbaar. De verleiding bestaat dat je denkt: het is hier zo’n zootje, daar wil ik niets meer mee te maken hebben, ik trek mij terug in stilte. Maar ik kan het toch niet laten om mij uit te spreken.’

Was het lastig om u te verplaatsen in een Hollandse jongeman van 27?

‘Dat ging vanzelf. Plotseling was ik het verhaal aan het schrijven met hem voor ogen. Het ging me niet moeilijk af. Ik heb kleindochters van die leeftijd, neven en nichten. Ik denk wel te begrijpen wat hen beweegt, en realiseer me wat een schrale tijd het voor ze is. Maar ik heb me natuurlijk wel afgevraagd of ik dat kon, met mijn oudemannenhoofd.’

U bent 86!

‘Idioot idee, natuurlijk.’ Hij lacht. ‘Waarschijnlijk een vergissing. En puur geluk dat ik het heb gehaald. Mij mankeert niets.’

Willem van Toorn: Morgenrood. Querido; 232 pagina’s; € 21,99.

null Beeld Querido
Beeld Querido

Wie is Willem van Toorn?

Willem van Toorn (1935) is gelauwerd dichter, vertaler, essayist en romanschrijver. Hij debuteerde in 1959 met de novelle De explosie. De roman Een leeg landschap (1988) werd genomineerd voor de AKO Literatuurprijs, Het verhaal van een middag (1994) voor de Libris Literatuurprijs. Voor de poëziebundel Het landleven (1982) werd hem de Jan Campertprijs toegekend, voor Eiland (1992) de Herman Gorterprijs. In 2010 kreeg hij de Groeneveldprijs van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit voor zijn bijdrage aan het debat over de groene ruimte. Momenteel werkt Van Toorn aan een bundel portretten en herinneringen, en aan een boek over Franz Kafka, wiens gehele werk hij vertaalde.

Meer over