essay

Wat betekent seksualiteit in een samenleving waarin iedereen min of meer toerist is?

null Beeld Isa Grutter
Beeld Isa Grutter

De Duitse filosoof Bettina Stangneth (55) neemt de lezer in haar nieuwe boek Sekscultuur mee op seksuele studiereis in een touringcar vol filosofen. Arnon Grunberg ging u voor en dacht na over de mens als seksueel wezen.

Arnon Grunberg

Het bekendste boek van de Duitse filosoof Bettina Stangneth (55) is ongetwijfeld Eichmann vor Jerusalem, in het Nederlands vertaald als Eichmann in Argentinië. Michel Krielaars schreef in NRC Handelsblad dat ‘intellectuele smaakmakers als Hannah Arendt en Harry Mulisch’ in de mooie woorden van Eichmann waren getrapt, maar dat Stangneth in haar ‘knappe boek’ die woorden voorgoed ‘naar het rijk der fabelen had verwezen’. In The New York Times was Steven Aschheim iets voorzichtiger, hij noemde Stangneths boek ‘een kritische maar respectvolle dialoog met Arendt’.

Tien jaar na haar circa zevenhonderd pagina’s tellende boek over Eichmann komt Stangneth met een dunner boek, nog geen driehonderd bladzijden, over seksualiteit, simpel getiteld Sekscultuur. In dit boek voert Stangneth een kritische en soms respectvolle dialoog met uiteenlopende filosofen als Adorno, Kant, Rousseau, Foucault, Merleau-Ponty, alsmede Connie Palmen, voor wie ze overigens veel waardering heeft, over de mens als lichaam en daarmee als seksueel wezen.

Wie nu vreest met abstracte filosofie te maken te hebben kan gerustgesteld zijn, Stangneth schreef een merkwaardig maar toegankelijk boek waarin ze ook een aantal van de hedendaagse aannames over seksualiteit naar het rijk der fabelen verwijst.

De christelijke angst voor het lichaam

Het oude dualisme, dat de geest tegenover het lichaam plaatst en cultuur tegenover natuur, heeft ons, stelt Stangneth, in een blijvende houdgreep – dat blijkt overigens uit haar boek, ook zijzelf ontkomt er niet altijd aan – en het christendom heeft ons opgezadeld met ‘angst voor het lichaam’, waardoor seks eerst ‘het tegendeel van het goddelijke’ werd en later, toen de rede God kwam vervangen, het tegendeel van de rede. Daaruit moet niet worden geconcludeerd dat Stangneth een seksuele bevrijdingsleer wenst te verspreiden. Het tantrisme is bijvoorbeeld volgens haar slechts ‘esoterische commercie voor toeristen’, en passant plaatst ze de westerling die zich voor taoïsme interesseert in diezelfde categorie.

Met instemming citeert ze de Duitse denker Hans Magnus Enzensberger (92), die in 1958 schreef: ‘In het programma van de toeristische reis staat als laatste stop de thuiskomst, die de toeristen zelf in een bezienswaardigheid verandert.’

Zij die menen de christelijke angst voor het lichaam te overwinnen door naarstig op zoek te gaan naar nieuwe seksuele ervaringen zijn, zo meent Stangneth, feitelijk toeristen, die op jacht naar het sensationele, alleen al door middel van de meegebrachte souvenirs hopen uiteindelijk zélf een bezienswaardigheid te worden, wat nog altijd een accurate definitie van de toerist is. Voor zover de westerling samenvalt met de prestatiemaatschappij waarin hij leeft, is het feitelijk zijn lot om toerist te zijn. De jacht op de prestatie lijkt nauwelijks te onderscheiden van de jacht naar het sensationele.

In de roman Mystiek lichaam uit 1986 verbindt Frans Kellendonk (1951-1990) deze seksuele ontdekkingstocht nog expliciet met de van voortplanting losgekoppelde homoseksuele liefde. De zus van hoofdpersoon Broer zegt het zo: ‘De dwazen ze verspillen hun liefde aan elkaar kijk toch eens. Ze hebben moeder aarde vaarwel gezegd ze zijn op seksuele ruimtevaart gegaan. Ingebeeld en dom zijn ze en eenzaam zullen ze sterven dat is waar hun mannenwaan toe leidt.’

Seksuele ruimtevaart is een term die ook Stangneth had kunnen gebruiken, maar ze houdt het op het wat neutralere ‘studiereis’, waarmee ze ook onderscheid maakt tussen mensen die zich inschrijven voor zo’n seksuele studiereis en de sekstoerist, die op reis gaat om een wet te overtreden, wat thuis vermoedelijk niet straffeloos had gekund.

De waarheid van onze begeerte

Voor Stangneth is alle seksualiteit een vorm van verspilling; elke poging een zin aan haar toe te kennen, voortplanting, gezondheid, beschouwt ze als verraad aan de sensatie van de aanraking. De studiereis is allicht geen verraad aan seks omwille van de seks, maar blijft al te keurig en heeft gezien de omschrijving van Stangneth ook iets mechanisch: ‘Een keer met een man, een keer met een vrouw, met allebei, met lak, met latex, in een club, minstens een keer in de branding, in de hoogstgelegen hotelkamer van de stad en in een koeienstal.’

Let wel, het is zeker niet zo dat Stangneth tegen seks in koeienstallen of hooggelegen hotelkamers is, hoewel ik me niet aan de indruk kan onttrekken dat de branding haar net een brug te ver is. In gepreek tegen ‘pornoficatie, seksverslaving, omnipresente seksualiteit’ herkent ze slechts de oude waarschuwingen tegen masturbatie waarbij bang werd gemaakt voor bijvoorbeeld epilepsie en blindheid. Met name de maatschappelijke vrees voor masturbatie heeft ons volgens Stangneth nooit echt verlaten.

De Grieken leerden ons dat het erom gaat onszelf te leren kennen. Stangneth meent dat dit een onderneming is die ons wel bang móét maken, al was het maar omdat wij lichamen zijn die verlangen naar andere lichamen. De angst voor zelfkennis is feitelijk angst voor seksualiteit, die zij als een gegeven beschouwt. Wat wij uiteindelijk vrezen, is de waarheid van onze begeerte, ‘het schrikbeeld dat de eigen wensen en dromen worden doorzien’.

Stangneths boek is voor een aanzienlijk deel ook een polemiek tegen alles wat vooral mannen over seks hebben geschreven. Niettemin heeft ze niets tegen de man an sich, het boek is zelfs opgedragen aan ‘mijn mannen’. Met enige mildheid schrijft ze over een universitair docent die tijdens een tentamen aan een studente had gevraagd of haar argumentatie er altijd net zo slapjes bij hing als haar borsten. De anekdote is geen aanleiding voor verontwaardiging over machtsmisbruik en seksuele intimidatie op universiteiten, ze noteert slechts droogjes dat sommige mannen het talent hebben zich gekrenkt te voelen door het bestaan van een vrouw, waarbij ik me niet aan de indruk kan onttrekken dat sommige mannen zich met name gekrenkt voelen door het bestaan van intelligente vrouwen.

Foucault en de economie van de lust

Stangneth gaat niet altijd even subtiel te werk in haar polemiek tegen wat mannelijke filosofen over seksualiteit te melden hebben. Zo vat ze de vier delen die Michel Foucault (1926-1984) schreef over seksualiteit, getiteld De geschiedenis van de seksualiteit, wel erg rudimentair samen, en ze wijst erop dat hij in het laatste, postuum verschenen deel de ‘maagdelijkheid’ als ideaal ziet, wat ze wijt aan zijn hiv-besmetting; wie noodgedwongen af dient te zien van seks gaat vanzelf maagdelijkheid verheerlijken. Het derde deel eindigde echter al met een historische verhandeling over maagdelijkheid en daar schrijft Foucault dat maagdelijkheid meer is dan louter onthouding, ‘een verheven bestaansvorm die iemand kiest vanuit de zorg die hij of zij heeft voor zichzelf.’

Begrijpelijk dat Stangneth, die meent dat wie aan zijn verlangende lichaam denkt te kunnen ontstijgen slechts bezig is aan een ontsnappingspoging, weinig ziet in de verheerlijking van maagdelijkheid.

Op een ander belangrijk punt van Foucault lijkt ze het met hem eens te zijn, namelijk dat de burgerlijke, kapitalistische samenleving zoals die opkwam aan het einde van de 18de eeuw in Europa seksualiteit niet meer de moeite van het bestrijden waard vond, maar in haar een aanleiding zag om er ‘discoursen over te kunnen produceren’. Seks werd opgenomen in een ‘economie van de lust’ en daarmee ‘een geordend systeem van weten’, de sensatie zelf werd eruit gefilterd. In dat discours ziet zij een poging aan het controleverlies te ontkomen in plaats van het te ondergaan.

Aan de hand van Romeo en Julia stelt Stangneth zich de vraag of passie, ‘dat teruggaat op het oud-Griekse paschein: lijden, verduren, afzien, beleven’, nog wel kan bestaan in een samenleving waarin het taboe, het verbodene, integraal onderdeel is van de economie van de lust. ‘Zodra je de vrucht gewoon mag eten, is hij ook veel minder interessant.’ Ze waakt er echter voor het taboe in stand te willen houden om de aantrekkingskracht te laten voortduren. Dat zou immers van de lust een ritueel maken dat volgens haar weinig anders is dan ‘consumptiegedrag’.

Niemand is het masker dat hij draagt

Hoe moeilijk het is om te worden wie je bent (een lichaam), blijkt uit de laatste paragraaf van het laatste hoofdstuk waarin ze schrijft dat wie een hooglied op de liefde aanheft het gevoel heeft afscheid te nemen van een wereld die niet liefheeft, oftewel van de wereld zelf.

Hoewel Stangneth seksualiteit nadrukkelijk niet gelijk wil stellen aan ‘hogere’ liefde – in de context van dit boek kan zij alleen lichamelijke liefde betekenen – lijkt ze dat hier toch te doen. Ik begrijp dat zo: het verlangend lichaam heeft uiteindelijk niet genoeg aan het genot zelf, het genot moet betekenis krijgen, wat in een maatschappelijke context altijd ook betekent dat het genot onschadelijk wordt gemaakt.

Hoe je de geschiedenis van de menselijke seksualiteit ook beschouwt, steeds weer blijkt dat de mens niet goed met zijn eigen lust (of het gebrek eraan) kan leven. Misschien omdat, volgens Stangneth, de mens de waanzin meer vreest dan de dood.

‘Niemand is het masker dat hij draagt, hoe graag hij dat ook zou willen’, schrijft ze, zo terloops dat je er bijna overheen leest. Het masker beschermt ons echter tegen veel, ook tegen waanzin.

Uit Stangneths studie blijkt eens te meer dat wij talloze maskers tot onze beschikking hebben, maar geen enkel masker zit ons als gegoten. Dat geldt ook voor het eigen lichaam, een masker dat ons vooral tijdens intens genot en pijn eraan herinnert dat het veel meer is dan dat.

Bettina Stangneth - Sekscultuur. Een herwaardering van seksualiteit. Vertaald uit het Duits door Charlotte van Rooden. Uitgeverij Atlas Contact. 288 blz. €22,99.