DagboekBrian Eno (1948)

Was Live Aid de laatste stuiptrekking van onrealistisch idealisme?

Erik van den Berg deelt dagelijks een opmerkelijk fragment uit zijn verzameling historische dagboeken.

Brian Eno in 1996. Beeld Getty Images
Brian Eno in 1996.Beeld Getty Images

13 juli 1995

Vanochtend aan komen rijden met Bono en Edge – om 10 uur. Dit nadat Bono kennelijk tot 4 uur ’s ochtends aan het boksen en dansen was met Björk. Hij oogt zo fris als een hoentje in zijn glanzend zwarte John Rocha-pak.

’s Avonds naar Björks optreden. Björk was goed (ze beweegt haar handen als haar melodieën), maar ik vond dat de show niet goed in elkaar zat: er werd te weinig spanning opgebouwd. Het ­publiek dacht er anders over.

15 juli

Ik kijk ’s avonds met A. naar de tv-registratie van Live Aid – vandaag tien jaar geleden. Het pakte de hele wereld in. Christo’s Rijksdag is een peuleschil in vergelijking: het kostte twintig jaar om de Rijksdag te organiseren, Band Aid had tien weken. De prestatie zit, wat mij betreft, niet in het ingezamelde geldbedrag , maar in het inzicht dat het mogelijk is een groot deel van de wereld (tijdelijk) rond één thema te verenigen.

Het verbaast me zelf hoe dit me raakt, en het intrigeert me ook dat ik het (als zo vaak) fout heb ­gezien. Zijn popmusici de enigen die de wereld kunnen toespreken alsof het één geheel is? Of was dit de laatste stuiptrekking van een onrealistisch, pre-postmodern idealisme?

Vergelijk het met de huidige onverschilligheid over Bosnië (Serviërs in Srebrenica, verkrachtingen, hongersnood, etnische zuiveringen – alles ‘ver van ons bed’).

Brian Eno (1948), Engelse geluidskunstenaar. Ingekort fragment uit A Year With Swollen Appendices. Faber and Faber, 1996.

Meer over