Beeldende kunst

Wanneer vindt het Stedelijk Museum eindelijk zijn ultieme indeling?

Sinds de grote verbouwing werd de verzameling van het Stedelijk Museum in Amsterdam al meerdere keren verplaatst. Is het gebouw wel toereikend als het gaat om de verdeling tussen tijdelijke tentoonstellingen en de vaste collectie?

null Beeld Aafke Bouman
Beeld Aafke Bouman

Eerst wat statistiek. In 2012 ging het gerenoveerde Stedelijk Museum in Amsterdam weer open, na een verbouwing van acht jaar die 127 miljoen euro had gekost. Architect van dienst was Mels Crouwel, de directeur de Amerikaanse Ann Goldstein. Het gebouw kreeg een nieuwe, futuristische ingang aan het Museumplein, de ‘badkuip’. De collectie kwam in de oudbouw. Voor wisselende tentoonstellingen had Crouwel in de kelder, zo’n zeven meter en drie trappen onder het maaiveld, een joekel van een zaal bedacht van 1.100 vierkante meter.

Een jaar later trad Goldstein af en weer een jaar later trad Beatrix Ruf aan. De Duitse nam in 2016 architect Rem Koolhaas in de arm voor een nieuwe, 2,8 miljoen euro kostende collectieopstelling – in de kelder. Resultaat: honderden schilderijen, beelden en designstukken, dicht opeengehangen tegen grijs-witte Tata Steel-staalplaten, in een caviarace-achtige opstelling. Voor de een was het Koolhaas-‘experiment’ een verfrissende ontheiliging, voor de ander een denigrerende bezoedeling.

In 2017 nam Ruf ontslag. Twee jaar later volgde Rein Wolfs haar op. Wat hij dacht van de collectiepresentatie van het duo Ruf/Koolhaas, zeven meter onder straatniveau? Het ging ten koste van ‘het aura’. Zijn ‘redelijk radicale’ oplossing: de Stedelijk-verzameling verhuizen naar de oudbouw, weer drie trappen naar boven. Daar is sinds kort Wolfs’ eerste proeve te zien: de verzameling van 1980 tot nu. Titel: Tomorrow Is a Different Day.

Kortom, na negen jaar, drie directeuren en twee architecten is de verzameling op drie verschillende manieren te zien geweest. In wisselende samenstellingen, tegen wisselende muren en wanden; boven in de oudbouw, beneden in de nieuwbouw en nu weer boven in de oudbouw. En steeds was de gedachte: dít is de beste oplossing, híér zet ik mijn beste architect op, zó ga ik het publiek het meest verrassen.

Terwijl je om de paar jaar kon constateren dat het niet klopte.

null Beeld Aafke Bouman
Beeld Aafke Bouman

Je vraagt je af: zijn de directeuren zo wispelturig dat de verhuisploeg elke zoveel jaar wordt opgetrommeld? Is de collectie te veelzijdig om überhaupt ergens een vaste opstelling te krijgen? Of hebben opdrachtgever en architect gefaald en is het gebouw, na zo lang te zijn vertimmerd, niet toereikend als het gaat om de verdeling tussen tijdelijke tentoonstellingen en de vaste collectie?

Oud-journalist Max van Rooy, lid van de vakjury die de bouwplannen in 2004 moest beoordelen, gaf in Het Parool toe dat ze destijds niet hadden gekeken naar wat precies waar moest hangen. ‘We hebben daar toen geen oordeel over gegeven.’

Voor Ann Goldstein gold de nieuwe tweedeling in oud- en nieuwbouw nog als een voldongen feit. De Amerikaanse had er zelf niet om gevraagd. En met haar behoudende karakter was ze niet bij machte een eigenzinnige draai aan de invulling van die tweedeling te geven. Het stond voor haar domweg vast: de verzameling upstairs, tentoonstellingen downstairs. Precies zoals Crouwel het met zijn bouwplan had voorgeschreven.

Anders was het voor Beatrix Ruf. De Duitse ontpopte zich bij binnenkomst veel meer als een tentoonstellingsdier dan als een liefhebber van de bestaande collectie. In een ongekend hoog tempo toverde ze de ene na de andere expositie uit haar hoge hoed, alsof ze de actualiteit voor wilde zijn. Met grote en kleine presentaties, van oudgedienden en nieuwelingen: Isa Genzken, Jordan Wolfson, Jon Rafman, Ed Atkins, Tino Sehgal, Jean Tinguely, Seth Siegelaub, om er maar een paar te noemen. Tentoonstellingen die in zowel het bestaande zalencircuit in de oudbouw te zien waren, als in de kelderhangaar, die daarvoor steeds ingrijpend moest worden verbouwd.

Dat Ruf in het openbaar weinig sprak over de collectie en plotseling, twee jaar na haar aanstelling, met een grootschalige ruilverkaveling kwam, zei wel iets. De experimentele, overvolle kelderopstelling van het duo Ruf/Koolhaas pretendeerde een Umwertung aller Werte te zijn. Omdat die volgens haar aansloot bij de contemporaine manier van ‘browsend’ kijken. Omdat ze als een gesamtkunstwerk de scheiding tussen toegepaste en autonome kunst omverwierp, met tentoonstellingsaffiches tegenover een schilderij van Marc Chagall en stoelen naast Barnett Newmans paarsblauwe Cathedra-kleurvlakken. Omdat ze nieuwe combinaties van kunstwerken opleverde en daardoor een nieuwe blik op de verzameling.

null Beeld Aafke Bouman
Beeld Aafke Bouman

Maar wie vanaf een hoogte de verzameling in de giga benedenzaal overzag, keek vooral naar de uitkomst van een concept: een rigide idee, bedacht met liniaal en tekenhaak. De inrichting getuigde van een generalistische visie waarin de stedenbouwkundige architectuur van Koolhaas domineert, niet de aandacht voor het individuele kunstwerk – hoe vaak de sterarchitect ook vertelde dat hij in zijn tienerjaren ‘bijna dagelijks’ in het Stedelijk te vinden was, zoals hij in de Volkskrant liet weten. ‘Ik ken bijna alle werken al meer dan een halve eeuw.’

Daar komt bij dat de collectie noodgedwongen in tweeën werd gesplitst. Omdat niet alles in de kelder paste, werd besloten een deel boven op te stellen, tegen eenvoudige schotten, omdat de verdiepingsvloeren te dun zijn voor de tonnen wegende staalplaten van de IJmuidense staalmagnaat. Ruf mocht zeggen dat het om ‘één collectie’ ging, van het beoogde experiment in de kelder was boven niets te zien.

De vreugdeloze kelderopstelling en de collectieverdeling in tweeën oogden als een noodoplossing. Je kreeg de indruk dat voor Ruf de befaamde collectie een blok aan het been was. Net als de kelderzaal, die voor die tijd per tentoonstelling steeds ingrijpend en geldverslindend moest worden verbouwd. Het klinkt cynisch, maar dat Ruf de collectie voor jaren in die vermaledijde benedenzaal toonde, was wel dé oplossing voor beide problemen.

Voor Rein Wolfs is de verzameling van groter belang dan voor Ruf. Al dan niet strategisch bekende hij tegenover Het Parool: ‘Een van de dingen waar een nieuwe directeur van een museum als het Stedelijk op wordt beoordeeld, is de manier waarop hij met de collectie omgaat.’ Om daar in de Volkskrant aan toe te voegen dat de ‘collectie aan een opfrisbeurt toe’ is.

Dat die opfrisbeurt in de oudbouw te zien zal zijn, is geen verrassing. Het Stedelijk bestaat volgens Wolfs uit ‘twee gebouwen’. En zijn sympathie gaat uit naar het oorspronkelijke gebouw uit 1895, met zijn ‘oude, vertrouwde bakstenen’; niet naar de nieuwbouw, die ‘door de dimensievergroting [...] een andere uitstraling heeft gekregen, koeler, onmenselijker’.

null Beeld Aafke Bouman
Beeld Aafke Bouman

In drie fasen wordt de collectie de komende tijd weer bovengronds gehaald, naar het 19de-eeuwse zalencircuit, waarin Wolfs wil variëren met verschillende thema’s. Zoals uit de presentatie van deel één, over de periode 1980-nu, al blijkt. Die sluit aan bij de discussies over seksuele stereotypering, eurocentrisme, vrouwenongelijkheid, slavernij, culturele discriminatie.

Negen jaar exposeren en collecties verhangen maken duidelijk dat de beslissingen ‘wat waar te hangen’ niet zijn ingegeven door de aantrekkelijkheid van de kelderzaal, maar de onaantrekkelijkheid ervan. En door de voorkeur voor de oude zalen. Het is een kwestie van prioriteiten stellen en mogelijkheden afstrepen.

Voor Wolfs is het duidelijk dat hij de door hem opgefriste collectie niet zeven meter de diepte in wil gooien. En dat hij de zalen van de ‘vertrouwde bakstenen’ oudbouw niet voor elke tentoonstellingswisseling ‘zes tot acht weken’ wil sluiten, zoals hij in de Volkskrant zei. Tegenover De Groene Amsterdammer: ‘Ik leg liever de deksel op de kelder.’

Is die kelder daarmee verworden tot het afvoerputje van het museum? Een dumpplaats voor wat bovengronds geen prioriteit heeft?

Architect en jurylid bij de verbouwing Sjoerd Soeters had in Het Parool al voorspeld: ‘De museumfunctie is bij Benthem Crouwel heel duidelijk opgeofferd aan het restaurant, een spectaculaire ingang en de winkel. De kelder is daar het slachtoffer van.’

Wie vanaf het Museumplein onder de witte luifel door de glazen draaideuren de grote hal van het museum binnenwandelt, zal dat beamen. Bij binnenkomst heb je toch meer de neiging rechtdoor naar de museumzalen te lopen, dan linksaf, nog eens linksaf en drie trappen naar beneden, de onderwereld tegemoet. De onbepaaldheid van de immense kelderzaal, waar in principe alles mogelijk was, heeft een even onbepaald imago opgeleverd.

null Beeld Aafke Bouman
Beeld Aafke Bouman

De eerste architect van het Stedelijk, A.W. Weissman, had het eind 19de eeuw al goed gezien: het gebruik bepaalt hoe een gebouw eruit moet zien, niet een architectonisch concept of een beoogd visueel spektakel. Want je kunt bedenken en verzinnen wat je wilt, het gaat er uiteindelijk om hoe je je door het gebouw beweegt, wat het gemak is en hoe een directeur de architectuur naar zijn hand weet te zetten met visueel aantrekkelijke kunst.

En dus is het aan Rein Wolfs om zulke sprankelende, geestverruimende en urgente must-see-exposities te bedenken dat de gang naar beneden niet langer wordt gezien als een afdaling naar de duisternis, maar als een verwachtingsvolle zoektocht.

Of is het wachten op een volgende directeur en weer een andere architect?

Drie fasen

De nieuwe collectieopstelling van het Stedelijk Museum voltrekt zich in drie fasen. De periode 1980-heden is nu al te zien op de bovenverdieping van de oudbouw. De eerdere perioden, 1945-1980 en alles vóór 1945, zullen vanaf volgend jaar vanuit de kelderzaal naar boven verhuizen. Die 1.100 vierkante meter grote kelderruimte zal daarna beschikbaar zijn voor wisseltentoonstellingen en grotere performances, is het plan van de huidige directeur Rein Wolfs.