‘Waarvoor is een man nog nodig?’

Zijn debuutroman, Art. 285b, werd positief ontvangen en zelfs bejubeld. Christiaan Weijts (1976) over schrijven over muziek, de verschraalde communicatie door sms-verkeer, en over studentenmeisjes die volledig uit hun bol gaan – ‘elke avond drinken, honderden one night stands ’....

Het zal je maar overkomen. Je schrijft een roman, je eerste, in het besef dat je niet de enige bent die bij een uitgever aanklopt. Maar de uitgever hapt al in het eerste gesprek toe. Dan ben je een van de tientallen debutanten van dat jaar. Je weet dat debuten zelden besproken worden, hooguit minzaam, met z’n tienen tegelijk. Maar kort na de presentatie verschijnt er een grote recensie in Vrij Nederland, van Geerten Meijsing. Het is één lange, brooddronken jubel: de schrijver had deze roman – ‘een kathedraal van klank en pijn’ – zélf graag geschreven en tipt alvast literaire jury’s en buitenlandse uitgevers. Dit debuut was voor hem ‘een hel van herkenning’.

Christiaan Weijts is er nog enigszins beduusd van. Natuurlijk was hij er blij mee. ‘Maar ik was ook bang dat zoveel lof tegen me zou werken.’ Nee, Meijsing is geen vriend van hem; hij is wel een bewonderaar van diens stijl. En gelukkig verschenen er ook positieve recensies in HP/De Tijd, NRC Handelsblad en de Volkskrant van critici die zich níet identificeerden met de hoofdpersoon. De eerste druk van Art. 285b vloog de winkel uit, de tweede ook. En er is inderdaad een stukje vertaald – ‘een stukje met veel canals en red light district erin’ –, dat zal rondgaan op de Frankfurter Buchmesse. ‘Klonk wel aardig, in het Engels’, vindt Weijts.

Art. 285b ís ook een opmerkelijke roman, met een vreemde titel. Zij verwijst naar het wetsartikel over stalking: ‘Hij die wederrechtelijk stelselmatig inbreuk maakt op eens anders persoonlijke levenssfeer*’ Hoofdpersoon Sebastiaan Steijn, pianoleraar en barpianist, wordt aangeklaagd door zijn ex-vriendin Vicky, peepshow-meisje en balletstudente. De roman heeft de vorm van een pleidooi, waarin ‘verdachte’ hartstochtelijk uiteenzet dat liefde zijn drijfveer was. Een beproefd procédé – zie Nabokovs Lolita. Die liet zijn Humbert Humbert schrijven: ‘U kunt bij een moordenaar altijd rekenen op een fantasierijke prozastijl.’ Weijts knipoogt: ‘Men kan immers, zoals u weet, bij een stalker altijd op een zwierige prozastijl rekenen.’

Sebastiaan verliest zijn hart bovendien aan zijn 15-jarige, Italiaanse pianoleerlinge Rosa. Hun beider lievelingscomponist Scarlatti had ook een voorliefde voor fruit vert. Sebastiaan ontwikkelt een drieste theorie – aantekeningen in Scarlatti’s composities zouden een verkapte liefdesverklaring zijn aan de 12-jarige Maria Barbara. ‘Dat theorietje had ik zelf bedacht’, bekent Weijts.

In de roman wordt de stelling onderuitgehaald door een mooie studente. Sebastiaan verlegt zijn ambities naar de muziek zelf: hij componeert variaties waarin hij de zoetige Scarlatti vermengt met de woest romantische Liszt, muziek waarin zijn liefdes voor een onschuldig meisje en een doortrapte teaser samenvloeien. Weijts heeft ‘het zelf een beetje geprobeerd op de piano’.

Hij ontdekte hoe moeilijk het is om over muziek te schrijven. ‘Hoe klinkt Scarlatti? Ik probeerde lieve Scarlatti-passages te schrijven en bevlogen stukken die klinken als Liszt in zijn rauwere periode. De kunst is om in de taal, in toon, stijl en ritme te laten doorklinken wat in de muziek gebeurt, zonder metaforen te gebruiken als “klaterende waterval”. Tijdens het schrijven zette ik Scarlatti en Liszt op. Maar als ik aan zinnen schaaf, gaat dat het beste met Bach, helder en rationeel. Bach ruimt op.’

Muzikaal is Art. 285b ook als het niet over muziek gaat. Weijts boek is een feest van wisselende registers. Stijf juridisch taalgebruik wordt afgewisseld met termen uit de seksbusiness, een romantische briefstijl, de codetaal van jongeren in hun sms’jes, studentikoze grappen. Zo ongeveer de taal die langskomt in het leven van Weijts, redacteur en columnist bij de Leidse universiteitskrant Mare.

‘Alle dingen die voorkomen in mijn boek heb ik ooit gedaan’, zegt hij, ‘maar ik heb ze uitvergroot. Ik ben geen bar-pianist geweest, wel gelegenheidspianist, en ik heb wat pianolessen gegeven. Ik ken meisjes die striptease dansen en Rosa-achtige meisjes. Die laat je dan samensmelten, een arm van die, een been van die. Juist als je jezelf als vertrekpunt neemt, kun je uitkomen bij universele dingen. Mensen verschillen niet zo gek veel van elkaar. Lezers hebben een crap-detector, ze voelen meteen wanneer iemand niet oprecht is.’

Ook het fenomeen stalking kent hij van dichtbij. ‘Relaties gaan uit en mensen kunnen elkaar niet met rust laten. Dat ze elkaar nu de hele dag kunnen bestoken via e-mail, voicemails en sms’jes maakt de boel er niet beter op.’

Met de toename van de communicatiemiddelen, denkt Weijts, verschraalde de inhoud ervan. ‘Voortdurend in contact zijn leidt tot misverstanden. Conflicten worden niet meer uitgesproken, er wordt druk over ge–sms’t, wat weer aanleiding geeft tot ruzie. Er wordt tegenwoordig ongelooflijk veel gedronken, dus veel boodschappen worden in dronkenschap verzonden. Iemand gooit bij thuiskomst al zijn grieven eruit, en de volgende ochtend leest de ander dat broodnuchter. Je zit niet meer tegenover elkaar, maar tegenover een scherm, daar komt het door. Je mist de fysieke reactie, de non-verbale signalen.’

Je kunt je natuurlijk doof houden voor al dat verbale gestook, beaamt Weijts. ‘Maar onbereikbaar zijn leidt tot achterdocht. Waar zit-ie? Wat voert hij uit? Zo ontstaat snel jaloezie. Je hoort mensen zelden iets anders zeggen door hun telefoon dan waar ze zijn en wat ze doen. De foto’s die ze met hun mobiel maken, zijn ook altijd hetzelfde. Ze tonen hoezeer de maker het met anderen naar de zin heeft. Altijd lachende koppen, glazen in de hand. Al die teksten en beelden worden opgeslagen. Het is niet moeilijk bewijsmateriaal voor stalking te vinden.’

Weijts observeert graag studenten in zijn woonplaats Leiden. Dat is ook veldwerk voor zijn column, ‘een soort schetsboek waarin je stijloefeningen doet, vormpjes uitprobeert, dialogen optekent. Een goede plaats om warm te lopen voor de literatuur.’ Laatst bekeek hij een groepje meisjes in een café. ‘Een mobieltje met daarop een sms’je, waarschijnlijk van een jongen, ging van hand tot hand. Lachen! Ik dacht aan die arme jongen, die misschien eenzaam op zijn kamer zijn hoge gevoelens formuleerde.’

Sebastiaan verwijst in de met háár potlood geschreven brieven aan Rosa naar de liefdesbrief die Beethoven, ‘zwar mit Bleistift (mit deinem)’, schreef aan zijn geliefde. ‘Als je Beethovens brief vergelijkt met ons onophoudelijke geklets, is het contrast groot. Toen was een brief een week onderweg. Alle hartstocht werd samengebald in die éne brief. Dat krijg je met zo’n sms’je niet voor elkaar.’

Aan de andere kant, zucht Weijts, ‘het talent voor bondigheid en snedige ironie wordt er misschien door bevorderd’. Ja, natuurlijk doet hij eraan mee. Hij is dertig. Oud genoeg om veel gelezen en beluisterd te hebben, jong genoeg om in studentencafés rond te hangen. ‘Niet alleen om te observeren, ook om achter de meiden aan te zitten.’

Hij is wel een laatbloeier op dat gebied. De wereld van de nacht ging voor hem pas open na zijn studie Nederlands. ‘Toen ik studeerde woonde ik samen; mijn vriendinnetje en ik maakten wandelingen in de duinen. Daarna kwam mijn inhaaltijd. Ik kwam meisjes tegen als Vicky, die diep in een voor mij onbekende promiscue wereld zaten. Het trok omdat het contrast groot was.’

Nu ziet hij ook in Leiden een studentenwereld waarin vooral de meisjes volkomen losgaan. ‘Elke avond drinken, honderden one night stands. Jezelf op je weblog presenteren als Playboy-bunny. Kennelijk heeft ieder meisje tegenwoordig récht op een wilde tijd. Maar je ziet ze dikker en grauwer worden, van al dat bier en slaapgebrek. Nabokov schreef: “Studentes zijn de lijkkisten waarin het vlees van mijn lolita’s ligt opgebaard”. Zover wil ik niet gaan. Maar Rosa verandert in korte tijd van een bleu, ernstig meisje in zo’n uitgelaten studente.’

Uiteindelijk ontpopt ook dit Scarlatti-meisje zich als een vrouw van het nieuwe type: financieel en erotisch onafhankelijk, manipulatief en meedogenloos ambitieus – een ‘feministische tsunami’, in de woorden van Sebastiaan. ‘Waar zijn mannen nu nog voor nodig?’, vraagt Weijts retorisch. ‘Nog even en we zijn zelfs niet meer nodig voor de voortplanting. Of ik dat nou zo’n leuke ontwikkeling vind*.’ In elk geval vindt hij dat mannen zich moeten bezinnen op hun positie. ‘Jongens zitten nog vast in het oude stramien; de rol die Sebastiaan zich aanmeet, als redder van gevallen engelen, werkt niet meer.’

Het idee voor een nieuw boek is er al. Het zal toch weer over de liefde gaan. Weijts kreeg het idee ervoor in Verona, bij het geboortehuis van Romeo’s Julia. ‘De muur staat vol namen en wensen. Ik wil de liefdesgeschiedenissen schrijven van stelletjes die dáár hun namen hebben opgeschreven, vol verwachting.’

Onsterfelijke liefde bestaat niet, onsterfelijke kunst wel. De slotzin van Lolita luidt: ‘Dat is de enige onsterfelijkheid die jij en ik kunnen delen, mijn Lolita’. Bij Weijts wordt dat – weer een knipoog: ‘We moeten, en dat is wat jij en ik nog kunnen delen, op.’ De slotzin van Art. 285b, die Geerten Meijsing niet met droge ogen kon lezen, was dus vrij naar Nabokov. Sebastiaan en Vicky moeten het podium op, maar ze moeten ook ‘op’ als personages in een roman.

Christiaan Weijts moet ook op, in de literaire wereld. Geslaagd voor de talentenjacht. En nu nog een heel oeuvre te gaan.

Meer over