Boeken

Waarom zijn schrijvers toch zo dol op treinreizen? Geertjan de Vugt boekte een nachttrein en zocht het uit

Schrijvers hebben ‘iets’ met treinen, al zolang de trein bestaat. Maar wat? Geertjan de Vugt zocht de afgelopen zomer treinreizend – en treinen missend – door Europa naar een antwoord.

null Beeld Claudie de Cleen
Beeld Claudie de Cleen

Aan de muur tegenover mijn bureau hangt een oude, licht vergeelde poster. Een Spaanse reclameposter voor een Italiaans merk typemachine: de majestueuze Olivetti. Een trein en een typemachine strijden er op snelheid. Natuurlijk wint la rapidissima Hispano-Olivetti het van de trein, die verbleekt bij de zwart glanzende carrosserie van de schrijfmachine. Vellen papier vliegen op hoog tempo uit het apparaat en de trein wordt een schim die de schrijver vergezelt op zijn gedachtenreis. Tussen schrijven en reizen met treinen bestaat een innig verband, suggereert dit art-decobeeld uit 1923. En daarin heeft het gelijk. Vele schrijvers hebben zich laten inspireren door dit typisch 19de-eeuwse vervoersmiddel.

Veelzeggend is de zin waarmee Kafka zijn dagboeken begint: ‘De toeschouwers verstarren als de trein voorbijrijdt.’ In de talloze pagina’s die volgen duikt geregeld een trein op, waarbij Kafka niet zelden optreedt als een van die toeschouwers op het perron. Zoals op 31 oktober 1911, als hij afscheid neemt van Frau Klug en de trein onvoorspelbaar blijkt: eerst lijkt die te willen vertrekken, dan toch weer niet en tot slot ‘als bij verrassing’ vertrekt die dan toch. Later herinnert Kafka zich hoe curieus dat moment eigenlijk was, want hij had de indruk dat ‘de trein helemaal niet wegreed, maar alleen even het stukje door het station voortging om voor hem een schouwspel op te voeren en daarna in de bodem zonk’. Als in een droom, zouden we kunnen toevoegen, want dat is ook wat Kafka lijkt te beseffen. Opvallend vaak schrijft hij over treinen en dromen, op de eerste pagina’s van het dagboek is dat niet anders dan in de herinnering aan Frau Klug. Ook tussen schrijven en dromen bestaat een onbetwistbaar verband.

Voor Robert Walser had de trein eveneens iets droomachtigs en was de coupé vergelijkbaar met een paradijselijk oord. In zijn verhalen beschrijft hij hoe het voelde om zonder te schokken en zonder te trillen voort te bewegen: ‘alsof we in een schitterend theater zaten’. Diep overtuigd van het feit dat alles in orde was, vervlogen zijn zorgen, was ‘alles vermaak, niets verdriet’, en werd hij gevuld met een gevoel van eeuwig welbehagen. Later verhaalt hij dan weer over een nachttrein, waarin hij zich als een heremiet in een kluizenaarshut bevindt: een ander beeld voor het hoofd van de schrijver.

In gedachten kun je doen wat in het werkelijke leven verboden is, wist Walser, en hij liet dan ook een vrouw bruusk zijn compartiment binnenvallen. Sneller dan de trein kon rijden gingen zij van een glimlach naar een woord naar een kus en nog een en nog een. ‘Ik had ondertussen echt goed geleerd’, schrijft hij, ‘hoe je het voor elkaar moest krijgen, om de kus de hoogste bekoorlijkheid te ontlokken en hem het diepgaandste genot mee te geven.’ Terwijl de trein door de nacht gleed, schrijft Walser, raakten wat voordien twee gedachten waren geweest, de vrouw en hij, verstrengeld en werden één. Ziedaar de magie van schrijven en treinen.

Wie weleens een nachttrein heeft genomen, weet dat het er lang niet altijd zo idyllisch aan toegaat. Zelf herinner ik me de trein die m’n geliefde en mij in een verschroeiend hete nacht, in de sporen van Poesjkin, van Kiev naar Odessa bracht. Met iedere dwarsligger stevig in het lijf gehamerd, strompelden we in de vroege ochtend naar het strand aan de Zwarte Zee om er iets van het zweet achter te laten dat na de uren in de coupé met kapotte airco en vergrendelde ramen nog altijd op onze lijven lag; en vielen er eindelijk in slaap. Een heel andere ervaring dan die van Walser en trouwens ook van een die ik eerder had gehad: zelden sliep ik zo goed als in de nachttrein van Helsinki naar het noorden van Finland. Een rit waarbij, buiten bomen en bossen, niks te zien was en die dus goed in een, zoals bleek, droomloze nacht kon worden gemaakt. In nachten zonder onbewuste fantasieën vindt de mens weliswaar rust, verhalen gaan er hopeloos verloren.

Nieuwe nachttrein

Toen in mei bekend werd dat de dagelijkse nachttrein tussen Amsterdam en Wenen weer in het leven werd geroepen, werd ik getroffen door een gevoel van ambivalentie: de Oekraïense balken, een Finse, droomloze leegte en Midden-Europese literaire avonturen wisselden stuivertje in mijn geheugen. Ik kon ook proberen te reizen op mijn MacBook, de hedendaagse vervanger van die Olivetti. Bovendien: reizen in gedachten gaat sneller, de vingers hoeven alleen maar te volgen. Ook dat maakte die poster duidelijk. Terwijl de trein verbleekt, krijgt die de kleur van een marmeren beeld, een monument voor vervlogen tijden. De Olivetti schrijft niet alleen sneller dan een trein, ze is, in haar donkere gloed, ook het symbool voor modernisering.

In haar schaduw wordt de trein tot een hopeloos verouderd vervoersmiddel. Eén waar volgens sommigen alleen nog een valse nostalgie omheen hangt, zo een als van de Oriënt Express misschien. Al moet die gedachte direct worden tegengesproken, want niet het vliegtuig, maar de trein zou weleens het vervoersmiddel van de toekomst kunnen blijken te zijn. Alle coronaherstelmiljarden hadden eigenlijk niet in een warwinkel van lokale plannen gestoken moeten worden, maar slechts in één ding: de verbetering van het Europese spoornetwerk. Wie eenmaal doorheeft hoe treinen en schrijven verbonden zijn, beseft dat Europa alleen daarmee nieuwe verhalen kan vertellen (en wie dat niet heeft, zou Zone van Mathias Énard kunnen lezen, de laatste grote Europese én treinroman).

Niet uit misplaatste nostalgie, maar uit nieuwsgierigheid begon ik plannen te maken voor een zomerse nachttreinreis. Als de nieuwsgierigheid het wint van de twijfel, is er geen boom die haar kan stoppen. De trein zou me al ronkend naar Wenen brengen en van daaruit zou ik het wel en wee nagaan van Heinrich von Littrow. Die Weense zeevaarder had in 1863 een bundel Reisebilder in gemüthlichen Reimen uitgebracht onder de titel Von Wien nach Triest; in de heremietencel van mijn hoofd begon al een verhaal te groeien. Von Littrows reis naar dat andere Wenen, aan de Adriatische kust, is daadwerkelijk nog te maken, maar veel Habsburgs hoeft men er waarschijnlijk niet bij te verwachten. Europees is de reis, die voert langs een aantal historische brandhaarden en plaatsen die juist door de geschiedenis zijn achtergelaten, echter alleszins.

Iets deed me dralen. Besmettingscijfers namen toe, maatregelen werden aangescherpt, niemand zat waarschijnlijk op een reizende Hollander te wachten. In gedachten begon ik de trein al te missen. Tot de tekenen zich keerden. Twee prikken in de arm later zou ik op 10 augustus de nachttrein nemen. Het leek wel alsof ik door de ogen van Kafka naar een weifelend vertrekkende trein keek.

Treinen missen

Er zijn vele redenen waarom een mens een trein kan missen. Een aansluiting missen is er een van. Te laat van huis vertrekken een andere. Nog een andere bestaat erin dat je zelf wel op tijd bent vertrokken, zelfs veel te vroeg op het station aankomt, maar dat de trein weigert. Dat in berusting aanvaarden is een kunst waarin Nederlanders niet al te bedreven zijn. Toen ik een halfuur voor vertrek op Amsterdam Centraal de nodige beteuterde gezichten zag, wist ik dat Duitse machinisten hun dreigende staking hadden doorgezet.

‘Er zijn een hoop schrijnende gevallen, meneer’, zei de dame bij de NS-balie. Allicht, dacht ik, en ik begon terug te denken aan alle treinen die ik mijn leven heb gemist. Onschuldige momenten, zoals het missen van de trein op een donkere maandagavond op station Tilburg West (te lang doorgegaan met college/te laat van kantoor vertrokken). Maar ook het missen van de trein naar Lwów (Lviv), waar ik heen wilde louter vanwege dat magistrale gedicht van Adam Zagajewski: ‘Vertrekken naar Lwów. Van welk station kun je/ naar Lwów, niet in een droom, met de dageraad/ wanneer dauw op de koffers ligt en exprestreinen als torpedo’s net geboren worden.’ Dat we met identiteitskaarten reisden, in plaats van paspoorten, bracht ons naar de grens, waar een militair ons meenam, een visum schreef en dat resoluut voor onze ogen verscheurde toen bleek dat we geen Oekraïens of Russisch spraken. Terug in Przemyśl was het gedicht al waar we het mee moesten doen.

Ik herinnerde me de brand op het spoor tussen de Donaudelta en Boekarest die ons bijna belette de Roemeense hoofdstad te bereiken. En ik dacht terug aan vorige zomer, toen we op de piazza Oberdan in Triëst stonden te wachten in de brandende zon en de Tranvia di Opicina maar niet wou komen. Ook dacht ik aan opgeheven treinlijnen, zoals die van Roosendaal naar Antwerpen. Hoe vaak zouden mijn vrienden en ik die wel niet hebben genomen richting de stad van Paul van Ostaijen. Het opheffen daarvan, of omleiden via Breda, is toch een beetje alsof een hele hoek van het land plots buiten de geschiedenis valt. Zelfs als je geen zier om treinen geeft, zou het je zorgen moeten baren. Met treinen komen verhalen, het missen ervan is als leven in een droomloze slaap.

Angst

Met de komst van treinen kwam er overigens ook angst. Het paradijs dat Walser oproept in zijn verhalen heeft met treinreizen niet veel van doen, en met schrijven waarschijnlijk al even weinig. Sinds er treinen over het Europese continent rijden, achtervolgen ze ons in onze verbeelding en in onze slaap. Zeker in de 19de eeuw zat lang niet iedereen op deze infrastructurele vooruitgang te wachten. De aankomst van treinen kon tot reusachtige schrikreacties leiden. Denk alleen al aan L’Arrivée d’un train en gare de La Ciotat van de gebroeders Lumière, dat de bioscoopbezoekers in 1896 waarschijnlijk niet alleen schrik bezorgde omdat het object uit het doek leek te komen rijden, maar ook omdat dat object een trein betrof.

Een heel pathologisch veld aan ziekten, aandoeningen en neurosen – niet in de laatste plaats het onschuldige liefdesverdriet – opende zich met de komst van de trein. Het moet geen pretje zijn geweest om met een zogenoemde railway spine door het leven te moeten gaan. En dan zijn er nog die vermaledijde angstdromen, misschien wel de meestvoorkomende, over het missen van treinen. Het hoeft niet te verbazen dat veel van het droommateriaal dat Freud in 1899 in diens Traumdeutung gebruikte op de een of andere manier over treinen handelt. Over het missen van treinen schrijft hij dat ze, evenals examendromen, dromen zijn die troost bieden, namelijk tegen de angst te sterven. ‘Vertrekken’, aldus de Weense psychoanalyticus, ‘is een van de meestvoorkomende en best te motiveren doodssymbolen.’ Alsof de droom je wil zeggen: rustig maar, je gaat nog niet dood.

In die zin was de staking van de Duitse machinisten een als uit de hemel komend gebaar, ook al zal er nauwelijks een reiziger zijn geweest die er zo over zal hebben gedacht. En bovendien kun je je bij de woorden van die eigengereide Wiener afvragen: waarover droomden de mensen dan in de tijd voor het missen van treinen? Het missen van een postkoets? Werd hun dan geen nachtelijke troost gebracht?

Ontsnapping

Zo veel als er is geschreven over het nemen van treinen, zo weinig is er verschenen over het missen ervan. Een nog altijd lezenswaardige, uiterst vermakelijke uitzondering hierop vormt het beroemde Reis bij maanlicht van de Hongaarse schrijver Antal Szerb. Zoals er vele redenen zijn waardoor een mens een trein kan missen, zo zijn er ook minstens zo veel waarom een mens die wil missen. Szerb heeft er één haarscherp in beeld gebracht: het uiteenvallen van een huwelijk. Wat, zo moet deze Hongaarse auteur in 1937 hebben gedacht, kan een man beter doen op huwelijksreis dan zijn vrouw verlaten? Want dat is wat de hoofdpersoon in deze roman doet.

De problemen begonnen voor het echtpaar in de steegjes van Venetië. Mihály, de protagonist, beweegt zich onophoudelijk als een slaapwandelaar door Italië en laat ook niet na dat op te merken. Het lot wijst hem de weg, terug het verleden in. Maar één keer neemt hij zelf een besluit, zij het noodgedwongen: het moment waarop hij op een station uitstapt voor een sigaret, in de verkeerde trein weer instapt en daardoor de trein met daarin zijn vrouw op weg naar Rome mist. Hij kan besluiten haar alsnog achterna te gaan of haar te verlaten; en wat hij ook kiest, het is nu echt zijn eigen keuze.

Bij elk station dat hij vervolgens binnenrijdt, heeft hij ‘het gevoel dat ik een onherstelbare vergissing maak als ik niet uitstap. Er in het leven niets frivolers bestaat dan een treinreis.’ Om de ogenschijnlijke lichtzinnigheid van zijn beslissing te ontkrachten, voegt hij nog toe dat we eigenlijk te voet of per postkoets zouden moeten reizen, ‘zoals Goethe dat deed’, maar dat alles denkt hij slechts voor de bühne, zijn lezers.

Want bij ieder stationnetje dat hij in het Toscaanse landschap passeert, voelt hij de redding en weet: ook daarom missen we treinen, we missen de liefde, maar winnen een leven. Juist om die reden is het zo treurig dat Mihály uiteindelijk toch terugkeert naar zijn vrouw, die zonder het te weten zijn lot zal bezegelen. Liefdevol is haar poging hem te redden van naderend onheil: een terugkeer onder ouderlijk gezag en een leven als burgermannetje. Maar voor hij het weet, zit hij weer in de trein terug naar Boedapest, die tweelingstad van Wenen, terug naar huis, in een trein dus die hij zowaar beter had kunnen missen.

null Beeld Claudie de Cleen
Beeld Claudie de Cleen
Meer over