Reportage

Waarom zien poppodia van nu er zo ruig uit?

Zagen poppodia er in de jaren negentig nog hypermodern uit, nu moeten muziekzalen ruig en rommelig zijn. Waar komt die trend vandaan?

Gebr. de Nobel in Leiden van Ector Hoogstad architecten (2014). Het poppodium heeft LVC vervangen. Beeld Io Cooman
Gebr. de Nobel in Leiden van Ector Hoogstad architecten (2014). Het poppodium heeft LVC vervangen.Beeld Io Cooman

Als architectuur en rock-'n-roll met elkaar konden trouwen, zou hun huwelijk eruitzien als poppodium De Neushoorn, dat momenteel verrijst in Leeuwarden. Brokkelige bakstenen uit slooppanden vormen de basis voor de gevels, waarin ook stukken van oude graffiti's en verroest staal verwerkt zijn. Binnen zetten ruw metselwerk en beton de toon; scheuren en naden duidelijk zichtbaar. De installaties - doorgaans verstopt onder een systeemplafond - worden expres getoond, als ware het gebouw een punker die een veiligheidsspeld door zijn wang steekt.

Grenswerk in Venlo van architectenbureau Van Dongen Koschuch (2014). Beeld Io Cooman
Grenswerk in Venlo van architectenbureau Van Dongen Koschuch (2014).Beeld Io Cooman

De Neushoorn is ontworpen door Chris de Weijer van architectenbureau DP6. Geen rock-'n-rolltype, maar een man die ooit streefde naar zuivere perfectie. De gevels van zijn gebouwen moesten strak zijn, de witte interieurs smetteloos, de details kloppen tot de laatste kitnaad. Hij was in staat om voor een fotoshoot bij bewoners aan te bellen, om te vragen of ze alsjeblieft hun gordijnen wilden weghalen. Maar nu maakt hij, doelbewust, een imperfect gebouw. Ruig-romantisch, rommelig - dat is de sfeer die De Weijer wil creëren.

De Neushoorn, waarvan de deuren eind dit jaar open gaan, staat niet op zichzelf. Het afgelopen jaar werden poppodia gebouwd in Nijmegen, Venlo en Leiden. Allemaal vallen ze op door de bij voorbaat afgeragde muren, het gebruik van industriële materialen en vintage meubels. De stoelen in het café van Doornroosje in Nijmegen zijn bekleed met posters uit het oude pand, in Leiden is zelfs een volgekladde wc-deur hergebruikt als tafelblad.

De overeenkomst in de architectuur van de nieuwe zalen is frappant, maar opmerkelijker is de tegenstelling met de poppodia die eerder gebouwd werden. De trend loopt immers al langer: ingezet door de professionalisering van de popsector en gestimuleerd door het gunstige economische klimaat in de jaren negentig werden er overal poppodia gebouwd, van Tilburg en Hengelo tot Almere en Purmerend.

Blitse gebouwen

Uitgesproken blitse gebouwen waren dat: de futuristische zalen Mezz (Breda) en Muzinq (Almere) met hun organische gevels, of 013 in Tilburg met zijn rubberen huid, gedecoreerd met glanzende cd's. Een wereld van verschil met de nieuwbouw van nu. Hoe valt deze evolutie te verklaren?

'Die design statements voelden toch een beetje vreemd', zegt architect Joost Ector, die het nieuwe onderkomen voor het Leids Vrijetijds Centrum (LVC) ontwierp: Gebr. de Nobel, met een kenmerkende roest-stalen gevel, die de sfeer van metal en verschaald bier ademt. 'Popmuziek gaat immers over anarchie, recalcitrantie.'

'Popzalen waren altijd gelegenheidslocaties', vult directeur van het podium Ruud Visser - rockabilly vetkuif, paarse zonnebril - aan. 'Paradiso zit in een kerk, de Melkweg in een fabriek, wij zaten in een klooster. Die eigenheid, dat undergroundgevoel raak je kwijt met nieuwbouw; je wordt een instituut.'

Het LVC wilde ook niet weg, maar het moest. Om dezelfde redenen waarom andere podia verhuizen: geluidshinder, brandveiligheid, slechte ventilatie. Bovendien zag de gemeente een kans om met een nieuw pand een breder (hoogopgeleid) publiek te trekken. Het stelde de architect voor een dilemma: hoe neem je de sfeer van een oud gebouw mee naar een nieuw pand? Hoe verenig je het alternatieve karakter met de moderne eisen die een poppodium stelt?

'Permanent-provisorische' stijl

Het geluk in Leiden was dat er een blok rond een 19de-eeuws fabriekscomplex aan de Marktsteeg beschikbaar was. Weliswaar in erbarmelijke staat, zodat uiteindelijk niet veel meer dan de voorgevel is blijven staan. Maar het bood aanknopingspunten: een kapconstructie met houten spanten, die een warme sfeer geven aan de monumentale foyer; een wevershuisje, dat 'oorspronkelijk' is heringericht als artiestenkamer. En tussen de troep, bedekt onder duivenpoep, lag een gevelbord met het logo van de lommerd die er vroeger was gevestigd was: Gebr. de Nobel. 'Dat is de basis geweest voor onze nieuwe huisstijl en naam, onze nieuwe identiteit', zegt Visser, terwijl hij naar het bord wijst, dat nu aan de afgebikte muur in de foyer hangt.

De 'permanent-provisorische' stijl is een rage in de (renovatie) architectuur; ook buiten de popscene vinden sloopmaterialen, installatiebuizen en kringloopmeubels waardering. Denk aan De Ceuvel in Amsterdam Noord, waar bureau Space and Matter rond een stel afgedankte woonboten met minimale oplapmiddelen een hippe broedplaats creëerde. Of het woon-werkpand dat Christian Muller en Krill in Rotterdam verbouwden, waar de spijkergaten in de doorleefde houten plafonds gelden als ornament.

'Het onaffe brengt een bepaalde ontspanning met zich mee', denkt Ector. 'Zo'n witte villa uit een architectuurtijdschrift, daarin zie ik mezelf niet ongeschoren in een joggingbroek zitten. Die staatsie past niet meer in deze tijd; wie draagt er nog een stropdas? Als het rafelig is, hoef je je niet te gedragen naar je omgeving.'

Bouwfouten

De nieuwe poppodia in Leeuwarden, Venlo, Leiden en Nijmegen vormen de ‘staart’ van een bouwgolf die in de jaren negentig begon met een reeks spectaculaire projecten: 013 in Tilburg (Benthem Crouwel Architekten), Mezz in Breda (Erick van Egeraat), Muzinq in Almere (William Alsop) en de Effenaar in Eindhoven (MVRDV). Iconische gebouwen die het goed deden in de architectuurbladen, maar in de praktijk niet altijd optimaal functioneerden. Zo bleek de balustrade van het balkon in Mezz te hoog om op het podium te kunnen kijken, vertoonde de experimentele rubberen gevel van de Effenaar scheuren en ging Muzinq meerdere malen failliet. 013 wordt dit jaar verbouwd, ‘om de concurrentie met zalen als Ziggo Dome en Heineken Music Hall aan te gaan’.

Veranderingen

Dat laatste klinkt misschien raar: gebouwen zijn er toch om mensen te dienen? Maar architecten zien dat niet altijd zo, erkent Chris de Weijer. In poppodium De Neushoorn laat hij de ruimte 'aan de gebruiker'. 'Ze mogen de muren overschilderen of tags erop zetten, schuiven met de meubels of andere lampen ophangen; ze mogen het inrichten zoals zij willen.'

Niet alleen het denken over gebruik, maar ook de houding ten opzichte van hergebruik heeft de architectuur de afgelopen twintig jaar veranderd. Al Gore schudde de wereld wakker met zijn documentaire An Inconvenient Truth (2006), over de klimaatverandering. Daar achteraan kwam de economische crisis, waardoor nu talloze gebouwen leeg staan. Ector: 'Ik merk dat het nieuwe met toenemende achterdocht wordt bekeken. Het bestaande is onschuldig, het voelt vertrouwd, staat voor duurzaamheid, authenticiteit.'

Deze theorie lijkt te kloppen met het ontwerp voor poppodium Grenswerk in Venlo, gevestigd in een oud pakhuis dat de bombardememten op de Maasbruggen in de Tweede Wereldoorlog wonderlijk genoeg heeft overleefd. Architectenbureau Van Dongen Koschuch heeft het pand getransformeerd tot wat 'het Paradiso van het Zuiden' moet worden. Met een intieme zaal onder de houten kap en een gevel vol moderne vierkante vensters, die met bruut geweld door de dichtgemetselde ramen zijn 'geponst', als om de opstandigheid van de popscene te onderstrepen. Althans, dat is wat de architecten ons willen laten geloven. Want wie iets langer kijkt, ziet dat het hele pand spiksplinternieuw is.

'Een gebouw dat hier had kúnnen staan', zo omschrijft architect Patrick Koschuch Grenswerk. Hij gaat daarmee een stap verder dan de architecten die teruggrijpen op het verleden, zoals Sjoerd Soeters die in Zaanstad een nieuw stadshart van 'Zaanse' huisjes bouwde. Überretro is het: met nieuwe materialen suggereren dat een gebouw zo 'oud' is dat het alweer verbouwd is.'

Vernuftig

Bij Grenswerk vinden ze het een meesterzet. Manager Tim Gaal: 'Als je hier een hypermodern gebouw had laten landen, had Venlo op zijn kop gestaan. Dit valt goed in de stad.' Dat is echter slechts een kant van het verhaal, zegt Koschuch. 'De andere kant is: hoe hou je zo'n gebouw draaiende? Hoe zit het met de ontvangst van artiesten, het laden en lossen? Hoe bouw je een zaal met een onvergetelijke sound? Zulke zaken lijken secundair, maar zijn primair. Zeker sinds de bezuinigingen op cultuur.'

Grenswerk zit wat dat betreft vernuftig in elkaar. Met zijn grote 'etalageramen', waarachter je 's avonds muzikanten en feestganger in de weer ziet, weet het passanten te verleiden naar binnen te lopen. Tegelijk is het praktisch; van de horeca - strategisch op de hoek geplaatst - tot de inpandige loading dock voor vrachtwagens en de 'geheime gang' tussen backstage en frontstage; logistiek klopt het. De zaal heeft niet alleen sfeer, maar dankzij het vele hout en de geluiddempende 'kaders' ook de droge akoestiek waarom pop vraagt.

'Het loopt té goed, kreeg ik na een paar maanden te horen', lacht Koschuch. 'Dat is wat mij betreft het mooiste compliment dat je als architect kunt krijgen.'
Kirsten Hannema

Popsector

Veel nieuwe poppodia hadden het rond de jaren nul zwaar. Nu is er een nieuwe bouwgolf gaande. Gaat het beter met de Nederlandse muziekwereld?

Het leek prachtig nieuws voor de popsector, bij de eerste bouwgolf van nieuwe podia rond 2000. Maar na de feestelijke opening van een aantal nieuwe of herbouwde popzalen volgden al snel de berichten in mineur. Voor veel podia bleek het moeilijk het hoofd boven water te houden in het nieuwe pand, omdat de bouwkosten uit de hand waren gelopen, de elektriciteitsrekening nogal hoog uitviel, waardoor er nauwelijks geld overbleef voor de programmering en dus de bezoekers wegbleven. Het ging ineens niet zo lekker, met die nieuwe Mezz in Breda, met Muzinq in Almere, of met het Patronaat in Haarlem. En er kwam ook nog een economische crisis overheen.

Er zijn nog altijd drama's te betreuren, al dan niet veroorzaakt door wilde nieuwbouwplannen. Zie het debacle van het Rotterdamse Watt dat in 2010 failliet ging. Maar volgens Berend Schans, de directeur van de Vereniging Nederlandse Poppodia en -Festivals (VNPF), zijn de meeste nieuwbouwpodia en de zalen in de grotere gemeenten toch een succes gebleken, omdat die zalen in vrijwel alle gevallen hebben geleid tot meer concertaanbod én bezoek. Schans: 'Al is het moeilijk in globale zin iets te zeggen over alle poppodia van Nederland. Daar zijn er veel van, in heel veel gemeenten, en daar gelden steeds weer andere omstandigheden.'

De popsector is nog wel gevoelig voor een aantal voor alle podia geldende factoren. De kosten voor het organiseren van concerten bijvoorbeeld zijn sterk toegenomen, door oplopende gages van artiesten en hogere kosten voor huisvesting. Toch doen volgens Schans veel nieuwe podia het bijzonder goed en lijkt er te zijn geleerd van de fouten van tien jaar geleden. 'Doornroosje in Nijmegen gaat als de brandweer. Dat komt door de betrokkenheid van de medewerkers bij de besluitvorming, waardoor er nu met relatief weinig kosten veel wordt bereikt.'

Volgens recent onderzoek doorstaan de poppodia de economische crisis relatief goed, omdat het bezoek op peil is gebleven en ook het aantal activiteiten. Schans: 'De poppodia hebben goed weten te anticiperen op stijgende lasten en dalende inkomsten, door efficiëntere personeelsinzet, meer gebruik van stagiairs en vrijwilligers en een veiligere programmering. Het is wel jammer dat daardoor minder aandacht is voor talentontwikkeling en een programmering die verdieping biedt. Daarover maken wij ons wel zorgen.'
Robert van Gijssel

Meer over