AchtergrondBody Language

Waarom spuit Maria melk naar een monnik? En meer raadselen van het middeleeuwse lichaam in de kunst

Museum Catharijneconvent in Utrecht ontcijfert middeleeuwse kunstwerken in de tentoonstelling Body Language. Want achter elk schijnbaar onbegrijpelijk detail zit een verhaal.

Paneel uit de omgeving van de Meester van Sint Goedele (1475-1500).Beeld Wallraf-Richartz-Museum, Keulen

Soms bevat een kunstwerk een onbegrijpelijk detail: een gebaar dat je niet kunt duiden, een object waarvan de functie je ontgaat, een lichaamsdeel dat ontbreekt, of op een rare plek zit, of dat verdacht veel lijkt op een ander lichaamsdeel – ja, het onbegrijpelijke detail kent vele verschijningsvormen.

En soms is gewoon het hele kunstwerk onbegrijpelijk.

Het paneel afkomstig uit de omgeving van de Meester van Sint Goedele uit de collectie van Wallraf-Richartz-Museum in Keulen (1475-1500) is zo’n onbegrijpelijk werk. Oké. misschien niet helemáál onbegrijpelijk. Dat we hier te maken hebben met de maagd Maria, dat is wel duidelijk. En dat die kleine Benjamin Button op haar arm het kindeke Jezus voorstelt, daar hoeven we ook niet aan te twijfelen. Maar dan: waarom spuit de Heilige Maagd een straal melk uit haar borst over de schouder van een knielende monnik? En waarom wordt zij daarbij geholpen door het Christuskind? En waarom hangt die borst onder haar sleutelbeenderen? En, nu we toch bezig zijn, waarom is het er maar één?

Over precies dit soort raadselen gaat Body Language – Het lichaam in de middeleeuwse kunst, een leerzame en prachtig vormgegeven tentoonstelling  in het Catharijneconvent in Utrecht. De expositie is het geesteskind van Wendelien van Welie, Hoogleraar Kunstgeschiedenis van de Middeleeuwen aan de Universiteit van Amsterdam. Zij bestudeert al jaren de weergave van lijf en leden in de Middeleeuwen. Het project kende enige tegenslag in de staart. Verscheidene werken, waaronder kwetsbare verluchtingen uit de wereldberoemde Roman de la Rose (uit de Bibliothèque nationale de France ) konden wegens de pandemie niet naar Utrecht komen. Het is een rimpeling op de schaal van covid-leed, maar een gemis voor de presentatie (er zijn reproducties). Het blijft een fijne expositie.

Het lichaam in middeleeuwse kunst, schrijft Van Welie in de inleiding van de catalogus, was lang onontgonnen terrein. Wanneer kunsthistorici in het verleden lijven op kunstwerken bestudeerden, dan ging het negen van de tien keer om kunst uit de oudheid en Renaissance. De weergave van het lichaam in de Middeleeuwen wijkt wezenlijk af van zulke pendanten. Het middeleeuwse lichaam, en hier ontkomt men niet aan generalisaties, was geen toonbeeld van kracht, gezondheid, harmonie en erotiek, zoals in de Renaissance; het was, en ik generaliseer opnieuw, een middel om gevoelens van angst, medelijden, verwondering en godsvrucht op te roepen – de weergave werd gekleurd door een alles doordesemend religieus besef. Het was minder easy on the eye dan de evenknie uit de Renaissance. Het kan ons grotesk en onbedoeld komisch voorkomen, wat het bij uitstek geschikt maakt voor memes en andere ongein.

Het is soms ook moeilijk leesbaar, als je dat zo kunt zeggen. Het zit vol symboliek en allusies die door de eeuwen heen lost in translation zijn geraakt. Een Christus-hoofd dat wordt uitgeperst als een druif; een wond in de vorm van een vagina: het betekende iets, het betekent nog steeds iets, maar wat dat ‘iets’ precies is, behoort niet langer tot de gedeelde (semi-) algemene kennis. Meer dan renaissancekunst geeft middeleeuwse kunst ons het gevoel van een vreemd land met een vreemde taal, een geheimtaal haast. Dat vreemde zit ook in het genoemde altaarstuk van de melk spuitende Maria uit Keulen.

Het blijkt, zo onthult het tentoonstellingsboekje, de verbeelding van een van de legenden van Bernardus van Clairvaux (1090-1153), een 12de-eeuwse mysticus. Bernardus was de stichter van de cisterciënzer kloosterorde, een vrome, vrome man. Een Maria-mannetje. Bernardus  had ‘een grote verering voor de Maagd’.

Een ding zat deze Bernardus echter dwars. Hoe, vroeg de schrandere kloosterbroeder zich af, kon de Maagd maagd zijn en tegelijk moeder?

In het jaar 1146, toen Bernardus 56 was, werd zijn vraag beantwoord, en wel door niemand minder dan de Madonna zelf. Het gebeurde tijdens een visioen in de kathedraal van de Duitse stad Speyer. Bernardus zat te bidden voor een beeld van de Maagd die de borst gaf, toen het opeens tot leven kwam. Bernardus zag z’n kans schoon en prevelde meteen de volgende zin: ‘Monstra te esse matrem’, ofwel: ‘Toon mij uzelf moeder.’

Vond de Maagd geen impertinent verzoek.

‘Kijk’, zei ze, en ze spoot een straal melk in het gezicht van de kloosterbroeder.

Detail van triptiek met de kruisiging en buitenluiken met de levensbron. Meester van de Aanbidding te Antwerpen (1520).Beeld Marco Sweering / Collectie The Phoebus Foundation

Hitje hoor, dat verhaal. En zoals het gaat met populaire verhalen: al snel ontstonden er variaties. In één versie zou Bernardus zo vaak het Ave Maria hebben gepreveld dat zijn arme lippen waren gebarsten. Echter, de straal melk uit Maria’s borst zou zijn lippen hebben bevochtigd, en daarmee genezen – dat was de Punica Oase-variant (commercial waarbij een frisdrank door het tv-scherm kwam) van het verhaal. In een andere versie had Bernardus geen gebarsten lippen, maar een oogkwaal. Wederom schoot Maria te hulp: ze spoot de melk in Bernardus’ geplaagde oog, en hij zag warempel weer scherp. Het zal duidelijk zijn dat deze Madonna-melk ander spul was dan wat er bij de gemiddelde vrouw uit de borst komt. Het was een wondermiddel, die elke denkbare ziekte genas.

Vanuit een middeleeuws perspectief sneed dat zeker hout. Middeleeuwers dichtten aan moedermelk allerhande heilzame kwaliteiten toe. Baby’s, zo meende men, konden via de moedermelk fysieke en karakterologische trekken overnemen van degene die hun de borst gaf, waardoor het voor (aristocratische) vrouwen die geen borstvoeding konden of wilden geven belangrijk was om een gezonde en betrouwbare min te vinden. En aangezien Maria destijds de moeder der moeders was, de ware moeder, zo u wilt, de oermoeder, gold haar melk als de ultieme powermelk – het was tenslotte deze melk die baby Jezus groot had gemaakt. En Bernardus kreeg die melk nu in zijn gezicht gespoten.

Toon mij uw borst

Frappant: soms ontbloot Maria haar borst ook in voorstellingen waarin niks te voeden of genezen valt, zoals op verscheidene versies van Het Laatste Oordeel. Dat komt zo: vanaf de 12de eeuw duikt Maria in kloosterteksten en afbeeldingen steeds vaker op als bemiddelaar tussen het aardse voetvolk en de bobo’s daarboven: Christus, de Heilige Geest, helemaal tot aan de eindbaas die in de hemelen zijt, God de vader himself. En in haar rol van bemiddelaar verzoekt ze haar zoon, Christus, tot genade voor deze of gene sterveling, en wel door hem het lichaamsdeel te tonen waarmee ze hem als weerloze baby voedde: de borst. 

Kunstenaars goochelden er door de eeuwen heen gretig mee hoe en waar dat spuiten plaatsvond. Soms probeerde men het spuiten dichter naar de gelovige te brengen, door het plaats te laten hebben in een contemporaine setting. Soms vond het plaats in de open lucht. Ook het spuiten zelf kende dichterlijke vrijheden. Er zijn voorstellingen waarbij de melk oog noch mond noch een ander deel van Bernardus’ gezicht raakt. Op het Keulse schilderij spuit de melk bijvoorbeeld over z’n schouder. Zij komt uit een borst die als een zonnebril in Maria’s V-hals hangt – één borst. Over die ene borst wordt in de Bernardus-legende niet gerept. Die stamt uit een andere traditie, de Maria lactans. In deze traditie geeft Maria het Christus-kind de borst. Ze gaat minstens terug tot de 8ste eeuw.

Wie honderd van zulke Maria lactansen in een chronologische slideshow zou plaatsen, zou iets grappigs opvallen: door de eeuwen heen ontwikkelt Maria’s onbedekte borst een eigen wil, ja, ontpopt ze zich tot een wandelborst.

Men treft haar op plekken waar ze anatomisch gezien niet hoort, zoals vlak onder Maria’s hals of ten zuidwesten van haar ribbenkast, en ook bovenop haar kleding, of zelfs geheel los van haar lichaam, als was de borst een flesje babyvoeding waar kleine Jezus op gezette tijden even aan mocht lurken. De verklaring hiervoor schuilt noch in een zeldzame fysieke aandoening van de Maagd, noch in onkunde van de kant van de kunstenaar. Die borst is van haar plek gehaald om haar van haar erotische betekenis te ontdoen. Het was immers de bedoeling dat de Maagd vertedering opwekte, geen opwinding.  Er was ook een artistieke reden: het trok – en trekt – direct de aandacht.  ‘Hier moet u kijken…’ zei een kunstenaar op deze manier, ‘Nee, niet dáár!… Híér, bij de borst!’

Na de reformatie was het gedaan met afbeeldingen van wonderborsten en Maria als levende melkfontein. Door de ban op de verheerlijking van heiligen en wonderen stierven zij langzaam uit. De borst gevende vrouwen verdwenen van christelijke schilderijen, maar niet van schilderijen in het algemeen: op  mythologische werken zag men ze nog regelmatig.  Rubens, bijvoorbeeld, schilderde een imposante voorstelling van Hera uit wier borst de complete Melkweg spuit – daarmee zijn we terug bij het middeleeuwse geloof van de moedermelk als het begin van alle leven. En van Willem Drost kennen we een fraai, macaber doek  met daarop Cimon en Pero, waarin de gevangengenomen, tot de hongerdood veroordeelde oude man (Cimon) dagelijks wordt gevoed door zijn dochter (Pero) – met de borst. Het roept dezelfde mengeling van fascinatie en afkeer op als die met melk bespatte oude, monniken uit de Middeleeuwen. Wie het onvermoed tegenkomt in de ere-galerij van het Rijksmuseum denkt: what the fuck!?

Body Language. Het lichaam in de middeleeuwse kunst. Museum Catharijneconvent, Utrecht. T/m 17/1. 

Beeld Oxford, Bodleian Library

Wond

De zijdewond van Christus als vagina, Vlaanderen en Frankrijk, (1405-1413).  

Jezus had kruiswonden, daar twijfelde niemand aan. Nou ja, bijna niemand: Thomas geloofde er niks van, maar nadat hij met z’n vinger in Jezus’ wond had gepeurd ging ook hij overstag. In de middeleeuwse gebedenboek leed de zijdewond z’n eigen leven. Net als de martelwerktuigen die hem hadden veroorzaakt fungeerde hij als attribuut dat gelovigen hielp bij het mediteren op Christus’ lijden. Omdat sommige kloosterorden Christus’ dood zagen als een vorm van wedergeboorte, kreeg de wond de vorm van een vagina. Rond de zijdewond/vagina ontstond een complete cultus. Kloosterzusters werden bijvoorbeeld opgeroepen hem ‘binnen te dringen’ om zo dichter bij Christus’ hart te komen.

Beeld Suermondt-Ludwig-Museum

Haar

Maria Magdalena als wildevrouw, Zwaben (1490-1500)

Maria Magdalena, de ultieme gevallen vrouw, werd doorgaans met loshangend haar afgebeeld. Met dat lange haar zou Maria Magdalena Christus’ voeten hebben gedroogd, maar de dracht was ook een verwijzing naar haar zondige verleden: alleen jonge meisjes en prostituees droegen in de Middeleeuwen hun haren los. In de 14de eeuw veranderde lang haar in haar-over-het-hele-lichaam. Dat haar, een vacht eigenlijk, nam Magdalena over van een andere heilige, Maria Egyptiaca, die het overnam van de ‘wildevrouw’, figuren die men in de 14de eeuw om hun puurheid en onwetendheid begon te idealiseren. Soms zijn Magdalena en Egyptiaca amper uit elkaar te houden, maar de vrouw hierboven is echt Magdalena: men herkent haar aan de engelen aan haar zijde.

Beeld Collectie Musée de Cluny - Musée national du Moyen Âge

Hoofd

Saint Dénis, Frankrijk (1475-1500).

Een cefalofoor is een onthoofde heilige die, ontevreden met zijn lot, door goddelijke interventie is opgestaan, en naar zijn of haar laatste rustplaats is gewandeld, hoofd onder de arm. Saint Denis van Parijs is een van de bekendste cefaloforen. Hij en zijn hoofd zouden in de 3de eeuw helemaal van Montmartre naar Saint Denis zijn gewandeld. Een andere cefalofoor is de Heilige Valérie, die met haar hoofd de bisschop van Limoges bezocht. Het beroemdste afgehakte hoofd behoorde echter niet toe aan een cefalofoor, maar aan Christus’ neef, Johannes de Doper. Die werd onthoofd door koning Herodes, die Salomé vroeg een wens te doen, nadat ze mooi voor hem had gedanst et cetera.

Meer over