boekrecensie

Waarom de Joodse Raad zelf niet kon begrijpen van welk drama hij deel uitmaakte ★★★★★

Historicus Bart van der Boom beziet de rol van de Joodse Raad in de Shoah zonder ‘wijsheid achteraf’. Overtuigend laat hij zien waarom het gangbare harde oordeel niet helemaal terecht is.

Sander van Walsum
De Joodse Raad in december 1942, met links vooraan voorzitters Abraham Asscher en David Cohen.  Beeld Beeldbank WO2 – Niod, Collectie Joh. de Haas
De Joodse Raad in december 1942, met links vooraan voorzitters Abraham Asscher en David Cohen.Beeld Beeldbank WO2 – Niod, Collectie Joh. de Haas

In januari oordeelde de Leidse historicus Bart van der Boom al vernietigend over het coldcaseteam dat zich had verdiept in het (mogelijke) verraad van de bewoners van het Achterhuis. Nu, drie maanden later, wijdt hij in zijn boek over de Joodse Raad nog een paar woorden aan ‘het onzinverhaal’ dat nochtans serieuze aandacht kreeg. Daarbij dicht hij het coldcaseteam overigens een stelling toe die het zo niet heeft betrokken, namelijk dat de Joodse Raad systematisch namen van onderduikers zou hebben verzameld en aan de bezetter zou hebben doorgegeven (in werkelijkheid suggereerde het team dat een gewezen lid van de Joodse Raad dit één keer heeft gedaan). Maar voor het punt dat Van der Boom wilde maken doet dit niet ter zake: de Joodse Raad staat in een kwade reuk. Het kan de lezers van zijn boek niet ontgaan dat hij zich daaraan stoort.

Het oordeel van het nageslacht over de Joodse Raad stoelt namelijk op twee taaie leugens: dat David Cohen en Abraham Asscher, de voorzitters van de Raad, op de hoogte waren van het lot dat de Joden in Polen wachtte, en dat zij de slachtoffers van de Shoah zelf aan de Duitsers hebben uitgeleverd. Na de oorlog konden Cohen en Asscher deze voorstelling van zaken met grote moeite weerleggen. Maar daarmee hebben zij zichzelf en het door hen geleide orgaan, ‘een staat binnen de staat’, niet kunnen behoeden voor een plek op de mestvaalt van de geschiedenis.

Aanvankelijk kwam het oordeel van gewetensvolle historici over de motieven en de handelwijze van de Joodse Raad overeen met dat van ‘de samenleving’. Inmiddels is dat niet meer het geval, schrijft Van der Boom. Waar historici steeds meer naar het standpunt zijn gaan neigen dat de Joodse Raad niet fouter of minder fout was dan andere instanties die het hoofd moesten bieden aan de Duitse bezetting, verwerd de Joodse Raad ‘in de populaire cultuur en in het dagelijks spraakgebruik (…) tot een even potsierlijke als kwaadaardige karikatuur’. Aan Cohen en Asscher worden in de regel geen nobele motieven toegedicht: zij zouden vooral zichzelf en andere geprivilegieerde Joden hebben willen redden.

Een milder oordeel

Van der Boom werpt zich niet op als apologeet van de Joodse Raad. Wel heeft hij zijn boek ‘vanuit de bronnen geschreven’ – zoals het een eerbaar historicus betaamt. Dat betekent dat hij zich onthoudt van ‘wijsheid achteraf’, wat in het geval van de Tweede Wereldoorlog een bijkans onmogelijke opgave lijkt. Hij stelt dat Cohen en Asscher – mannen die waren gevormd door de vooroorlogse politieke cultuur van ‘schikken en plooien, pappen en nathouden’ – slecht waren toegerust voor de omgang met brute machthebbers die niet van zins waren zich als ‘normale bureaucraten’ te gedragen.

Mogelijk hebben zij te lang vastgehouden aan de illusie dat ook nazi-autoriteiten voor enige rede vatbaar waren. Maar dat hadden ze gemeen met iemand als Lodewijk Visser, voormalig president van de Hoge Raad, die het weliswaar volstrekt oneens was met de coöperatieve houding van de Joodse Raad tegenover de Duitsers, maar die tezelfdertijd bij de laatsten nog enig respect voor de wet veronderstelde.

De vraag of het beleid dat voortkwam uit dit gruwelijke misverstand juist was, kan slechts ontkennend worden beantwoord – onder verwijzing naar het feit dat driekwart van de ongeveer 140 duizend Joden in Nederland de oorlog niet heeft overleefd. De vraag die Van der Boom zich echter stelt, is of het beleid destijds ook fout léék. Het antwoord op díé vraag vereist het vermogen om bij de beoordeling van de Joodse Raad niet uit te gaan van de kennis van nu, oftewel: de wetenschap dat het nazibewind culmineerde in de vernietiging van 6 miljoen Joden, van wie 102 duizend afkomstig waren uit Nederland. Voor historicus Loe de Jong – en velen met hem – was onwetendheid geen excuus voor de meegaandheid van de Joodse Raad. Maar Van der Boom oordeelt milder: zelfs in het holst van de oorlog mocht niet bekend worden verondersteld welk gruwelijk lot de mensen wachtte die naar ‘het oosten’ waren overgebracht.

Auschwitz was nog een plaatsnaam – die aanvankelijk ook vaak verkeerd werd gespeld – en niet het synoniem van industriële massamoord. Auschwitz genoot zelfs het voordeel van de twijfel zolang Mauthausen, het Oostenrijkse kamp waar alle vierhonderd slachtoffers van de razzia’s in Amsterdam van februari 1941 binnen enkele maanden om het leven waren gebracht, gold als het summum van barbarij.

‘Alles beter dan Mauthausen’: dat was lange tijd de leidraad van het beleid van de Joodse Raad. Hij stelde zichzelf, en de nerveuze Joodse gemeenschap, gerust met de verzekering dat Auschwitz een werkkamp was waaruit het gros van de gedetineerden na de oorlog vermagerd maar behouden zou terugkeren. Simpelweg omdat een miljoenenvoudige moord het voorstellingsvermogen te boven ging. Zelfs bij de meest geharde nazi’s daagde de volle omvang van hun macabere project pas omstreeks 1942. Tot die tijd gold massa-emigratie, mogelijk naar een Afrikaanse bestemming, nog als de meest kansrijke oplossing van wat de nazi’s als ‘het Joodse probleem’ beschouwden.

Bart van der Boom Beeld Patrice Börger
Bart van der BoomBeeld Patrice Börger

Bescheiden doelen

Tegen die achtergrond meende de Joodse Raad de belangen van zijn achterban het best te dienen met het ‘apaiseren’ van de machthebbers. Verzorgen (van gedeporteerde Joden), verzachten (van hun lot) en voorkomen (van nog meer strafmaatregelen tegen de Joodse gemeenschap): dat waren de bescheiden doelen die de Joodse Raad zichzelf stelde. Daarmee oogstte hij kritiek in eigen gelederen en bij delen van de illegale pers, maar ook waardering bij Joden die zich door de Raad metterdaad gesteund voelden – en enig begrip bij naoorlogse historici.

Het beleid (voor zover daarvan kan worden gesproken bij een orgaan dat door de bezetter louter met ‘overbrengende taken’ was belast) werd echter voortgezet na aanvang van de massadeportaties naar het oosten van Europa. Op een moment dus waarop de Joodse Raad zich had kunnen vergewissen van de vruchteloosheid van zijn inspanningen. Zelfs toen heeft hij de achtergebleven Joden niet willen wijzen op de mogelijkheid om onder te duiken. Integendeel: de Raad achtte onderduiken riskanter dan gevoeglijkheid. Hij verleende weliswaar geen actieve medewerking aan de deportaties, maar sterkte de Joden wel in hun hoop dat ze het er in het oosten levend van af zouden brengen met reisadviezen en gedetailleerde tips voor het inpakken van een rugzak.

Op basis van de schaarse brieven die hem vanuit Polen hadden bereikt, meende Cohen dat de Joden het er ‘niet slecht’ hadden. Nog in 1943 verwachtte hij dat de Duitsers een substantieel deel van de Joodse gemeenschap in Nederland zouden ontzien. En toen ook die illusie was vervluchtigd, hoopte hij de deportaties te vertragen door zo veel mogelijk ontheffingen (Sperren) bij de Duitsers los te peuteren – niet beseffend dat het tempo van de deportaties overwegend werd bepaald door de capaciteit van de crematoria in de vernietigingskampen. Uiteindelijk kwamen ook hij en Asscher terecht in ‘de laatste trein naar Westerbork’ – al was die bestemming voor hen niet het voorgeborchte van de dood.

Het verhaal dat Van der Boom heeft verteld, is in zoverre bekend dat ingevoerde lezers alle staties van de Joodse lijdensweg onderhand wel kennen. Maar hij beschrijft de lotgevallen van de Nederlandse Joden met weglating van ‘wijsheid achteraf’: wat wij weten van hun lot was voor henzelf hooguit een bang vermoeden. Zo weet hij met een zakelijke penvoering de beklemming en de angst op te roepen waarin een belaagde gemeenschap verkeerde ‘die wist dat ze iets niet wist’.

Bart van der Boom: De politiek van het kleinste kwaad – Een geschiedenis van de Joodse Raad voor Amsterdam, 1941-1943. Boom; 388 pagina’s; € 29,90.

null Beeld Boom
Beeld Boom
Meer over