boekrecensie

Waarom de Bijbel Bijbel heet (en de krant niet op geitenhuid wordt gedrukt) ★★★★★

In Papyrus en De boekhandelaar van Florence laten twee bevlogen schrijvers zien hoe oud, diepgeworteld en universeel onze liefde voor boeken is.

null Beeld Deborah van der Schaaf
Beeld Deborah van der Schaaf

Er bestaat een kans dat u deze krant op een geitenhuid had gelezen als er in 1348 geen pestepidemie was uitgebroken die aan dusdanig veel Europese dieren het leven kostte dat er een tekort ontstond aan huid om perkament van te maken. Tel daarbij op dat rond die tijd net de gewoonte in zwang raakte om ondergoed te dragen, waardoor er in Europese steden steeds meer vodden en lompen op straat werden gegooid, niet toevallig een van de belangrijkste bestanddelen van papier, en ziedaar: de reden dat perkament het vanaf de 14de eeuw definitief begon af te leggen tegen hetgeen u nu (tenzij u digitaal leest) in uw handen heeft.

Toegegeven: boeken over boeken kunnen saai zijn, alsof je op een dinsdagavond per ongeluk bent terechtgekomen bij een lezing in de openbare bibliotheek van Vaassen. Maar boeken over boeken kunnen óók fascinerend zijn, al was het maar omdat ze de lezer soms de aandrang kunnen bezorgen nog diezelfde dag naar de bibliotheek te reizen in de kapittelzaal van het San Marco-klooster in Florence, omdat de fresco’s daar zo mooi zijn uitgepakt dat schilder Guido di Pietro, beter bekend als Fra Angelico, vrijwel continu gehuild zou hebben tijdens het schilderen ervan.

De boekhandelaar van Florence van de Canadees-Engelse schrijver Ross King is zo’n boek uit die laatste categorie. King (1962), die eerder boeken schreef over de levens van Filippo Brunelleschi, Leonardo da Vinci en Michelangelo Buonarroti, dompelt zich ditmaal onder in het leven van Vespasiano da Bisticci, beter bekend als ‘de koning van alle boekhandelaren’.

Vespasiano was een jongen uit een Toscaans bergdorpje die gedurende de 15de eeuw uitgroeide tot de grootste expert van antieke manuscripten – niemand kon ze beter opsporen en laten kopiëren dan hij. Dat was op dat moment een gouden expertise, omdat juist in die 15de eeuw steeds meer mensen begonnen te geloven dat teksten uit de Oudheid het middel bij uitstek waren om ook de glorie van weleer te herstellen.

De boekwinkel van Vespasiano, zo laat King zien, groeide zo uit tot een fundamenteel onderdeel van de gouden eeuw van Florence; een tijdperk waarin niet alleen mannen als Brunelleschi en Donatello hun fabelachtige prestaties leverden, maar waarin ook om de haverklap oorlogen en pestepidemieën uitbraken en heel Europa in de ban was van de politieke intriges tussen Cosimo de’ Medici, paus Sixtus IV en koning Alfons van Napels – geschiedenissen waarin Vespasiano iedere keer weer opduikt, omdat al die notabelen eens in de zoveel tijd naar zijn winkel togen voor een nieuwe dosis kennis. Het maakt van Vespasiano een renaissanceversie van Forrest Gump: een man die bij iedere historische gebeurtenis van zijn tijd per ongeluk op de achtergrond staat en keer op keer een cruciale rol speelt in de verdere loop van de geschiedenis.

En dan zit het boek van King ook nog eens barstensvol leuke weetjes over de etymologische oorsprong van het woord bijbel (naar de Fenicische havenstad Byblos, waar een plant groeide waarvan het beste papyrus kon worden gemaakt), over dat paus Sixtus IV iedereen excommuniceerde die de van hem geleende boeken niet terugbracht en dat bibliotheken vroeger een uur in de wind stonken omdat alleen al voor een perkamenten bijbel de huiden van plusminus tweehonderd dode geiten nodig waren.

Het grote conflict in het leven van Vespasiano is Gutenbergs uitvinding in 1453 van de Europese boekdrukkunst – een technologie waardoor het handwerk van Vespasiano op den duur nutteloos zou worden en waardoor, naar hij vreest, het gemakkelijk wordt goedkope boeken te verspreiden die ‘overlopen van wellust’, waardoor drukkerijen in feite niet veel beter zouden zijn dan bordelen.

Ondanks die kleine historische inschattingsfout van Vespasiano blijft De boekhandelaar van Florence het gedrukte bewijs dat vooruitgang niet vanzelf synoniem is aan verbetering, want potverdikkeme, wat zouden veel mensen na het lezen van dit boek Bol.com en Amazon definitief willen inruilen voor het boekwinkeltje van Vespasiano de Florentijn, de boekverkoper in wiens winkel met een beetje fantasie de Renaissance is begonnen.

Eigenlijk zou je King vijf sterren willen geven, tot je Papyrus van classicus Irene Vallejo (1972) openslaat en ziet wat vijf sterren werkelijk inhouden. Waar De boekhandelaar van Florence een mooi inkijkje geeft in de opkomst van de boekdrukkunst tijdens een van de interessantste perioden uit onze geschiedenis, laat Papyrus – een boek waar uitgevers in dertig landen om vochten – nog veel meer zien, namelijk hoe oud, diepgeworteld en universeel onze liefde voor boeken is.

Papyrus belooft een geschiedenis van de wereld in boeken te vertellen en inderdaad beschrijft Vallejo in prachtige, kleine hoofdstukken hoe de orale cultuur langzaam veranderde in een wereld waarin we alles opschrijven en dat we daar eerst kleitabletten voor gebruikten, later planten en dieren. Ze beschrijft hoe het alfabet ontstond, hoe keizerrijken opkwamen en weer verdwenen en hoe het schrift eeuw na eeuw een van de grote katalysatoren van de vooruitgang bleek.

Tijdens een groot deel van de geschiedenis was het vergaren van roem immers het hoogst nastreefbare. Van Alexander de Grote tot Julius Caesar, allemaal wilden ze roemrucht zijn voor het nageslacht en allemaal begrepen ze dat daar niet alleen heldendaden voor nodig waren, maar dat die heldendaden ook dienden te worden opgeschreven.

Ook in Papyrus buitel je bladzijde na bladzijde over de intrigerende feitjes, bijvoorbeeld dat de woorden book, Buch en boek zouden zijn afgeleid van beuk, de boom met zijn wittige schors die zo geschikt was om tekst op te schrijven. Of dat Mao Zedong, voordat hij op grote schaal intellectuelen zou laten vermoorden en boeken verbranden, in 1920 een boekwinkel had die zo goed liep dat hij zes mensen in dienst had; een vroeg-kapitalistisch succes waarmee hij jarenlang zijn tweede carrière als revolutionair kon financieren.

En natuurlijk dat onze letters schematische tekeningetjes als oorsprong hebben. Zo stond de D ooit voor een deur, de M voor de beweging van water, de N voor een slang en de O voor een oog (‘Nog steeds zijn onze teksten landschappen waarin we zonder het te beseffen de golfslag van de zee tekenen, waar gevaarlijke dieren op de loer liggen en waar ogen zonder te knipperen blikken naar ons werpen’, schrijft Vallejo, over wie de Spaanse krant El País geheel terecht opmerkte dat ze niet alleen een zeer kundig wetenschapper is, maar ook ‘een grote literaire ontdekking’).

Vallejo mengt enthousiasme, nieuwsgierigheid en kennis voor de literatuurgeschiedenis met een hele rits persoonlijke, geregeld grappige anekdoten, waardoor ze het soms nodeloos gewijde karakter van de literatuur, inclusief het daarbij behorende snobisme, hoofdstuk na hoofdstuk onderuit haalt.

Wat een lezing in de openbare bibliotheek van Vaassen daarom maar zelden lukt, lukt Vallejo iedere bladzijde, namelijk aantonen dat oeroude personages als Antigone, Oedipus en Medea – stuk voor stuk wezens die zonder het schrift belaagd zouden worden door vergetelheid – dankzij boeken kunnen reizen door de eeuwen heen en zo miljoenen mensen blijven inspireren tot geluk, liefde of opstand, ‘dat ze ons eraan kunnen herinneren hoe smartelijk sommige waarheden blijken te zijn, dat ze de duistere krochten van onze ziel kunnen onthullen; dat ze ons een draai om de oren kunnen geven elke keer als wij, kinderen van de vooruitgang, te trots op onszelf zijn; dat ze van belang voor ons blijven’.

null Beeld De Bezige Bij
Beeld De Bezige Bij

Ross King: De boekhandelaar van Florence. ★★★★☆Uit het Engels vertaald door Toon Dohmen. De Bezige Bij; 528 pagina’s; € 34,99.

null Beeld Meulenhoff
Beeld Meulenhoff

Irene Vallejo: Papyrus. ★★★★★ Uit het Spaans vertaald door Adri Boon. Meulenhoff; 536 pagina’s; € 29,99.

Meer over