TegensprekersThomas Chatterton Williams

Waarom de Amerikaanse schrijver Thomas Chatterton Williams zich ‘ex-zwart’ noemt

Thomas Chatterton Williams
 Beeld Seb Agresti
Thomas Chatterton WilliamsBeeld Seb Agresti

In Selfportrait in Black and White stelt Thomas Chatterton Williams (40) dat het denken in zwart en wit een sta-in-de-weg is voor emancipatie.

Sinds 2019 staat schrijver Thomas Chatterton Williams, die zijn leven begon als een Afro-Amerikaanse baby, geboren in Newark, 1981, ineens bekend als een ‘ex-black man’. En dat ‘ex-black’ is niet het vernietigende oordeel dat een zwarte actiegroep over hem velde, omdat Williams zich onvoldoende voor de zwarte zaak had ingezet; ‘ex-black’ is een zelfdefinitie, die de schrijver introduceerde in zijn boek Selfportrait in Black and White (2019).

Waarom zou iemand zich willen distantiëren van zijn ‘rasgenoten’, juist op een moment in de geschiedenis waarop er voor zwart en gekleurd en gemengd in vooral de (westerse) wereld van de kunsten en de literatuur een zeker inclusief voordeel valt te vergeven? Williams, jij bent die zo gezochte diversiteit, man!

In de onregelmatige serie Tegensprekers beschrijft en onderzoekt publicist Stephan Sanders Afro-Amerikaanse schrijvers die een belangrijke bijdrage hebben geleverd aan het internationale racismedebat en ten onrechte onbekend zijn bij het Nederlandse publiek.

Om te beginnen spreekt Thomas Chatterton Williams niet, of niet meer, in termen van ‘ras’- en ‘rasgenoten’. Die aanduiding is, zo legt hij uit in zijn Selfportrait, hoogst problematisch. Vooral in de Verenigde Staten, maar in toenemende mate ook in Europa, vigeert het zwart-witschema als het over kleur, afkomst en etniciteit gaat. Daar vallen dus twee smaken te vergeven, of hooguit drie als je het plechtstatige ‘mensen van kleur’ meerekent. Dat is Williams veel te weinig, veel te onbehouwen. En zeker het ‘rasbegrip’, dat zo veelvuldig opdook tijdens zijn Amerikaanse jeugd, en dat eeuwenlang de inrichting van het land bepaalde, is wat Williams betreft volkomen failliet.

Waarom, zo vraagt hij zich af, zouden we een 19de-eeuwse term met dubieuze en zeer onwetenschappelijke wortels tot instrument maken om de huidige positie van etnische minderheden en van nakomelingen van het slavernijverleden aan de orde te stellen en te verbeteren? ‘Ras’ is in de ogen van Williams allang niet meer behulpzaam, eerder een sta-in-de-weg om politieke emancipatie af te dwingen.

Dat is een min of meer filosofische overweging. Maar in Selfportrait beschrijft Williams toch vooral zijn eigen leven, dat een drastische wending nam toen deze Afro-Amerikaan naar Europa verhuisde, in Frankrijk trouwde met de schrijver Valentine Faure en twee kinderen met haar kreeg.

Geboren als zoon van een Afro-Amerikaanse vader, een zwarte intellectueel, en een witte moeder groeide Williams op als vanzelfsprekend ‘zwart’: in een zwarte buurt, met zwarte vrienden, en een vanzelfsprekende black attitude: hij sprak en sportte ‘zwart’ (basketbal), hij luisterde vooral naar hiphop en rap en iedere Amerikaan die hem zag, twijfelde niet aan zijn blackness, ondanks zijn bruinig-beige kleur. De Afro-Amerikaanse vader was zijn grote voorbeeld.

Na zijn universitaire opleidingen in Georgetown (Washington DC) en New York vertrekt Williams naar Europa, waar hij merkt dat de vanzelfsprekende zwart-witindeling veel minder gangbaar is – of moet ik schrijven: was? Zeker in Parijs wordt hij voor alles en nog wat aangezien, maar vooral toch voor een jongeman uit de Maghreb, ergens uit Noord-Afrika. In 2013 krijgen Williams en zijn (Franse, blanke) vrouw een dochtertje: ‘Onmogelijk lichtgekleurd’, zoals hij zelf schrijft, een baby’tje dat je niet anders dan als ‘roze’ kan omschrijven, met blond haar. Maar volgens het Amerikaanse idee van de ‘one drop rule’ – één druppel ‘zwart bloed’ maakt de persoon zwart – is ook dit dochtertje ‘zwart’, want voortgekomen uit een gemengd-zwarte vader.

Maar moet dit Parijse kind meteen de Amerikaanse slavernijgeschiedenis op haar schouders gedrukt krijgen? Hoe ‘zwart’ kan het meisje zijn, als iedereen in haar omgeving haar als blond en Frans herkent? En is dat slavernijverleden, dat voor Thomas Chatterton Williams nog reëel was door toedoen van de verhalen van zijn vader, voor dochtertje Marlow nog steeds allesbepalend? Móét het dat zijn?

In een videochat verklaart Williams uitdrukkelijk dat hij niet gelooft in het idee van kleurenblindheid als nastrevenswaardig ideaal: hijzelf heeft zich, ook als ‘ex-black’ niet willen losmaken van de geschiedenis van slavernij en segregatie, waaruit hij via de vaderlijn voortkomt. Maar zou het zijn dochter helpen, als zij die bagage als een persoonlijke erfenis meekrijgt?

Er zijn ook schrijvers en boeken die Williams geïnspireerd hebben om afscheid te nemen van het ‘Grote, Raciale Kleurspel’: auteurs als Stanley Crouch, Albert Murray en Adrian Piper, allemaal behandeld in deze serie. Ieder heeft zich op zijn en haar manier verzet tegen de binaire, raciale indeling in zwart en wit, een rigide systeem, zeker in vergelijking met de veelvuldigheid die tegenwoordig opgeld doet op het terrein van gender en seksualiteiten.

‘Maar is het geen verraad’, vroeg ik Williams ‘om als ex-black door het leven te gaan; verraad tegenover je vader, je oude vrienden, je Amerikaanse jeugd?’

Hij is een nadenkend spreker, Williams, en nu zie ik hem hardop peinzen. Hij is nooit vergeten dat zijn (zeer gewaardeerde) vader vroeger ooit opmerkte: ‘I’ll be damned if they make you white’. Williams vond het extreem moeilijk om zijn beslissing aan zijn zwarte, Amerikaanse vader uit te leggen. Toch gebeurd. Die sloot daarop Williams blonde dochtertje in zijn armen, en zei alleen maar: ‘Jij moet doen wij jou goed dunkt.’

‘Er is toch geen sprake van verraad…’, zegt Thomas hardop, vooral tegen zichzelf. Als ‘ex-black’ hoeft hij zijn witte Amerikaanse moeder niet langer te verdonkeremanen, of zich bijna te verontschuldigen tegenover zijn ‘zwarte vrienden’, zoals vroeger wel voorkwam. Hij wijst ook op Barack Obama, die al vroeg in zijn leven volkomen inzette op het Afro-Amerikaan-zijn, ondanks het feit dat Obama zijn zwarte vader amper kende en werd opgevoed door een witte moeder en witte grootouders.

En dan is er nog het zogenoemde colorism, het venijnige systeem van kleuronderscheidingen, oplopend van donker naar licht, dat zwarte en gekleurde mensen onderling hanteren om toch verschil te kunnen maken. Volgens Williams is ook dat ‘huidkleurspel’ niet te vatten in ras of zwart-wit: des te meer reden om ermee te breken.

Het belangrijkste blijft voor hem dat hij eruit is gestapt, dat hij niet meer meedoet, aan die hele, vanzelfsprekende manier van het raciale groepsdenken. Als ik monkel dat zoiets net zo gemakkelijk is voor hem als voor mij, met onze lichte kleur, neemt hij die opmerking volstrekt serieus – al moet hij hetzelfde bezwaar ontelbare keren hebben gehoord.

En dan komt hij met een citaat, dat zowel bij hem als bij mij favoriet is, van de Amerikaanse schrijver Albert Murray: ‘But any fool can see that the white people are not really white, and that black people are not black.’ (Iedere idioot kan zien, dat witte mensen niet werkelijk wit en zwarte mensen niet werkelijk zwart zijn.) En ofschoon Williams onderschrijft hoeveel bewegingen als Black Lives Matter bereikt hebben in korte tijd, en hoezeer er ook tegenwoordig in Europa aandacht is voor kleur en etnisch verschil, meent hij dat de uiteindelijke winst zal tegenvallen.

Want zogenoemde ‘zwarte mensen’ mogen vooral hun opwachting maken als ze hun pijn laten zien, hun onderdrukking en hun slachtofferschap. Het stoort Williams dat bepaalde activisten zo dicht mogelijk tegen de slavernijperiode aan kruipen, niet alleen alsof ze het zelf nog hebben meegemaakt, maar ook alsof dat hun raison d’être zou zijn. En er is zoveel meer te halen uit die Afro-Amerikaanse, Afro- Caribische en Afro-Europese geschiedenis, vindt hij.

De ironie van de geschiedenis wil, dat Thomas Chatterton Williams (vernoemd naar de 18de-eeuwse, Engelse dichter) nooit eerder zo nadrukkelijk bezig is geweest met vraagstukken rond ras als sinds zijn coming-out als ‘ex-black.’ Hij oogstte stormen van kritiek van zwarte zijde, kreeg het soort bijval waarop hij niet zat te wachten van witte zijde, en voelde zich de afgelopen zomer evenzogoed geroepen te protesteren tegen wetgeving in Amerikaanse staten als Tennessee, Iowa en Texas, waar universitaire programma’s als Critical Race Theory (CRT, de studie over witte suprematie en institutioneel racisme) inmiddels zijn getroffen door een verbod.

Williams heeft genoeg bezwaren tegen die kritische theorie in te brengen, maar hij vindt dat hoegenaamd geen zaken waarmee staten of gouverneurs zich moeten bemoeien, maar waar studenten en docenten in alle vrijmoedigheid over moeten discussiëren.

Vandaar deze voorspelling: ook zijn nieuwe boek dat op verschijnen staat Nothing was the Same, over ‘de pandemische zomer van George Floyd’, zal Thomas Chatterton Williams niet bevrijden van die gekleurde, ‘ex-black’-positie.

Meer over