WAAR IS HET GETTO?

Een stuk van de Amsterdamse tuinstad Geuzenveld-Slotermeer – naar ontwerp van de internationaal vermaarde stedenbouwkundige Cor van Eesteren – is uitgeroepen tot openluchtmuseum....

‘Kijk dames en heren, dat vinden wij nou schoonheid.’ Architectuurhistoricus Jeroen Schilt wijst op een rijtje duplexwoningen met een strook gras en wat bomen ervoor. Eenvoudiger kan het bijna niet. ‘Maar wat is daar dan bijzonder aan’, vraagt een van de aanwezigen verbaasd tijdens de rondleiding die Schilt en zijn collega Vincent van Rossem geven door het Amsterdamse stadsdeel Geuzenveld-Slotermeer. ‘Hier zie je beschaving’, zegt Van Rossem. ‘Hier zie je dat we het ruim vijftig jaar geleden belangrijk vonden om ook gewone mensen aan een nette, betaalbare woning en een goede woonomgeving te helpen. Wat je hier ziet is de triomf van het fatsoen.’

De rondleiding gaat door het nieuwe Van Eesterenmuseum, dat zaterdag tijdens de Dag van de Architectuur wordt ‘geopend’. Het stadsdeel heeft een aantal straten aan weerszijden van de Burgemeester De Vlugtlaan tot beschermd stadsgezicht verklaard vanwege de architectonische en stedenbouwkundige waarde. Een boekje met daarin een wandeling door het openluchtmuseum wordt zaterdag gepresenteerd.

In het Van Eesterenmuseum gaat het niet in de eerste plaats om grote architectennamen, al bouwden bijvoorbeeld Aldo van Eyck en Jan Rietveld er bejaardenwoningen, en ontwierp Berghoef er zijn prefabwoningen op basis van het Airey-systeem. ‘Het is de volkshuisvestelijke waarde die hier telt’, zegt Van Rossem, net als Schilt werkzaam bij het Bureau Monumenten en Archeologie van de gemeente Amsterdam. Simpele eengezinswoningen zijn er te zien, een lagere school, bejaardenwoningen, enkele flatgebouwen, een paar twee-onder-een-kapvilla’s, een grote openbare tuin en groen, heel veel groen.

Het gebied dat voor veel Amsterdammers binnen de ring nagenoeg onbekend terrein is, of waarover ze spontaan roepen ‘gooi maar plat’, geldt onder deskundigen als een van de hoogtepunten van de 20ste-eeuwse stedenbouw. Licht, lucht en ruimte vormden de heilige drie-eenheid van het Amsterdams Uitbreidingsplan (AUP), dat onder leiding van Cornelis van Eesteren tussen 1928 en 1934 werd bedacht. De uitbreiding was nodig, omdat de stad uit zijn voegen barstte. De daadwerkelijke aanleg ervan werd vertraagd door de Tweede Wereldoorlog. Het behelsde, van 1950 tot in de jaren zestig, de aanleg van een aantal grote tuinsteden ten westen van de stad om de bevolkingstoename op te vangen.

Van Eesteren maakte daarbij gebruik van de ideeën die voortkwamen uit het socialisme (de emancipatie van de arbeider), het denken over gezondheid (in zijn tijd was tuberculose nog een dodelijke ziekte), en de tuinstadgedachte zoals die al eind 19de eeuw was ontwikkeld door de journalist Ebenezer Howard. Die pleitte voor een combinatie van stedelijke voorzieningen met het gezonde landleven. ‘Van Eesteren wist de utopische ideeën van de modernisten te verbinden met reëel haalbare zaken’, zegt Schilt.

Nieuw was dat Van Eesteren – in tegenstelling tot zijn beroemde voorganger Berlage, die het Plan-Zuid ontwierp – niet de vorm vooropstelde, maar de analyse. ‘Het woord kunst zegt ons niets meer’, verkondigde hij. Aan de hand van surveys, wetenschappelijk onderzoek naar onder andere de bevolkingsgroei, ontstonden de ontwerpen. Sociologie, statistiek, demografie en verkeerskunde werden gebruikt om te bepalen waar de scholen, de winkelcentra, de wegen kwamen en hoe groot ze moesten worden.

In het Van Eesterenmuseum komen alle idealen van de moderne functionele stedenbouw samen. Hier geen gesloten, hoge bouwblokken en smalle straten, zoals ze in de 19de eeuw ontstonden, maar strokenbouw – steeds een rijtje woningen dat aan alle kanten omringd wordt door bomen en planten. Dat kwam doordat Van Eesteren de zaken omdraaide: in de oude stad werden woningen gebouwd en straten aangelegd, waarna werd gekeken of er nog wat ruimte overschoot voor groen. Bij Van Eesteren is het groen minstens zo belangrijk. ‘Dat architectonische gepiel interesseerde hem maar weinig’, zegt Schilt. ‘Als het stedenbouwkundig maar klopte, en als de plattegrond van de woning deugde, dan kwam het vanzelf wel goed volgens hem.’

In de tuinsteden kreeg de volkswoningbouw groene longen. De functies van de stad – wonen, werken, recreatie en verkeer – werden van elkaar gescheiden. Geen arbeider mocht meer wonen in krotten onder de vieze rook van fabrieken. Tuinstad Slotermeer, de eerste van de Westelijke Tuinsteden, werd op 7 oktober 1952 door koningin Juliana geopend. Dresscode voor de plechtigheid: wandelkleding.

Internationaal wordt Van Eesteren op gelijke hoogte gesteld met de Franse architect Le Corbusier, maar ondanks zijn grote reputatie staat zijn meesterwerk, het AUP, onder druk. Sinds een aantal woningcorporaties in 1998 besloot om, samen met de gemeente en de stadsdelen, de Westelijke Tuinsteden aan te pakken, is Van Eesterens schepping niet meer veilig. De corporaties, waarvan een aantal is verenigd in ‘Far West’, trekken tot 2015 een kleine 2 miljard euro uit om Osdorp, Geuzenveld-Slotermeer, Slotervaart en een deel van Bos en Lommer (samen 154 duizend inwoners) aan te pakken. Van de 54 duizend woningen wordt meer dan eenderde gesloopt om plaats te maken voor nieuwbouw. Er komen netto 11 duizend woningen bij.

De huidige zijn, met hun ruimte van soms maar zestig vierkante meter, niet meer aantrekkelijk, vinden de corporaties. Bovendien zijn op veel plaatsen in een wat later stadium van de aanleg van het AUP grote woonblokken gebouwd zonder veel variatie, met slechter materiaal. Vanwege de woningnood moest er flink worden geproduceerd.

Door de immigratie is de bevolkingssamenstelling onevenwichtig geworden. Arme allochtone gezinnen zijn er in de meerderheid vanwege de relatief lage huren, terwijl de hogere sociale klassen vluchten. Het overvloedige groen, dat van iedereen was , is nu van niemand. Rond de openbare tuinen verschijnen steeds meer hekken. Een drastische aanpak is nodig om te voorkomen dat de stadsdelen verder afglijden naar een staat van verloedering, stellen politiek en corporaties, die eerder onder andere het vervallen Mercatorplein en omgeving onder handen namen.

Geuzenveld-Slotermeer, dat de vernieuwing van harte steunt, vecht met het Van Eesterenmuseum – een initiatief van de PvdA in 2003 – ook tegen zijn slechte reputatie. Net erbuiten, maar net zo in het groen, ligt de Marianne Philipsstraat, waar Mohammed B. woonde. Geuzenveld-Slotermeer was ook het stadsdeel van de Tokkies. ‘Wij vinden die slechte naam onterecht’, zucht stadsdeelwethouder Kunst en Cultuur Tys de Ruijter (GroenLinks). ‘Zo erg is het hier echt niet.’ Nog steeds moet hij glimlachen als hij aan die Amerikaanse journalist denkt, die kwam kijken hoe Mohammed B. woonde. ‘Where’s the getto?’ riep hij uit. Dat was er dus niet.

Schilt wijst tijdens de rondwandeling naar de hoge vleugelnootbomen aan de Burgemeester Vening Meineszlaan. ‘Dit heeft in wezen dezelfde kwaliteit als de Apollolaan in Oud-Zuid’, zegt hij. Even verderop ligt een prachtig onderhouden plantentuin, midden in de wijk. Eromheen staan platanen, iepen en populieren. Ook de bejaardenwoningen van Rietveld en Van Eyck liggen midden in het groen.

‘Maar natuurlijk heb je ook klootloze nikswijken in het AUP’, zegt Schilt. ‘In het westelijk deel van Geuzenveld-Slotermeer zijn delen niet goed uit de verf gekomen. Overtoomse Veld was een reststrip en dat is te zien. In Osdorp zie je een zich steeds herhalende verkaveling van wat dorre portiek-etageblokken. Pak die mindere gebieden alsjeblieft aan en zet er wat moois voor in de plaats. Vinden wij ook. Maar als geheel zijn de Westelijke Tuinsteden waardevol. Daar moet je voorzichtig mee zijn. Anders zijn we te laat en kijken we elkaar over 25 jaar aan: wat hebben we in godsnaam gedaan.’

Om dat te voorkomen, maakten Schilt en Van Rossem in 2003, samen met de Dienst Ruimtelijke Ordening, een waarderingskaart van de Westelijke Tuinsteden, waarop wordt aangegeven welke architectonische en stedenbouwkundige kwaliteit zij bezitten. Het gebied dat nu is aangewezen als beschermd stadsgezicht scoort tussen hoge en topkwaliteit. ‘Die kaart werd ons niet in dank afgenomen’, zegt Schilt. ‘Het is één ding dat we ons uitspreken over grachtenpanden, maar dat we ons ook al met naoorlogse gebieden bemoeiden, dat werd echt te gek. Dit zijn stedelijke vernieuwingsgebieden, en daar hadden wij met onze vingers van af te blijven, vonden politiek en corporaties. Ze zien de waarde wel, maar willen ook hun handen vrijhouden.’

Hij zegt dan ook blij verrast te zijn met de daadkracht van het stadsdeel Geuzenveld-Slotermeer. ‘Dat betekent wat hoor, dat ze tegen de corporaties in durven te gaan, dat ze dit tot beschermd gebied hebben verklaard. Bij de corporaties zit tenslotte toch het geld.’ Far West was inderdaad niet blij met het Van Eesterenmuseum, omdat behoud van de bestaande woningen te duur zou worden. Stadsdeelwethouder De Ruijter vindt dat de corporaties wel wat trotser mogen zijn. ‘Het gaat om behoud van cultureel erfgoed. Daarbij mogen financiële overwegingen niet altijd een rol spelen. In Slotermeer gaan we dit jaar de plannen maken voor de stedelijke vernieuwing. Wat dat betreft zijn we inderdaad net op tijd.’

Een stuk westelijker, ongeveer halverwege het stadsdeel, wordt over een week het Parkrandgebouw geopend van architectenbureau MVRDV. Het opvallende gebouw naast het Eendrachtspark, een uitgehold blok met vijf woontorens, biedt de bewoners veel licht, lucht en ruimte. Het is ontworpen door Jacob van Rijn. Hij prijst de flexibiliteit van het AUP. ‘We hebben gewerkt met de uitgangspunten van Van Eesteren, want de afmetingen van de verkaveling in zijn stedenbouwkundig plan deugen nog steeds. Door op deze plek huurwoningen in de vrije sector te bouwen, verleid je mensen om naar deze wijk te komen. Het gaat vooruit daar.’

Meer over