analyse

W.F. Hermans door de lens van Van der Elsken: een ruziezoekende hemelbestormer en ‘1e klas gangster’

Portret van Willem Frederik Hermans op straat (1955) door Ed van der Elsken. Beeld Ed van der Elsken / ANP
Portret van Willem Frederik Hermans op straat (1955) door Ed van der Elsken.Beeld Ed van der Elsken / ANP

Vandaag, 1 september, zou Willem Frederik Hermans 100 jaar zijn geworden. Onlangs doken onbekende foto’s op die Ed van der Elsken van hem had gemaakt. Ze laten zien hoe goed de fotograaf de humeurige schrijver wist te vangen.

Als een 1e klas gangster’, zo manifesteerde Willem Frederik Hermans zich na de Tweede Wereldoorlog in de vaderlandse literatuur. Een ‘vuilschrijver’, ‘een koppensneller’ en ‘een fascist’ werd hij genoemd. Hij zag er niet tegen op om literaire kabouters, epigonen en tweederangs talenten in zijn polemieken te vernietigen. Bovendien schreef hij, met woede en wrok als brandstof, even genadeloos en scherp als ontroerend proza. Hij geselde zijn lezers met de waarheid.

Hermans vond dat hij er in het leven alleen voor stond. Sterker: dat elk mens zit opgesloten in een wereld van moedwil en misverstand, een sadistisch universum waaruit geen ontsnappen mogelijk is. ‘Alle succesvolle auteurs hebben hun publiek gevleid’, schreef hij in het verhaal Het grote medelijden, ‘niet hun slechte humeur op hun lezers losgelaten zoals ik. Wat niet wegneemt dat de mensen me van jongs af aan ook niet mochten als ik goedgehumeurd was.’

En dan volgt de litanie die zijn wereldbeeld samenvat: ‘Scheppend nihilisme, agressief medelijden, totale misantropie.’

Kleinburgerlijk tranendal

Vandaag is het precies honderd jaar geleden dat Willem Frederik Hermans werd geboren. Op 1 september 1921, ’s morgens om 11 uur, in het Diakonessenhuis aan de Overtoom in Amsterdam. ‘De bevalling was lang en moeilijk’, schreef hij in zijn Fotobiografie. ‘Mijn moeder moest wel een maand in het ziekenhuis blijven. Een kostbare geschiedenis, zoals mijn vader mij menigmaal onder het oog heeft gebracht.’

Portret van W.F. Hermans met kat Sebastiaan, Amsterdam (1955) Beeld Ed van der Elsken / Hollandse Hoogte / Nederlands Fotomuseum
Portret van W.F. Hermans met kat Sebastiaan, Amsterdam (1955)Beeld Ed van der Elsken / Hollandse Hoogte / Nederlands Fotomuseum

Wim was het jongste kind van twee al wat oudere onderwijzers. Hij groeide op in een krappe arbeiderswoning in Amsterdam-West. Zijn jeugd was een kleinburgerlijk tranendal, zijn ouders beschouwde hij als halve vreemden. Ze hielden het slimme, gevoelige jongetje eronder. Zijn vader gaf hem een klap voor zijn kop als hij eigenwijs was en stelde zijn oudere zuster Corry, die op school torenhoge cijfers haalde, ten voorbeeld.

Vier dagen na de inval van de Duitsers, op 14 mei 1940, pleegde zijn zuster samen met een oudere neef zelfmoord. ‘Mijn haat tegen mijn ouders veranderde toen in een bijna satanisch te noemen medelijden omdat dit juist hun oudste kind overkwam, die altijd het gewilligste was geweest en waarvan zij grote verwachtingen hadden gekoesterd.’

Kabaal

De oorlog is voor Hermans van cruciaal belang geweest. Tijdens de bezetting hield hij zich vooral afzijdig. ‘Ik las. Ik schreef.’ Maar in zijn werk keert de oorlog telkens terug als decor van extreme omstandigheden waartegen het gedrag en de aard van de mens scherp konden worden verbeeld. ‘Er is maar één werkelijk woord: chaos.’

De publicatie van De tranen der acacia’s, zijn eerste oorlogsroman, waarvan de eerste hoofdstukken in 1946 in Criterium verschenen, veroorzaakten een schok. ‘Het is nauwelijks meer voor te stellen wat een kabaal erover is geweest’, zei hij later in een interview. ‘Iedereen zei: dat is pornografie.’

Hermans wilde expliciete scènes niet schrappen of kuisen en dat zorgde ervoor dat verschillende uitgevers hun handen niet wilden branden aan het boek. Na lang aarzelen durfde Geert van Oorschot het in 1949 aan. De criticus Anton van Duinkerken schreef in De Tijd: ‘Telkens en telkens opnieuw probeert Hermans de zinnelijkheid te prikkelen overeenkomstig de betekenis deezer uitdrukking in het Wetboek van Strafrecht…’

Promovendus Willem Frederik Hermans tijdens de verdediging van zijn proefschrift, bijgestaan door paranimfen Gerard Kornelis van het Reve (links) en Oey Tjeng Sit (rechts), Amsterdam (1955). Beeld Ed van der Elsken / ANP
Promovendus Willem Frederik Hermans tijdens de verdediging van zijn proefschrift, bijgestaan door paranimfen Gerard Kornelis van het Reve (links) en Oey Tjeng Sit (rechts), Amsterdam (1955).Beeld Ed van der Elsken / ANP

‘Nijlpaard met lorgnet’

Toch bracht Hermans’ volgende roman, Ik heb altijd gelijk, hem pas met het strafrecht in aanraking. Nadat het boek in 1951 was verschenen, gelastte de officier van justitie een onderzoek op verdenking van belediging van het katholieke volksdeel. De hoofdpersoon, Lodewijk Stegman, houdt een tirade tegen de katholieken, ‘het meest schunnige, belazerde, onderkruiperige besodemieterde deel van ons volk’. Op 20 maart 1952 werd Hermans, na een beroep op de literatuur, ‘mijn levenswijze en levensmogelijkheid’, door de Amsterdamse arrondissementsrechtbank vrijgesproken.

Ondertussen speelde Hermans voor scherprechter in de letteren. Hij noemde Anton van Duinkerken ‘een wijwatergeus’, Ed Hoornik ‘een likkepot’, zijn voormalige vriend Adriaan Morriën ‘een gekookte mossel’ en J.B. Charles ‘een nijlpaard met een lorgnet’.

De laatste was het lijdend voorwerp van Hermans’ eerste polemische pamflet in de serie Mandarijnen op zwavelzuur. In Het geweten van De Groene Amsterdammer of volg het spoor omhoog maakte hij de kachel aan met Volg het spoor terug, de oorlogsmemoires van J.B. Charles, pseudoniem van W.H. Nagel, oud-verzetsman en raadsheer.

Literair wapengekletter

De criticus H.A. Gomperts vond Hermans’ aanval getuigen van een ‘fascistische mentaliteit’. Hermans liet vervolgens geen mogelijkheid voorbijgaan zonder Gomperts te schofferen. ‘Zodra ik vind dat mijn naam weer eens in de krant moet komen, trap ik op Gomperts, niet uit kwaadaardigheid, maar zoals een trambestuurder trapt op zijn bel.’

In de luwte van het literaire wapengekletter maakte Hermans carrière in de wetenschap. Anders dan de Andere Twee van de zogeheten Grote Drie, was Hermans een echte geleerde. Gerard Kornelis van het Reve en Harry Mulisch waren autodidact.

Op 6 juli 1955 promoveerde fysisch-geograaf drs. W.F. Hermans cum laude in de wis- en natuurkunde aan de Universiteit van Amsterdam op het proefschrift Description et genèse des dépôts meubles de surface et du relief de l’Oesling. Zijn paranimfen waren Gerard Kornelis van het Reve en Oey Tjeng Sit, tekenaar en apotheker.

Literaire bijeenkomst, maart 1981. W.F. Hermans (links vooraan) met zijn fotograaf Ed van der Elsken (met baard). In het midden schrijver en dichter Simon Vinkenoog. Linksachter uitgever Geert Lubberhuizen.
 Beeld Bert Verhoeff / ANP
Literaire bijeenkomst, maart 1981. W.F. Hermans (links vooraan) met zijn fotograaf Ed van der Elsken (met baard). In het midden schrijver en dichter Simon Vinkenoog. Linksachter uitgever Geert Lubberhuizen.Beeld Bert Verhoeff / ANP

Eenmansguerrilla

Binnen de muren van de universiteit had Willem Frederik Hermans geen echte vrienden. Erbuiten ook niet. Hermans en Reve trokken een tijdje samen op. Ze gaven de literatuur een tintelend gevoel van avontuur en boosaardige humor. Maar op 20 februari 1959 zei Hermans Reve de vriendschap op: ‘Hoe onbegrensd mijn medelijden ook moge wezen, mijn tijd is niet onbegrensd. Daarom is in ongenade laten vallen wel het meest geschikte middel om van het gezeur af te komen. Dat overkomt jou dus bij dezen.’

Niemand heeft Willem Frederik Hermans’ eenmansguerrilla beter in beeld gebracht dan Ed van der Elsken. De eerste keer dat schrijver en fotograaf elkaar ontmoetten, was bij Hermans’ promotie. Van der Elsken was meegekomen met journalist Jan Vrijman, die een portret van de gevreesde auteur voorbereidde voor Vrij Nederland.

Onlangs doken meer foto’s van de promotie op, zodat nu niet alleen te zien is hoe de promovendus en zijn paranimfen (‘paardennimfklieren’ genoemd door Van der Elsken, tot ergernis van Hermans) op het ‘hora est’ stonden te wachten alsof zij voor het vuurpeloton stonden, maar ook hoe de hooggeleerde leden van promotiecommissie eruitzagen en vader (met snor) en moeder (met hoedje) in de rij staan om hun zoon te feliciteren.

Fanatieke fotograaf

Van der Elsken was net terug in Nederland. Hij woonde tussen 1950 en 1954 in Parijs, wat zou leiden tot de uitgave van het rauw-romantische fotoboek Een liefdesgeschiedenis in Saint-Germain-des-Prés. Hermans, die zelf fanatiek fotografeerde, ‘mijn grootste ongeluk is dat ik niet als een fototoestel ter wereld gekomen ben en dat ik niet met licht kan schrijven als een fototoestel’, raakte op dat boek niet uitgekeken.

In de zomer van 1955 fotografeerde Van der Elsken Hermans op straat in Amsterdam, voor een bioscoop waar een film draaide over ‘een 1e klas gangster’, en zocht hem samen met Jan Vrijman op in Groningen, waar Hermans in 1952 door de universiteit ter plaatse was aangenomen als onderwijsassistent.

Daar, aan de Spilsluizen 17a, betrok Hermans met zijn vrouw Emmy zijn eerste fatsoenlijke woning. Hij schreef er zijn beste romans, De donkere kamer van Damokles en Nooit meer slapen, die hem niet alleen berucht, maar ook beroemd en succesvol maakten. In Groningen raakte Hermans gefrustreerd in de wetenschap. In 1973 nam hij ontslag en vertrok naar Parijs. Naar Groningen keerde hij nooit terug. Behalve op papier. Op de stad en zijn academische collega’s nam hij wraak in Onder professoren.

Treffend en ironisch

De foto’s die Ed van der Elsken van de schrijver nam zijn niet alleen zeer treffend, maar ook ironisch. De fotograaf liet Hermans poseren voor een etalageruit met de tekst: ‘Er is maar 1 Groninger’.

Van eenzelfde dubbelzinnigheid is het contactvel uit het archief van Van der Elsken waarop Hermans te zien is in Duits legeruniform, inclusief pet met adelaar en swastika. De schrijver trekt steeds gekkere bekken: wangen opblazen, tong uitsteken, bolle ogen. Deze uit de hand gelopen sessie vond plaats toen Van der Elsken in 1962 werkte als camera-assistent en still-fotograaf voor Als twee druppels water, de verfilming die Fons Rademakers maakte van De donkere kamer van Damokles.

Het statigste portret van Hermans in Duits uniform werd in de film gebruikt als grap, maar knipoogt óók naar de beschuldigingen van fascisme. De foto duikt op uit de portefeuille van een vermoorde Jeugdstormleidster, samen met portretten van drie andere nazi’s voor wie cameraman Raoul Coutard, geldschieter Freddy Heineken en Harry Mulisch poseerden.

Legendarische hekel

Mulisch’ vriendin Ineke Verwayen speelde in Als twee druppels water de ‘moffenhoer’, en hij had daarom een kijkje op de set genomen. De hekel die Hermans aan Mulisch had was legendarisch, maar daar trok de laatste zich niets van aan. ‘Ach’, zei Mulisch ooit tegen mij, ‘Hermans had vooral ruzie met zichzelf.’

Hermans wilde niet alleen de beste schrijver zijn, hij wilde de enige zijn. Zijn totale misantropie, de giftige overtuiging dat het leven gedoemd was te mislukken, maakte het beste als schrijver in hem los, maar hield hem gevangen in eenzaamheid. ‘Ik verlang naar niets dat voorbij is terug. Als er een hiernamaals zou bestaan, zou ik niet weten wie ik daar terug zou willen zien.’

Tussen paranimfen. Alle 27 foto’s die Ed van der Elsken maakte van de promotie van Willem Frederik Hermans op 6 juli 1955. Tekst Bob Polak, vormgeving Piet Schreuders. Statenhofpers, 88 bladzijden. € 150,- (reguliere editie); € 600,- (luxe editie).

Een ongelukkige liefde

Ed van der Elsken fotografeerde Willem Frederik Hermans in Groningen met zijn katten Bellapoes, Cals en Sebastiaan. ‘De liefde tot katten is zo mooi, doordat het eigenlijk een ongelukkige liefde is’, schreef Hermans. ‘Wie durft uit het diepst van zijn gemoed te verklaren dat zijn kat hem bemint? Ik denk dat katten vooral tot liefdesobject worden uitgekozen door hen die een afkeer hebben van allemansvriendinnen.’

Meer over