Vrouw in strandpyjama, man liefst poedelnaakt

Het Muzee in Scheveningen toont evolutie van badmode én badplaats. De bikini moest door een trouwring kunnen...

Van onze verslaggeefster Anneke Stoffelen

DEN HAAG ‘Er zijn weinig onderdeelen van het toilet, waarbij zoo hevig gezondigd wordt tegen de eenvoudigste begrippen van goeden smaak als juist bij het badpak’, zo fulmineerde de Libelle in 1934 tegen de modeshow van strandkleding die de Bijenkorf organiseerde in het Palace Hotel in Scheveningen. Het damesblad moest niets van hebben van de Tweka-badpakken, die in de jaren dertig het lichaam steeds strakker omsloten en almaar dieper werden uitgesneden.

Het Muzee, dat vorig jaar is ontstaan uit een fusie van Museum Scheveningen en het Zeemuseum, laat in de tentoonstelling Pootjebaden & Beachlife zien hoe de badmode zich de afgelopen twee eeuwen bewoog tussen volledig lichaamsbedekkende kostuums en niets verhullende strings. Tegelijkertijd geeft de expositie een beeld van Scheveningen, dat over diezelfde periode veranderde van een mondain kuuroord voor de elite in een massabadplaats vol fastfoodketens.

Vertrekpunt van de tentoonstelling is het jaar 1818. ‘In dat jaar bouwt Jacob Pronk een houten badhuis op de plek waar nu het Kurhaus staat’, zegt Paul de Kievit, directeur van Muzee. ‘Dat is het begin van Scheveningen als badplaats. Pronk had op zijn reizen naar Engeland de kuuroorden daar gezien en wilde zoiets ook in Nederland.’ De welgestelde gasten van het badhuis werden met een koets de zee in gereden, zodat zij zonder pottenkijkers konden zwemmen. Want hoewel de evolutie van de badmode later vooral een verhaal zou worden van afnemende hoeveelheden stof, zwommen mannen begin negentiende eeuw nog poedelnaakt. Vrouwen droegen brede lange hemden.

De gemeente Den Haag maakte in 1819 een einde aan het naturisme en verordonneerde dat ‘er in open zee niet gebaad zal worden dan met zogenaamde zwembroeken’.

De eerste echte badkostuums voor dames bestonden halverwege de negentiende eeuw uit enkellange broeken, gecombineerd met een tuniek met lange mouwen. Naarmate de jaren vorderden werden de pijpen korter en kwamen er badpakken uit één stuk. Er is in het Muzee bijvoorbeeld een vaalrood katoenen pakje van rond 1900 te zien dat tot de knieën reikt. De print met de cijfers 186 zou er volgens de tentoonstellingsmakers op kunnen duiden dat het badpak werd verhuurd.

Mannen gingen in die tijd meestal in zee in het zogeheten Sing Sing badpak, dat met zijn zwarte en witte strepen wat doet denken aan een gevangenispak, maar dan strak en met pijpen tot aan de knie.

In de loop van de twintigste eeuw wordt ook het badpak voor vrouwen steeds strakker en minimaler. Aanvankelijk moesten strandpyjama’s het fatsoen bewaren voor de tijd die buiten het water werd doorgebracht. Later werd een bruine teint een doel op zich en gingen ook op het strand de kleren uit. Een pop gekleed in een okergeel met blauw gestreept wollen setje bewijst dat fabrikant Tweka (dat staat voor twee K’s: Kwaliteit en Kleurecht) zich in 1946 al bewust was van de komst van het ‘tweedelig badpak’. De grote broek met pijpjes voldeed niet aan de eisen die de Franse ontwerper Louis Régard stelde aan wat datzelfde jaar een mijlpaal in de geschiedenis van de badmode zou worden: de bikini. Volgens Régard mocht de bikini slechts 45 centimeter materiaal omvatten en moest het kledingstuk door een trouwring gehaald kunnen worden.

De eerste jaren was de bikini een rebels kledingstuk. Uit de Libelle van 1951: ‘Als u dan per se wilt opvallen doe het dan op een andere manier dan juist met een gewaagd lage halsuitsnijding of extra korte shorts. Het is zo’n goedkoop middel en volkomen in strijd met de goede smaak.’

Toch zou de bikini de navolgende decennia een blijvertje blijken. In imitatie-kroko, van oranje velours met gouden bandjes, in camouflageprint, de vele ontwerpen die het Muzee laat zien zijn in de kern toch allemaal variaties op het door Régard bedachte thema: vier aan elkaar genaaide driehoekjes stof.

Meer over