Voortreffelijke bedden in België

Johanna Schopenhauer is opgetogen over de mensen in de Maasvallei. 'De weldadige invloed die de algemene liefde voor netheid in dit land op de lichaamsbouw en de gezondheid van haar bewoners heeft, is heel duidelijk waarneembaar....

Dit staat in Een vrouw op reis - België anno 1828 volgens Johanna Schopenhauer, uitgegeven door het Davidsfonds in Leuven. Het fraai geillustreerde boek (Bfr 895) bevat de vertaling, door Anke Gilleir, van het in 1831 in Duitsland verschenen verhaal van de weduwe Schopenhauer over haar reis in 1828 door België .

Johanna Schopenhauer was de moeder van Arthur Schopenhauer. Die werd later na de dood van zijn moeder een beroemd filosoof, terwijl Johanna in de vergetelheid raakte. Maar rond 1830 was de situatie omgekeerd. Schopenhauer had toen al wel Die Welt als Wille und Vorstellung geschreven, maar bijna niemand was daarin geïnteresseerd. Zijn moeder was echter door haar romans en reisverhalen een bekend persoon geworden.

In het huis van Johanna Schopenhauer in Weimar verkeerden geleerden en dichters, onder wie Goethe. Die stond in 1806 samen met Christiane Vulpius, met wie hij sedert 1788 samenwoonde, voor haar deur en deelde mee dat ze zojuist waren getrouwd. 'Ik dacht bij mezelf, als hij haar zijn naam geeft, dan kan ik haar wel een kopje thee geven.' Dit is een van de meest bekende uitspraken van Johanna Schopenhauer die ook in dit boek niet ontbreekt. Goethe was haar dankbaar, want in Weimar met zijn rangen en standen werd de arme Vulpius vaak genegeerd.

Uit Johanna's reisverslag blijkt een brede belangstelling. Vrijwel alles komt ter sprake; de mensen, de natuur, de steden, de kerken, de kunst en zelfs de hotels waar wordt overnacht. 'Alles was slecht in dit huis behalve de bedden, die overal in België zo voortreffelijk zijn als een vermoeide reiziger maar kan wensen.'

Tot de bezochte steden behoort Brussel, 'een van de mooiste steden die ik ooit heb gezien'. Ze raakt onder de indruk van de vrouwen. 'Het is een waar plezier om de elegante Brusselse vrouwen met hun keurig geschoeide voetjes door de straten te zien schrijden, lichtvoetig en met een behendigheid die zelfs de beroemde Parijse dames niet aan de dag leggen.' Johanna Schopenhauer schreef haar verslag na de Brusselse opstand tegen het Hollandse gezag in 1830. Ze begreep er niets van, 'want alleen een waanzinnige kan met eigen hand de fakkel in het huis gooien waarin het hem zo goed ging, alleen om niet langer met de afstotelijke en gehate buurman muur aan muur te moeten samenleven'.

Jan Luijten

Meer over