Voortgedreven door liefde

WIE HEM een keer in de zoveel tijd op de Duitse televisie bezig ziet, in het comfortabel om hem heen gedrapeerde programma Literarisches Quartett - vier gemakkelijke stoelen in een halve cirkel, devoot kerkvolk in de schemering er omheen -, krijgt al gauw de indruk dat de Grote Gevoelens zich...

Maar wie zijn jongste boek leest, zijn autobiografie die de ondubbelzinnige en ook wel enigszins schaamteloze titel Mein Leben draagt, weet het al na enkele bladzijden zeker: hier is iemand aan het woord die kan liefhebben, met hoofdletter, schaamteloos, vrijmoedig en ongeremd. Zo ijdel als die malle kwiebus met dat rare hoofd, die altijd iets te luid en nadrukkelijk articulerend sprekende Duitser, ook zijn mag, hij wordt voortgedreven door een liefde die alle verstand te boven gaat. Die zelfingenomendheid, die slonzige pakken, die goedkope dassen die bovendien ook nog scheef zitten en afzakken, dat voortdurend gelijkhebberige hameren met zijn hand op de armleuning van zijn fauteuil als hij weer eens zijn gesprekspartners tot zijn inzichten wil bekeren: je gunt het hem ineens allemaal.

Ik heb het over Marcel Reich-Ranicki, de Duits-Poolse jood, die voor het ZDF vanaf 1988 het literaire discussie-programma Literarisches Quartett verzorgt. Met twee vaste meelezers en een telkens wisselende gast neemt hij ieder seizoen de top van de literaire productie door, gevestigde reputaties vernietigend en even gemakkelijk nieuwe literaire carrières stichtend. Er loopt geen schrijver in Duitsland rond of hij is bereid je besmuikt te vertellen hoe een grondige afkeer hij van deze luid blaffende bulldog heeft, maar het Duitse lezerspubliek draagt hem op handen en beschouwt hem als zijn leidsman. Zij lezen wat hij looft, zij laten wat hij laakt links liggen.

Op het eerste gezicht - en eigenlijk ook op het tweede - heeft hij een uitzonderlijk gespannen verhouding met de Duitse literatuur, de Duitse cultuur in het algemeen, Duitsers in het bijzonder en wel heel speciaal met Duitsland en zijn geschiedenis. Tussen hem en zijn publiek, tussen hem en zijn onderwerp, tussen hem en zijn adoptief-vaderland ligt een berg lijken zo hoog als een wolkenkrabber en er is geen mens die dat niet altijd weet wanneer hij aan het woord is of in beeld komt. In de openhartige en onopgesmukt direct geschreven hoofdstukken van Mein Leben waarin de periode 1933-1945 wordt doorgenomen, komen een aantal keren de mogelijkheden aan de orde die hij afwoog om in het heetst van de strijd uit het getto van Warschau te verdwijnen en onder te duiken.

Dat viel niet mee, zegt Reich-Ranicki dan, want er was geen vermommen aan, met zijn kop, zijn manier van praten, zijn manier van bewegen. Het is alsof hij ze sart, zijn huidige Duitse lezers, door moedwillig te poseren als de karikatuur van een Poolse jood - de karikatuur die zij zich nog zo goed herinneren.

Het is ook niet niks, uit Warschau komen, in de jaren dertig met hart en ziel opgaan in het Duitse theater, de Duitse muziek, de Duitse literatuur en de Duitse taal en vervolgens door die aanbeden Duitse cultuur afgewezen worden, verbannen naar de bodem van de hel - en dan ook nog Reich heten, tijdens de bloeiperiode van het Derde Reich, met het 'heim ins Reich' en de duizendjarige duur ervan op alle krantenpagina's, want dat 'Ranicki' kwam er pas later bij, na de oorlog. En dan ze vijftig jaar na de Kristallnacht, de Reichspogromsnacht zoals ze tegenwoordig heet, als alle schaamte, verdriet en zelfbeschuldiging de publieke ruimte zijn gaan zoeken, doodgemoedereerd vanaf het scherm de les gaan lezen over de manier waarop ze met hun taal, hun verbeelding, hun herinneringen en hun literatuur omgaan.

Daar is een aanzienlijk gebrek aan gêne voor nodig - en een nog aanzienlijkere moed.

En liefde.

Over die liefde gaat Mein Leben en dat is meteen de uitzonderlijke kracht van Reich-Ranicki's boek. Iets meer dan de helft ervan beslaat de periode tot en met de bevrijding, die Reich-Ranicki samen met zijn vrouw begroette in de gestalte van een Russisch-joodse soldaat, in het huisje van een Poolse typograaf, aan de rand van Warschau. Het is de eerste kwarteeuw van zijn leven en de periode waarin zijn passie voor Duitsland geboren wordt, en onmatig wordt gevoed door zijn 'Reichsdeutsche' moeder en door zijn gymnasiumjaren in Berlijn. Duitsland is de norm, de burgerlijke cultuur van het Wilhelminische Berlijn, met zijn concert- en theaterbezoek, met zijn kranten en zijn levendige literatuur, het ideaal, ook al doet die cultuur zich aan hem voor in de gestalte van de getourmenteerde Weimar-tijd.

Het is ook de periode waarin datzelfde geïdealiseerde Duitsland hem begint te treiteren als gymnasiast met een dubbele inferieure achtergrond - Pools én joods: kon het erger? -, hem terugdrijft Polen in, hem uiteindelijk opsluit in het almaar enger wordende getto van Warschau. Hij ziet er alles wat hem lief was afkalven en verkruimelen en allen die hem lief waren verdwijnen - de boeken worden tot een barricade tegen het geweld, de symfonie-orkesten die er aanvankelijk nog waren, dunnen uit tot kamerorkesten, worden teruggebracht tot solisten die hij even later ziet afmarcheren naar de Umschlagplatz, zijn ouders en zijn broer incluis, enkele reis Treblinka.

Hij schrijft erover zoals hij over de boeken van zijn voorkeur of afkeer spreekt en schrijft, dwingend, constaterend en feitelijk, met weinig geduld voor tegenspraak. Hij houdt niet van halve waarheden, hij houdt niet van onuitgewerkte suggesties - dus gas is gas en moord is moord. Dat maakt zijn rapport uit het getto zo hard en koud als glas, maar ook net zo helder. Die helderheid en dat gebrek aan sentimentaliteit missen hun uitwerking niet. Maar het staat in een context en, als was het om ons ervoor te behoeden dat ook maar een moment te vergeten, het belang van die context wordt ons telkens onder de neus gewreven. Dat is de context van de grote Duitse cultuur, van alles wat de Duitsers de wereld hebben geschonken - aan muziek, theater en, vooral, aan literatuur.

Het is soms op het onredelijke af, wanneer hij de Duitsers en hun cultuur in bescherming wil nemen tegen wat ze in de periode 1933-1945 hebben aangericht, ook hem hebben aangedaan. En een enkele keer gaat hij over de schreef: tot driemaal toe benoemt hij de soldaten die als kwelduivels door het getto trokken: 'Letten, Litouwers en Oekraïeners'.

't Is alsof hij nog altijd niet verdragen kan dat het precies diezelfde Duitsers waren die hij zo bewonderde. Als hij dan toch nog oog in oog komt te staan met Duitsers van onvervalste signatuur en onverdund Arisch bloed komt het deste harder aan.

Mein Leben had een afrekening kunnen zijn - en wie zou het hem kwalijk hebben genomen? Maar het is het verslag van een overwinning. Het is zonder enige reserve vanuit het heden geschreven, vanuit de positie die Marcel Reich-Ranicki vandaag de dag inneemt. Hij poseert ermee en hij drijft er de spot mee en hij doet dat met zoveel zichtbaar plezier dat je hem de ijdele ondertoon van dat autobiografische perspectief meteen vergeeft. Sloeg hij op de lagere school een klas over omdat hij al had leren lezen, maar deed zich een complicatie voor doordat hij nog niet had leren schrijven? Hij speelt de bal meteen en commentarieert lustig: 'Sommige Duitse schrijvers zullen van mening zijn dat ik nog altijd niet. . .'

Leert hij de literatuur kennen en heeft hij als puber een voorkeur voor boeken die hem meeslepen, hij mist zijn kans niet en schrijft meteen 'nog altijd ben ik van mening. . .' Het was liefde op het eerste gezicht, en dat zullen we weten ook. Waag het niet het voorwerp van zijn liefde te relativeren: hij weet waar hij het over heeft.

En dat is de tweede grote kwaliteit van Mein Leben, want hij weet inderdaad waar hij het over heeft - doordat hij de Duitse literatuur (én het Duitse theater, én de Duitse muziek: dat mag ook wel eens gezegd) als weinig anderen kent. Hij is haar door dik en dun trouw gebleven en getuigt van die trouw: toen hij in 1958, als man van middelbare leeftijd, Warschau verliet en zich in Duitsland vestigde, werd hij meteen een criticus van gezag. Zijn Literarisches Quartett begon hij ruimschoots na zijn pensionering, namelijk toen hij al 68 was.

Die trouw uit zich in alle hoofdstukken, op alle pagina's. Reich-Ranicki is zijn hele Leben in gesprek met de literatuur; hij citeert en verwijst dat het een lieve lust is. Wie zijn boek leest, legt na verloop van tijd een massieve bloemlezing uit de Duitse poëzie naast zich neer en wandelt telkens naar zijn kast met platen en cd's. Want zijn enthousiasme, zijn bewondering en zijn ontroering zijn niet alleen mateloos, ze zijn vooral ook aanstekelijk. Reich-Ranicki heeft recht van spreken: het is immers de vijand die hij een hand reikt.

Uit liefde.

Mooier is er niet.

Meer over