Vooral doen wat niet wordt gevraagd

Een kleine filmkamer is de enige ruimte in de tentoonstelling Niet beschreven ruimte waar architect Koen van Velsen zichzelf laat zien....

Koen van Velsen (1952) is een zoeker. Al zo lang hij architect is, verlegt hij gestaag zijn grenzen. Dat leverde hem vele prijzen op, zoals de Rietveldprijs, de Mart Stamprijs en de BNA- kubus. Bovendien heeft hij Nederland verrijkt met een aantal spannende, gewaagde bouwwerken, die steevast tegenstrijdige reacties oproepen: de Bibliotheek van Zeewolde, in Amsterdam de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten en de Film- en Televisie-academie, en in Rotterdam die grote witte Pathé-bioscoop midden op het Schouwburgplein.

Het begin van zijn loopbaan is tekenend. In 1978 wist hij een bescheiden opdracht voor het ontwerpen van een open haard te veranderen in een opdracht voor een hele woning. Ook het ontwerpen van zijn eigen woonhuis (1981) diende voornamelijk om te experimenteren, en nauwelijks voor het verkrijgen van wooncomfort. Midden in de Hilversumse binnenstad moest dit huis als ‘een wandeling van donker naar licht’ zijn en, inderdaad, naarmate je er trappen beklimt, worden de etages opener en lichter. Dat vestigde zijn naam als veelbelovend architect. Zijn bureau bestaat nu dertig jaar: aanleiding voor deze tentoonstelling in Hilversum, zijn geboortestad waar hij nog woont en werkt.

Tevreden
Toen Van Velsen begon, stond architectuur op een laag pitje: architecten waren vaak al tevreden als hun gebouwen praktisch waren. Zíjn generatie bracht daar verandering in. Van Velsen vindt dat architecten vooral moeten doen wat niet wordt gevraagd. Hans Ibelings, van wiens hand in december een monografie over Van Velsen verschijnt, formuleert het op de tentoonstelling zo: ‘Belangrijker dan het onderbrengen van (...) welomschreven functies, zijn voor hem de sfeer en ambiance in en om een bouwwerk, de wijze waarop vormen, ruimte, materiaal en kleur het gebruik ondersteunen.’ Vandaar de naam van de expositie: ‘Niet beschreven ruimte.’

De tentoonstelling verduidelijkt wat daarmee wordt bedoeld. Vooral de jongste gebouwen van Van Velsen zijn vormlustig en ruimtelijk, met vides over vele etages. Hij schroomt zelfs niet om bomen dwars door gaten in daken te leiden; zowel bij een woonhuis in Amsterdam als bij het Commissariaat voor de Media in Hilversum. Materiaal en kleurgebruik krijgen exceptionele aandacht. Een kantoor in het Gooi werd bekleed met goudkeurige tegels en voor het Kenniscentrum aan de TU Eindhoven is een zilverkleurige baksteen ontwikkeld, als contrast met veel hout.

Er is een voorbehoud: dit is het beeld dat de tentoonstelling oproept. Een eenzijdig beeld, gebaseerd op gestileerde foto’s, geselecteerd door Van Velsen zelf. De lange zoektocht van deze architect wordt nauwelijks belicht. Die was in werkelijkheid vaak moeizaam en juist daarom interessant. Toen hij begon waren er zelfs nauwelijks mooie bouwmaterialen beschikbaar. Ook Van Velsen heeft vaak armoedige gebouwen gemaakt, of modieuze experimenten verricht die snel gedateerd waren, zoals een scheve flat in Haarlem.

Juichen
Minder geslaagd werk is niet alleen geweerd, ook wordt gesuggereerd dat hij alleen perfecte gebouwen levert. De begeleidende teksten juichen: ‘Hij ontkomt aan zijn eigen vooringenomenheden door zich bewust open te stellen voor alle vormen en materialen en door vrij te denken en te werken.’ Andersoortig commentaar is er slechts één keer: bij foto’s van de Pathé-bioscoop die vlak voor de oplevering van eigenaar wisselde. Hoewel de foto prachtig is, ziet het bouwwerk er in werkelijkheid verlopen uit. Maar hier zegt de toelichting tenminste wel iets over de worsteling die Van Velzen eigenlijk steeds doormaakt en die wellicht zijn grootste kracht is: ‘Dit heeft ertoe geleid dat hij sindsdien gebouwen ontwerpt die ook zonder goede wil van de eigenaar de stad geen pijn doen.’

Meer over