BOEKRECENSIEVerzameld werk & Roemeense gedichten

Voor wie is getroffen door corona-eenzaamheid: lees Paul Celan, hij reikt je de hand ★★★★★

Zijn leven was vol desillusies, zijn dood zelfgekozen. In zijn vijftigste sterfjaar is het prachtige dichtwerk van Paul Celan eindelijk weer volop in het Nederlands te krijgen. Een aanwinst.

null Beeld Tzenko
Beeld Tzenko

Tijdens de eerste lockdown belandde er een ouderwets spelletje in mijn mailbox: een kettingbrief. De verzender verzocht mij een gedicht te versturen aan mensen die ik niet kende. Ik besloot een van mijn favoriete gedichten van Paul Celan te sturen. ‘Corona’, toepasselijker kon haast niet. De onbekende ontvanger las de openingsregels: ‘De herfst vreet zijn blad uit mijn hand: we zijn vrienden./ We kraken de tijd uit de noten en leren hem lopen:/ de tijd keert terug in de dop.’ En niet veel later: ‘we wisselen duistere woorden,/ we beminnen elkaar als roes en memorie’.

Oorspronkelijk was het gedicht gericht aan Ingeborg Bachmann, met wie Celan een waanzinnige, kortstondige liefdesrelatie had. Maar de tijd doet rare dingen met de poëzie. Wat moet de ontvanger niet hebben gedacht, toen een onbekende afzender midden in de coronacrisis een gedicht stuurde dat spreekt over vriendschap en beminnen en dat eindigt met ‘het is tijd’?

Dit jaar is het vijftig jaar geleden dat Paul Celan van de Pont Mirabeau in Parijs in het grijsgroene water van de Seine sprong. Wie op de rug van een van de elegante leuningen van de brug kijkt, ziet er, naast een bericht van ene Michael die Mina liefheeft (je t’aime!), ook: ‘Paul Celan, 20 avril 1970’. Vijftig jaar voor die zelfgekozen dood werd Paul Antschel – want dat is zijn echte naam – geboren in Czernowitz, een voormalig Habsburgs stadje in de Boekovina, het ‘land van de beuken’. Eerst Habsburgs, daarna Roemeens en nu Oekraïens vormt die streek een van de brandpunten van de recente Europese geschiedenis.

Hetzelfde kan worden gezegd van het werk van Celan. Hij zou uitgroeien tot een van de grootste naoorlogse Europese dichters. Menig oeuvre zou er totaal anders uit hebben gezien, had Celan niet bestaan. De verzen van Stefan Hertmans vormen bijvoorbeeld een onophoudelijke dialoog met die van Celan. Of neem Joodse gedichten, de recente bundel van Nachoem Wijnberg, waarin een intrigerend gedicht is gewijd aan de Boekoviners.

Nu is eindelijk weer zo’n beetje het gehele dichtwerk van Celan in Nederlandse vertaling beschikbaar. Ton Naaijkens heeft zijn eerdere vertaling van de Verzamelde gedichten, die in 2003 bij Meulenhoff verscheen als een heilig boek met dubbel leeslint, volledig herzien. Niet bepaald een klusje dat je op een achtermiddag doet. Jan H. Mysjkin zorgde samen met het PoëzieCentrum in Gent voor een nieuwe uitgave van Celans Roemeense gedichten. Samen maken ze het mogelijk om de ontwikkeling van Celan als kunstenaar te volgen – van het vroege surrealisme tot aan de latere, steeds donkerder gedichten.

De taal wantrouwen

De dichter koos ervoor om in het Duits te schrijven, zijn moedertaal, die tevens de taal van de nazi’s was. Als geen ander was hij zich ervan bewust dat die taal niet meer kon klinken zoals die voor de oorlog had geklonken. Hij wilde haar van binnenuit omvormen. Al het mooie in haar moest worden gewantrouwd. De taal moest nuchter, feitelijk en bovenal precies zijn. Des te opmerkelijker is het dat zijn vroege werk deels in het Roemeens is geschreven. En dat zijn beroemdste gedicht, ‘Todesfuge’, eerst in Roemeense vertaling verscheen als ‘Tangoul Mortii’ (een tango!) en pas later in het Duitse origineel.

Eind 1945 vluchtte Celan vanuit Czernowitz naar Boekarest. Eerder was hij tewerkgesteld in een Roemeens kamp dat onder druk van de Sovjets in 1944 werd opgeheven. Zijn ouders waren in 1942 om het leven gekomen in een concentratiekamp. Bij de korte terugkeer naar zijn geboortestad ontdekte hij dat hij er niets meer had. In Boekarest kwam hij daarentegen al snel in de literaire wereld terecht. Hij was actief als lector en vertaler (onder andere vanuit het Russisch) en nam deel aan literaire salons. Zijn vrienden waren onder de indruk van zijn poëzie en vertaalden enkele Duitse gedichten in het Roemeens.

Zelf begon Celan ook te dichten in die taal, die in zekere zin onbesmet was. Écriture automatique en droomprotocollen behoorden tot het materiaal waaruit hij putte. ‘Geloven: uit de aarde schiet nog een arm op, getwijnd uit stiltes’, lezen we in een van de Roemeense gedichten. Het is onmiskenbaar surrealistische beeldtaal. In hetzelfde gedicht is ook de latere Celan al te zien, met de kenmerkende neologismen: ‘Het gras van je ogen, bitter gras./ De wind waait erover, wassen ooglid.// Het water van je ogen, schuldverschoond water.’ Het is jammer dat de Duitse gedichten uit die tijd niet in de bundeling zijn opgenomen. Dan was het waarschijnlijk nog makkelijker geweest om de correspondenties met zijn latere werk aan te wijzen.

Naast automatisch schrijven en het gebruik van droommateriaal was er nog een procedé dat Celan en zijn vrienden veelvuldig hanteerden. In een spel van vraag en antwoord probeert iemand een zo origineel mogelijk beeld op een gestelde vraag te geven. ‘Wat is de eenzaamheid van de dichter?’, is zo’n vraag. Het antwoord: ‘Een diepe slaap in een bos van rotte beuken.’ ‘Wat is een nieuw jaar?’, is een andere, waarop het antwoord luidt: ‘Een circusnummer dat niet op het programma staat.’ Het is een training in dichterlijk denken.

Dicht bij het origineel

Vanuit Boekarest vluchtte Celan naar Wenen, waar hij niet kon aarden, en belandde uiteindelijk in Parijs. Daar werd hij de dichter die we nu kennen. Notoir onvertaalbaar en hermetisch bovendien, volgens sommige lezers. Dankzij het werk van Ton Naaijkens is er nu een herziene versie die heel dicht bij het origineel komt. de vertaler voorheen soms zelf celanische neologismen creëerde in het Nederlands, heeft hij die nu juist weggelaten: ‘die Halme der Nacht’ werd eerst vertaald als ‘nachthalmen’ en nu als ‘halmen van de nacht’; ‘den blauen Scherben’ werd in de vorige versie ‘de blauwscherf’ en nu gelukkig ‘de blauwe scherf’.

Gebruikte Naaijkens in zijn eerste vertaling van de vroege bundels geregeld een afbreekstreepje (iets waarmee Celan pas vanaf zijn derde bundel begint), nu heeft hij dat hersteld. Het zal niet eenvoudig zijn om de vroege bundels te vertalen zonder de latere in gedachten te hebben. Naaijkens laat zien dat het wel mogelijk is. En hij trekt juist lijnen naar het latere werk. Zo is Gedächtnis een belangrijk woord in Celans oeuvre. Het is afkomstig uit ‘Corona’ en uit de titel van zijn eerste bundel, en duikt ook op in latere gedichten. In de eerdere vertaling koos Naaijkens soms voor ‘geheugenis’, maar in de nieuwe versie steevast voor ‘memorie’. Op die manier herinnert het woord in de latere gedichten zelf weer aan het eerdere werk.

Precieze taal

De taal moet precies zijn, schreef de dichter. Naaijkens knoopte het in z’n oren en ging opnieuw aan de slag. Zelfs ‘Fuga van de dood’ – het gedicht waarover dit jaar een heuse biografie verscheen – is aangescherpt. ‘Goudgeel’ haar werd ‘goudblond’ en ‘asgrauw’ werd ‘asgrijs’. Het lijken details, maar in de poëzie van Celan zijn het juist de details die tellen. De kogel waarmee ‘de meester uit Duitsland’ je treft, was voorheen ‘loodzwaar’ en nu, een klein slippertje van de vertaler, ‘hardlood’. Ik kan me vergissen, maar volgens mij is lood een zacht en kneedbaar metaal. Bovendien vormde de zware kogel juist een mooi contrast met ‘het graf in de luchten’ waar je ‘niet krap’ ligt. De dood is een meester uit Duitsland en hij is loodzwaar.

‘Todtnauberg’, het beroemde gedicht dat handelt over de ontluisterende ontmoeting met Martin Heidegger, begint met ‘Arnica, ogentroost, de/ dronk uit de pomp met de/ geblokte ster erop,// in die/ hut’. De rest van het gedicht drukt Celans ijdele hoop uit een woord van excuus of spijt uit de mond van Heidegger te horen. Maar de oud-nazi weigerde terug te komen van zijn houding in de jaren dertig. Sterker nog, hij zou zich hebben uitgedrukt in ‘grofheden’. Ook in dit gedicht maakte Naaijkens een opmerkelijke vertaalkeuze. Vreemd genoeg wordt ‘dem Brunnen’ vertaald met ‘de pomp’ (en in de eerdere versie met ‘de put’).

Mijn ogen kunnen me deze zomer hebben bedrogen toen ik bij de hut van de filosoof stond, maar ik meende een bron waar te nemen, zoals er zo veel zijn in het Zwarte Woud. Een opstaand stukje boomstam met een houten gootje waaruit onophoudelijk water stroomt, meer is het niet. En dat is al haast een wonder. Pomp leidt tot een heel andere lezing dan bron, als techniek versus natuur, een cruciale tegenstelling in het werk van de Duitse filosoof. Maar goed, voor je het weet, beland je in een filosofische exegese, iets waaraan het werk van Celan al te vaak ten prooi valt. Al was hij zelf evenzeer denker als dichter.

Desillusies

Het leven moet vol desillusies zijn geweest voor Celan. De ontmoeting met Heidegger was er slechts een van. Een andere was de opmerking van Hans Werner Richter naar aanleiding van ­Celans optreden bij de prominente literaire Gruppe 47: hij zou ‘Todesfuge’ hebben voorgelezen op een Goebbels-toon (zoek op het internet een opname van de dichter en hoor hoe beklemmend en bezwerend hij klonk). Celan kon toch al gekrenkt reageren op de gevoelloosheid van sommige collega’s. Kun je nagaan wat het met hem deed toen zijn stem met die van een nazikopstuk werd vergeleken.

Het was een absurd grove opmerking. Net zoals het absurd grof was hem van plagiaat te beschuldigen, zoals Claire Goll deed. Celan zou het werk van haar man, Yvan Goll, hebben geplagieerd. Ze voerde een hetze tegen de arme dichter, die op zijn beurt werd getroffen door niet alleen het onrecht, maar bovenal het antisemitische karakter ervan. Desillusie stapelde zich op desillusie. De depressies namen hand over hand toe. De laatste jaren van zijn leven moest hij zelfs gescheiden leven van zijn vrouw, Gisèle Lestrange. Uiteindelijk betrok hij een appartementje aan de Avenue Zola, met uitzicht op die ene brug.

Verlangen naar contact

Hij was een dichter die verlangde naar contact. In de nieuwe uitgave van het Verzameld werk is gelukkig de beroemde brief aan de schrijver Hans Bender opgenomen. Daarin schrijft de dichter: ‘Alleen ware handen schrijven ware gedichten. Ik zie geen principieel verschil tussen handdruk en gedicht.’ Het mag toeval zijn, maar in een tijd waarin handen schudden uit den boze is, krijgt zo’n uitspraak extra gewicht.

Voor wie is getroffen door corona-eenzaamheid: luister naar Celan. Of beter: lees hem, hij reikt je de hand. In desolate situaties is er immer het verlangen naar aanraking. Het gedicht ‘Er was aarde in hen’ biedt een bezwerend voorbeeld. Opnieuw wordt er gegraven: ‘ze groeven en groeven, en zo ver-/ liep hun dag, hun nacht. En loofden niet God’. Het lijkt een herinnering aan Celans tijd in het werkkamp, waar hij in de wegenbouw werd ingezet. Zelfs in zo’n situatie is er nog dat verlangen: ‘O eenling, o geenling, o niemand, o jij:/ waarheen gegaan, toen het nergens heen ging?/ O jij graaft en ik graaf, ik graaf me naar jou,/ en aan onze vinger ontwaakt al de ring.’

Dergelijke regels maken duidelijk hoe belangrijk lichamelijke nabijheid was voor Celan. Als een gedicht lichamelijk wordt, wordt het lichaam, het leven zelf, poëzie. En voor wie het leven zelf poëzie is – precies, oprecht, pas in de laatste plaats romantisch – is de dood als een punt waar een lang gedicht heen sukkelt. Maar niet bij Celan. Zijn zelfgekozen dood is als een afbreekstreep waarmee hij menig woord doormidden sneed, en nieuwe betekenis gaf.

null Beeld Athenaeum-Polak & Van Gennep
Beeld Athenaeum-Polak & Van Gennep

Paul Celan: Verzameld werk. ★★★★★ Uit het Duits vertaald door Ton Naaijkens. Athenaeum-Polak & Van Gennep; 920 pagina’s; € 35.

null Beeld PoëzieCentrum
Beeld PoëzieCentrum

Paul Celan: Roemeense gedichten ★★★★☆. Uit het Roemeens vertaald door Jan H. Mysjkin. 63 pagina’s; PoëzieCentrum; € 20.

Meer over