Voor Thielemann heeft de tijd 38 jaar stilgestaan

Concertgebouworkest o.l.v. Christian Thielemann, m.m.v. Lars Vogt (piano). Amsterdam, Concertgebouw (29/10). Herhaling: 2/10 (rechtstreeks op Radio 4)...

De daden van het Concertgebouworkest staan deze week in het teken van een dubbel debuut. Maar wat heet debuut. De namen van de pianist Lars Vogt en de dirigent Christian Thielemann zullen aan het Amsterdamse Concertgebouwplein niet zonder ontzag worden uitgesproken. Door sommigen ook niet zonder gefronste wenkbrauwen.

Thielemann (38) maakte woensdag een succesvolle entree met een Duits programma. Dat mag wel even aan de balk, want Thielemann is zelf ook een Duitser, en veel grote dirigenten heeft Duitsland de laatste decennia nu juist niet voortgebracht.

Het land met de grootste operahuizendichtheid ter wereld was ooit een kraamkamer van de dirigeerkunst. Aan kandidaat-opvolgers van de gestorven Von Karajan, de zieke Tennstedt, de verdwenen Kleiber en de naar Amerika vertrokken Masur en Sawallisch heeft het er de laatste jaren niettemin pijnlijk ontbroken, en bij sommige Duitse orkesten lijkt het of iedereen die een kachelpook kan zwaaien al welkom is.

Maar nu is er Thielemann. Berlijner van geboorte. Een voormalige assistent van Von Karajan, die zijn loopbaan als operarepetitor begon, en opklom naar dirigentschappen in de operahuizen van Düsseldorf en Neurenberg. Zijn carrière bevindt zich in een verbluffende stroomversnelling. Hij is in september chefdirigent geworden van de Deutsche Oper Berlin, hij is de nieuwe held van Deutsche Grammophon; werkte in de afgelopen paar jaar al met orkesten als de Berliner Philharmoniker, The Los Angeles Philharmonic en het Londense Philharmonia Orchestra, en in operahuizen als de Scala, de Bastille en Covent Garden.

Niet dat er op de vertolkingskunst van deze hoop in bange dagen niets af te dingen valt. De furore van het fenomeen-Thielemann zal hier en daar zelfs worden ervaren als een probleem.

Wie hem aan het werk hoort, heeft de indruk dat de tijd 38 jaar heeft stilgestaan. Zijn kunst gaat voorbij aan alles wat Gardiner, Brüggen of Norrington heet. Invloeden van Harnoncourt zijn er op afgesprongen als water op olie. Good old Neville Marriner heeft nooit bestaan, zelfs Christoph von Dohnanyi en Michael Gielen hebben het allemaal voor niets gedaan. Maar het fenomeen-Thielemann staat ergens voor. Het heeft de Duitsers een geluid teruggegeven.

Dat geluid was er woensdag ook, en wel direct. Thielemann hoort tot de talenten wier loutere aanwezigheid al een bepaalde klank veroorzaakt. Die is er meteen, als Thielemanns boomlange gestalte tevoorschijn komt. Ook bij de Amsterdamer Hofkapelle KCO, waarvan de contrabassen bij Thielemann links achter zitten, en de celli en tweede violen van plaats ruilen.

Thielemann, die van achteren gezien iets wegheeft van de jonge Anton Geesink (hoofdknikjes inbegrepen), nam als eerste Carl Maria von Weber in de houdgreep, en daar was het: ouverture Euryanthe, robuuster dan Sanderling ooit teweeg zou brengen, vleziger dan wat Flor ooit zal bieden; rondom gebraden in ganzenvet. En perfect afgewerkt.

Maar ook weer niet zo heel erg overrompelend. Het is knap, wat Thielemann doet. Voortvarend, en ritmisch sterk geleed, of het nu pianoconcert van Beethoven heet of symfonie van Schumann. Nooit beschroomd, dikwijls stoer, en ook meer dan dat. Mooi gonzend in het mezzoforte en piano, zoals in het slot van Schumanns Tweede Symfonie.

Lars Vogt, die met Simon Rattle briljant klaterende opnamen op zijn naam heeft staan van Beethovens concerten 1 en 2, sloot zich woensdag in Beethovens Eerste zonder morren bij deze esthetiek aan, zo alert en gemotiveerd zelfs dat er een eeneiïge Duitse tweeling aan het werk leek.

Het probleem was, dat het er ook sterk op leek alsof het allemaal al eens eerder was gedaan. Thielemann cultiveert een kunst die zo gekend is, dat ze de indruk wekt uit de mouw te worden geschud. Details blijven niet onbelicht, maar ontsloten worden de partituren zelden. De homogeen klinkende stemmenweefsels blijven ondoordringbaar; het symfonische bouwwerk, aantrekkelijk van buiten, blijft ontoegankelijk, en de vraag is of de Duitse traditie daar eigenlijk wel zo'n grote dienst mee wordt bewezen.

Roland de Beer

Meer over