Voor meisjes van alle leeftijden

Truus (36) is van het grote gebaar en Riet (36) meer van de details en de coupe. De tweeling Spijkers en Spijkers maakt vooral in het buitenland furore met hun romantische jurkjes....

Milou van Rossum

Wie de tweelingzusjes Spijkers heeft gezien, vergeet ze niet snel. Twee vrijwel identiek ogende jonge vrouwen, met lang, sluik haar en lange, dunne benen, steevast gekleed in hun eigen kleurrijke, feestelijke ontwerpen. Om de monden een wat verlegen glimlach, die aan het einde van bijna elke zin overgaat in een meisjesachtige giechel.

Maar onder dat sprookjesachtige voorkomen – afgemaakt door twee al even ranke honden; een Marokkaanse windhond voor Truus, een whippet voor Riet – gaat een nuchterheid schuil die hun oer-Hollandse namen eer aan doet. De zusjes Spijkers zijn harde en degelijke werkers, die geen stap zetten voordat ze zeker weten dat ze eraan toe zijn. Zoals Truus gedecideerd zegt met het sterke Overijsselse accent dat ze allebei hebben: ‘Wij laten ons niet gek maken.’

En dus zit het atelier van hun modemerk Spijkers en Spijkers in het Spijkerkwartier in Arnhem en niet in Amsterdam, waar het, meent Riet, te hectisch is en te glamourous.

‘Wij vinden het niet zo belangrijk of Estelle een jurk van ons aanheeft’, zegt ze. ‘Wij hebben hier een heel mooie ruimte waar we goed kunnen werken, wij hebben mensen om ons heen die we aardig vinden en die bij ons passen. Wij leven best saai. Je kunt nou eenmaal niet alles doen wat men verwacht van een modelabel.’

Van shows moesten ze lange tijd niets hebben – te duur, te veel gedoe. Zelfs aan de groepsshow van hun lichting van de postacademische modeopleiding Fashion Institute Arnhem deden ze niet mee. Liever staken ze hun energie in de productie van hun kleren, die toen al in een aantal winkels in het buitenland werden verkocht; éérst het product, dan het plaatje.

Maar toen ze het tijd vonden een plaatje neer te zetten, bleek het onmogelijk een subsidie te krijgen. ‘Alle aandacht ging naar de mensen die een grote mond hebben. Het ging helemaal niet om kwaliteit’, zegt Truus. ‘En het zelf betalen, konden we niet.’

Jarenlang beperkten ze zich noodgedwongen tot de Parijse beurzen, waar ze net als vele andere ontwerpers wanhopig zaten te wachten op belangrijke inkopers die nooit kwamen, omdat belangrijke inkopers nou eenmaal zelden op een beurs komen. Ze hadden ook nog een persbureau in Parijs, zegt Truus, ‘maar daar waren ze zo onaardig dat ik moeite had om ze te bellen.’

Het tij keerde met de komst van hun agent, die ze leerden kennen op een modewedstrijd in Zwitserland. Zij bracht hen in contact met een organisatie in Londen, die hen tweemaal liet deelnemen aan een groepsshow tijdens London Fashion Week. Over twee weken doen ze weer mee aan de Londense modeweek met, voor het eerst in het 10-jarige bestaan, een eigen show.

De eerste collectie die ze in Londen lieten zien, was die voor zomer 2006: flinterdunne zijden jurkjes met korte smokingjasjes en satijnen jurken met de voor hen zo kenmerkende meerkleurige vlakverdeling, abstract of in de vorm van dieren. Dat leverde hen meteen een pagina op in de Britse Vogue.

‘Shows hebben gelijk effect’, zegt Riet. ‘Het merk gaat leven, je komt over een bepaald punt heen.’

Sindsdien gaat het elk seizoen een beetje beter. In dertig winkels in Amerika, Japan en Engeland hangen ze nu, waaronder een aantal grote warenhuizen.

Misschien gebeurt er nu eindelijk ook wat meer in Nederland, waar ze (‘heel erg jammer’) nog maar in één winkel te koop zijn, Van Dijk in Rotterdam.

Truus: ‘Ik sprak laatst met Gerda van Ravenstein van Van Ravenstein in Amsterdam. Die bleek ons nauwelijks te kennen. Ze zei: ‘‘Ik wist helemaal niet dat jullie zo zelfstandig opereren.’’ Als Nederlandse ontwerper word je toch snel op de grote hoop van beginners gegooid.’

De 36-jarige tweeling – waarschijnlijk eeneiig, maar omdat ze na hun te vroege geboorte erg ziek waren, kwam het er niet van om dat na te kijken – groeide op in Bruchterveld, een piepklein dorp in de buurt van Hardenberg, waar hun vader een garagebedrijf had. Omdat ze, zoals Riet zegt, erg ‘geïnteresseerd waren in onszelf leuk aankleden’ en er op winkelgebied niets te beleven viel ( Riet: ‘De grote stad was Zwolle, en daar was ook niks’), maakten ze hun kleren zelf. ‘We hadden een tante die altijd aan het naaien en knutselen was’, zegt Truus. ‘Van haar hebben we het geleerd.’

‘We waren heel extreem’, zegt Riet. ‘Punk, hotpants, je kon het zo gek niet verzinnen. Iedereen in het dorp wist wie wij waren. Als je met z’n tweeën bent, durf je natuurlijk ook meer.’

Na de mavo gingen ze allebei naar de modevakschool, Truus een jaar later, omdat ze een keer was blijven zitten. Toen Riet klaar was met de opleiding, deed ze toelating voor de kunstacademie in Arnhem. Omdat ze niet alleen durfde, ging Truus mee. Riet: ‘Op die school hadden ze zoiets van: twee? Ze wilden er maar een, en dat werd Truus, terwijl ze nog niet eens klaar was met school.’

Riet ging eerst een paar jaar naar de AKI in Enschede, om later toch nog naar Arnhem te gaan. ‘Achteraf was het wel goed om een tijdje los van Truus te zijn’, zegt ze. ‘En de AKI was echt een kunstacademie, veel meer dan Arnhem. Je moest er van alles doen, en ze waren er echt wild; er zaten mensen die wel 20 jaar ouder waren, en kinderen van kunstenaars. Wij waren natuurlijk groentjes, wij wisten van niks.’

Truus: ‘Als wij vroeger naar een museum gingen, was het een kasteel, en daar hing dan per ongeluk wel eens een schilderij.’

Truus ging na haar eindexamen naar het Nederlandse Turnover, Riet naar Anita, een Duits lingeriebedrijf. Allebei waren ze niet helemaal tevreden; bovendien waren schoolgenoten als Viktor & Rolf en Saskia van Drimmelen ‘aan het rommelen in Parijs’ en begon het ook bij hen ‘te kriebelen’. In 1996 deden ze onder de naam Spijkers en Spijkers mee aan de modewedstrijd in het Zuid-Franse Hyères, waar ze niet wonnen, maar genoeg positieve reacties kregen om door te gaan als ontwerpersduo. Een jaar later wonnen ze de Robijn Fashion Award, destijds de belangrijkste modeprijs van Nederland.

‘In m’n eentje had ik het misschien nog wel gedurfd’, zegt Truus, ‘maar niet gekund. Het is zoveel werk, een eigen merk. Het is niet voor niets dat er zoveel modeduo’s zijn.’ ‘Het was gewoon logisch om het met Truus te doen’, zegt Riet.

Tot drie jaar geleden financierden ze hun eigen merk met opdrachten voor anderen. Ze werkten onder meer voor Another Woman en een groot confectiebedrijf in Eindhoven, dat was gespecialiseerd in jassen. Riet: ‘Op een zaterdagochtend zagen we wel honderd van onze jassen door de stad lopen.’ Truus: ‘Het was wel een sport, een leuke, goedkope jas maken. Wij zijn daar ook goed in, wij weten wat commercieel is.’

Commercieel is niet het eerste woord dat bij je opkomt bij hun eigen lijn. Het zijn kleren die bedoeld lijken voor dartelende meisjes zonder enige verplichting in het leven. Knap geconstrueerde, maar bijna altijd kokette jurkjes, soms met decolleté tot op de navel, of op de rug alleen een ragfijn koordje. Kanten topjes met mouwen als grote bloembladeren, transparante blouses, korte broekjes, veel korte rokken. En alles vaak in felle tinten blauw, groen en geel.

De meeste modelabels die zich zo uitgesproken presenteren, hebben een heleboel minder opvallende en meer draagbare stukken achter de hand. Zo niet Spijkers en Spijkers. ‘Wij verkopen toch geen blazers en broeken’, zegt Riet. ‘Wat wij verkopen, zijn best extreme dingen.’ Hun bestseller is de inmiddels beroemde Roman dress. Een wijde, laag uitgesneden jurk met asymmetrische zoom, bijeengehouden door een meermalen omgeslagen elastische ceintuur. Hij werd bedacht voor winter 2004/’05, maar wordt nog altijd verkocht, overigens tegen de zin van de ontwerpers in, die er ‘allang genoeg van hebben’.

Maar de sexy Roman dress is praktischer dan hij lijkt. Hij ziet er misschien uit ‘als een korset’, maar dankzij de elastische banden zit hij lekker en past hij bijna alle vrouwen.

Riet: ‘Het belangrijkste is dat onze kleren appealing zijn. Dat je denkt: ik wil het gewoon hebben. Daarom was Phoebe Philo (de begin dit jaar opgestapte hoofdontwerper van Chloé, red.) ook zo succesvol: ze maakte kleren die appealing waren. Romantische meisjeskleren. Ik denk dat wij dat ook doen. En dat meisjesachtige is niet aan leeftijd gebonden, hoor. Ik zag laatst een oude vrouw in een gebloemde schort met twee vlechten en ik dacht: jij bent gewoon een meisje.’

Twee favoriete ontwerpers hebben ze: Elsa Schiaparelli en Madeleine Vionnet, vrouwen die in het midden van de vorige eeuw een grote rol speelden in de internationale modewereld.

Truus is de Schiaparelli van de twee. Net als de surrealistische ontwerpster houdt ze van het grote gebaar. ‘Als het beeld goed is, ben ik tevreden.’ Zij houdt zich bezig met de kleuren en de grote lijnen en, dat is zo gegroeid, het zakelijke gedeelte. Riet is de verfijnde Vionnet, meer van de details en de coupe. Zij maakt de patronen en wil, zegt Truus, ‘nog wel eens doorslaan met de coupenaden’. Riet: ‘Jij kunt zeggen: ‘‘Het is nu goed genoeg, stop maar.’’ Wij vullen elkaar echt aan. En we zijn altijd eerlijk tegen elkaar, veel eerlijker dan tegen onze andere zussen.’

Inspiratie halen ze uit het verleden en de beeldende kunst. De kleuren van Paul Gauguin, de poppenhuizen van Lizzy Ansingh, Picasso’s minnares Dora Maar. Maar het zijn vooral de jaren twintig waarnaar ze teruggrijpen. Niet letterlijk; voor een flapperdress zul je vergeefs aankloppen bij Spijkers en Spijkers. ‘Het is meer de filosofie dan het silhouet’, zegt Riet. ‘Er ontstond in die tijd een heel nieuw vrouwbeeld. Van stoere wijven die rookten en dronken en werkten.’

‘Het is ook de manier waarop werd ontworpen’, zegt Truus. ‘Het had allemaal een praktische gedachte, alles moest een functie hebben.’

Riet: ‘Als we verschillende kleuren in een jurk doen, zijn die kleuren eigenlijk de patroondelen. De papegaai op de jurk van deze zomer was meteen de coupe; een strikje dat ergens op zit, houdt iets bij elkaar.’

Truus: ‘Wij zullen nooit zeggen: het is nog niet leuk genoeg, doe er nog maar een strikje bij.’

Riet: ‘Ik vind dat ons eigen handschrift steeds duidelijker wordt.’

Truus: ‘En we leren steeds beter te pakken wat er aan de hand is. Deze winter wordt het wat bedekter, met zwaardere stoffen. We hebben ook voor het eerst mantels.’

Riet: ‘We slaan ook dingen over; als er iets in de mode gebeurt waarvan je weet: dit is niet wat ik wil.’

Truus: ‘Ik hou het meest van de zomercollecties. Je kunt meer huid laten zien. En de stoffen zijn lichter.’

Riet: ‘Wij houden ook gewoon meer van de zomer.’

Truus: ‘Uiteindelijk ontwerpen we voor onszelf. Je ziet het aan de pasvorm: je moet niet al te grote borsten hebben, en er zit altijd wat ruimte om de heupen.’

Riet: ‘Onze kleren zijn onze eigen sprookjes. Al onze dromen zitten erin.’

Meer over