BoekrecensieEerste persoon enkelvoud

Voor je het weet, slokt Murakami je op in zijn wereld, ook in deze korte verhalen ★★★★☆

Het nadeel van een sterrenstatus als die van Haruki Murakami is dat uitgevers álles wat hij schrijft wel willen drukken. Gelukkig is dat bij Eerste persoon enkelvoud, een bundel echte Murakami-verhalen, volkomen terecht.

null Beeld Olivier Heiligers
Beeld Olivier Heiligers

‘Ik ontmoette deze oude aap in een kleine ryokan in het M*-kuuroord in de prefectuur Gumma, ongeveer een jaar of vijf geleden.’ Het is de beginzin van een van de verhalen uit Eerste persoon enkelvoud, de nieuwe verhalenbundel van Haruki Murakami. De beginzin van een ander verhaal, ‘Carnaval’: ‘Zij was de lelijkste vrouw die ik ooit had ontmoet.’

Het zijn mijn twee lievelingsbeginzinnen uit deze bundel. Pas nu ik ze opschrijf, kom ik erachter dat ze op elkaar lijken, net zoals de verhalen in de bundel een beetje op elkaar lijken. Ze zijn allemaal geschreven in de, inderdaad, eerste persoon enkelvoud. Die ik-figuur ontmoet vaak iemand. Die vaak vreemd is.

Haruki Murakami is waarschijnlijk de beroemdste schrijver ter wereld van dit moment – achter op zijn boek staat nonchalant één quote, niet uit een krantenrecensie maar van Barack Obama, en de binnenflap meldt al even casual dat hij ‘regelmatig wordt getipt als kandidaat voor de Nobelprijs voor Literatuur’. Dat tippen lijkt me onnodig als Obama je inmiddels van blurbs voorziet.

Het nadeel van zo’n sterrenstatus kan zijn dat uitgevers alles wat je gouden pennetje ooit geschreven heeft, gaan uitbrengen. Want de fans willen alles toch wel kopen, ook een verhaal dat je nog in de la had liggen. En ik moet zeggen dat ik, toen ik begon met het eerste verhaal in deze bundel – zeven van de acht verhalen verschenen eerder in Japanse en Engelstalige literaire tijdschriften – bang was dat dit gewoon wat losse werken van Murakami waren die werden toegevoegd aan de gestage stroom boeken waarnaar zijn fans verlangen. Dit was niet wat ik als lezer het liefst wil, en anderen vast ook: een echte roman, zo’n vuistdikke waarin Murakami grossiert, zo’n veeldelige, waarin je, dat is het belangrijkste, kunt verdwijnen in wat ik altijd de Murakami-tunnel noem.

De Murakami-tunnel

De Murakami-tunnel is de tunnel die je in zijn beste boeken (in mijn ogen De opwindvogelkronieken en 1Q84, en ook wel Norwegian Wood) al gauw inrijdt. Je komt in een andere staat van zijn, alsof je drugs hebt gebruikt of heel intens droomt, waarin je alles wat de schrijver zegt, gelooft – of er nu een pratende kat wordt opgevoerd of een man tijdenlang vrijwillig in een diepe kuil gaat zitten. Bij het volledige opgaan in het verhaal komt ook nog dat je alleen nog maar in die tunnel wilt zitten, dat je hoopt dat de tunnel heel lang is, want je wilt helemaal niet meer zien hoe de normale wereld eruitziet.

Het lastige met een verhalenbundel is dat de tunnel, als hij al ontstaat, steeds eindigt na een paar bladzijden. De eerste twee verhalen, ‘Op een kussen van steen’ en ‘Crème’, beschrijven vreemde gebeurtenissen uit de jeugd van de verteller (of het Murakami zelf is, laat hij in het midden, maar het voelt vaak zo). Ze zijn zeker Murakami-achtig: er verschijnt in ‘Crème’ bijvoorbeeld uit het niets een oude man met een paraplu aan de jonge hoofdpersoon, en die oude man zegt een aantal keer ‘Een cirkel met meerdere middelpunten’. Dat is bevreemdend, je hoofd gaat er al een beetje van tollen, maar in de tunnel raak je niet, want voor je het weet is die oude man weer verdwenen, is het verhaal voorbij en ben je de tunnel weer uit. En dan voelt het meer als een los, raar dingetje.

Ik begon te vermoeden dat een verhaal van een pagina of twintig op mij nooit de geestverruimende werking zou hebben die de romans van Murakami op veel lezers hebben. Ook hebben ze niet die rare, voortstuwende energie, alsof de schrijver een touwtje aan je heeft vastgemaakt waaraan hij je door zijn verhalen trekt.

Pratende aap

Maar dan wordt de ik-persoon ouder – ik denk dat de verhalen met dat idee op volgorde zijn gezet – en komt hij de lelijkste vrouw tegen die hij ooit heeft gezien, en in het verhaal erna ontmoet hij een oude, pratende aap in een hotel in een kuuroord.

In de meest vanzelfsprekende bewoordingen – de verhalen zijn met veel humor, vaart en in een consistente stijl vertaald door Elbrich Fennema – vertelt hij over zijn ontmoeting met die aap. De ik-persoon gaat een kuurbad nemen als de aap ineens met veel gerammel het raam openschuift en de badruimte binnenkomt: ‘‘Neem me niet kwalijk’, zei de aap met een lage stem. Het duurde even voor het tot me doordrong dat hij een aap was.’

En op die Murakami kenmerkende, nuchtere manier wordt de pratende aap geïntroduceerd. Voor je het weet, biedt de aap aan de rug van de hoofdpersoon te wassen, waarop de hoofdpersoon ‘graag’ zegt. ‘Hij had het waarschijnlijk aardig bedoeld en ik van mijn kant wilde de gevoelens van de aap zo min mogelijk kwetsen.’

Ze raken in gesprek over waar ze wonen, waarbij de aap vertelt dat hij in de wijk Shinagawa in Tokio heeft gewoond. ‘Waar in Shinagawa?’, vraagt de hoofdpersoon. ‘In de buurt van Gotenyama’, zegt de aap. ‘Fijne buurt’, zegt de hoofdpersoon.

En zo, via een koetjes-en-kalfjesgesprek tussen een aap op leeftijd en een hotelgast, loodst Murakami je ongemerkt alsnog de tunnel binnen.

null Beeld Atlas Contact
Beeld Atlas Contact

Haruki Murakami: Eerste persoon enkelvoud. Uit het Japans vertaald door Elbrich Fennema. Atlas Contact; 224 pagina’s; € 22,99.

Meer over