Vondel

De bekoring van het geruis van de sluis

Fens Kees

Ook enkele woorden verraden de genialiteit van een groot dichter. Joost van den Vondel, van wie vorige week een biografie is gepubliceerd met meer woorden dan deze grote zwijger had kunnen verdragen, is de grootmeester van het rijm. Nooit later hebben de woorden van onze taal zo in elkaar geëchood, elkaar zo veel klank en betekenis gegeven als in de poëzie van Vondel. Op pagina 70 van de biografie staat deze regel: 'De zijdewinkel ruist, gelijk een volle sluis'. De zijdeweverij wordt opgeroepen - zijdehandelaar was Vondel - en het geluid is dat van het stromende water. En de overvloed is die van de sluis.

Een bijna-rijm houdt het ruisen van de weefgetouwen en het stromende water in één wereld. Deze scherf heeft de schoonheid van de vaas.

De auteur van de biografie, Piet Calis, is een groot bewonderaar van Vondels poëzie. Daarin staat hij niet alleen, wel als lezer van die poëzie. In het het boek kenmerkende enthousiasme - ook een volle sluis - citeert hij veel, uit bewondering, maar ook ter verklaring. Want Calis is een groot 'behandelaar' en uitlegger. Te veel citeert hij zeker niet, temeer daar hij een meester is in die moeilijke kunst van het citeren, een iets te uitbundige meester misschien. Calis schrijft met gebaren en dat is heel zeldzaam.

De hoofdtitel van het boek is kortweg Vondel. De ondertitel luidt: Het verhaal van zijn leven. Met dat 'verhaal' kan Calis een eind komen. Het verhaal is in de eerste plaats historisch - het beschrijft het leven van Vondel en de wereld waarin hij leefde, Amsterdam vooral. Het is ook literair historisch, onder voorbehoud. Vondels werk wordt in enkele grote lijnen van de 17de-eeuwse literatuur opgenomen. Maar de biografie biedt niet het echte literair-historische traliewerk (zoals dat prachtig gestalte kreeg in Een nieuw vaderland voor de muzen, de geschiedenis van de Nederlandse literatuur, vooral die van de Gouden Eeuw). Vondel komt naar voren als een groot dichter, met veel schitterende eigenzinnigheid en een onovertroffen taal, maar toch blijft hij op enkele punten te weinig specifiek. Dat kan ook hiervan het gevolg zijn, dat de Renaissance-literatuur als de alles bepalende achtergrond te weinig scherp is beschreven. Maar dan komt men misschien weer te zeer achter de tralies terecht en wordt een grote studie over de Nederlandse Renaissance een barricade in het verhaal dat het boek wil zijn. De wetenschap weet, de biograaf beleeft. De wetenschappelijke kant van Calis' boek zal ik niet onderschatten, maar zijn verhaal trekt hem er soms toch van weg. De bekoring van het geruis van de sluis is niet te weerstaan.

Vondels leven is voor een belangrijk deel door de godsdienst bepaald. Hij was daarin een typische bewoner van de Noordelijke Nederlanden, waar onder de wijze blikken van de grote en liberale bestuurders de ware God in verschillende gestalten leefde. Vondel was doopsgezind, werd remonstrants en tenslotte rooms-katholiek. De heerlijkheid van dat geloof stelde hem wel in staat zijn humeurigheid en soms rechtstreekse vijandigheid tegen met name de calvinisten te cultiveren. Hij is veel bedreigd, gehoond, uitgescholden, maar zijn aanzetten of reacties waren ook niet gering. Van dat heftige religieuze leven en de vele theologische twisten in Vondels tijd geeft Calis een uitstekend beeld (maar de verfoeide paap kreeg wel gelegenheid zijn stukken in de schouwburg te laten opvoeren). Wat Vondel heeft bewogen rooms te worden - ook Calis komt met verklaringen die grotendeels traditioneel zijn. De diepste beweegredenen zullen we nooit kennen.

Vondel leeft in de tijd dat Amsterdam een wereldstad wordt. Hij heeft dat indrukwekkende groeiproces - het Stadhuis op de Dam was de bekroning - begeleid in onvermoeibare verzen van vele soorten van grootspraak. De misschien wat schuwe katholiek kende - tot genoegen van de bestuurders - de grote taal van haven en beurs. Dat hij niet gevierder is geworden, blijft een raadsel (hij moet zelf ook op die gevierdheid hebben

gehoopt).

De drama's krijgen alle aandacht, Vondel was nu eenmaal in de eerste plaats toneelschrijver (het schouwtoneel van God en de wereld kan hem ook in de roomse kerk hebben aangetrokken). De drama's zijn taaldrama's, meerdan handelingsdrama's. Uit de taal komen bijna alle conflicten voort. Ook daardoor komt de lezer van de stukken aan zijn trekken. De lyrische Vondel, ook die in de drama's, krijgt minder kansen van Calis, helaas. Bij wat er tijdens het lezen van de biografie in het geheugen terugkwam, waren veel scherven en flarden uit de mooiste lyrische gedichten die hij heeft geschreven: zijn doodsgedichten bijvoorbeeld.

Vondels leven is tragisch verlopen, in zijn familie en in zijn zaken. Hij blijft maar met enkelen achter, een grote eenzame. De hoge leeftijd die hij haalde, kan hem tragischer maken dan hij in werkelijkheid was, Maar er is nog iets anders en dat acht ik een tekort aan het boek: Vondel is omringd door vele grote gebeurtenissen, veel grote tijdgenoten, godsdiensttwisten en nog veel meer. Maar een omgeving van het dagelijkse is hem in de biografie niet gegeven. Wat wij nu tragisch noemen (misschien mede door de literatuur erover) was dagelijkser dan het lijkt: er werd ontzettend veel jong gestorven en armoede geleden. In het laatste gedicht dat hij schreef, roept hij de bruiloft van het Lam op, waartoe wij allen geroepen zijn. Hij is zelf heel dicht bij 'De volle vreugde in 't ander leven'. De volle taal daar moet zelfs hem verpletterd hebben. De bruiloft als het einde van het leven, ik denk dat dat de grote troost in een moeilijke maatschappij is geweest.

Vondel is in Keulen geboren. Van alle groten wier wieg in Keulen stond, staat bij het stadhuis een borstbeeld. Dat van Vondel was in de oorlog verwoest; een aantal jaren geleden kreeg hij zijn plaats terug. Bij die gelegenheid heb ik over hem gesproken.

De eerste zin luidde: 'Vondel is onze grootste dichter, maar niemand leest hem.' Piet Calis heeft die zin incorrect gemaakt in een boek dat je ook voor je literaire plezier leest.

Meer over