Volledig in elke afdruk

Piet Gerbrandy

Het in de Europese traditie frequente beeld van een dichtwerk als huis, tempel of monument veronderstelt een onwrikbaar object waar de lezer omheen kan lopen, waar hij tegenaan kan schoppen en dat hij van alle kanten kan benaderen en binnendringen. We realiseren het ons zelden, maar die metafoor moet eens gloednieuw zijn geweest, omdat poëzie van oorsprong, net als muziek, een kunstvorm was die zich in de tijd ontvouwde. Een gedicht was geen ding op papier, maar een reeks klanken waarvan de toehoorder van tevoren nooit kon voorspellen hoe lang ze zou voortduren.

Tonnus Oosterhoff lijkt als weinig anderen te beseffen dat onze schriftcultuur haar langste tijd gehad heeft. Zijn nieuwe bundel wordt dan ook afgesloten met een gedicht waarvan de eerste strofe er zo uitziet:

breek dit huis af

pneumatische hamer

De sierput steekt meters

zes ton graniet

In zijn eigen handschrift heeft de dichter, om het voorlopig karakter van zijn teksten aan te geven, er een paar woorden bijgeschreven. Op de open plek aan het begin van de eerste regel staat 'Toe', de tweede regel krijgt als toevoeging 'Gebruik mijn'. In de rest van het gedicht valt op open plekken enkele malen de toepasselijke versregel 'Ach wie nichtig, ach wie flüchtig' te lezen.

Een kort gedicht over een zieke beuk, dat driemaal op de pagina staat, gaat bijna geheel schuil onder het handschrift van de dichter, dat enkele malen dezelfde mededeling herhaalt: 'De graficus is echter als een merel/ die zingt in de top van een boom/ telkenmale herhaalt hij zijn lied/ volledig in elke afdruk die hij maakt'. Oosterhoff zou het liefst, zo is de suggestie, ieder exemplaar van zijn dichtbundel persoonlijk tot iets unieks maken, als het enigszins mogelijk was met zijn eigen handschrift of stem. Voor deze dichter heeft het concept van het autonome, onaantastbare gedicht afgedaan. Poëzie is beweging en verandering, geen monumentale verstarring.

Het is dan ook begrijpelijk dat Oosterhoff als een van de eersten de mogelijkheden van de nieuwe media heeft ontdekt. Sinds jaar en dag heeft hij een website (www.tonnusoosterhoff.nl) waarop gedichten staan die voortdurend van vorm veranderen.

Bij deze bundel is een cd-rom gevoegd waarop de lezer dat proces minutieus kan volgen, als zag hij de dichter live aan het werk. Het is een fascinerend schouwspel dat verwondering en hilariteit oproept, maar in enkele gevallen zelfs een verwarrend soort ontroering.

Want Oosterhoff is niet alleen een onthutsend vernieuwer, hij is ook een van de geestigste dichters die we hebben, bovendien weet hij door subtiele woordcombinaties en inversies zeer gecompliceerde gevoelens wakker te roepen. Krankzinnig is deze strofe uit een gedicht over een treinreis naar Berlijn:

reizigers zien onder de leidingen boeren

hert varken.

'hert varken', zo is er de tongval.

Een naar brandlucht riekende vrouw, die met haar 'nieuwe vlam' kinderen kreeg zonder van nature moeder te zijn, besluit haar monoloog met de woorden 'Mijn haar hangt in slierten.// U kent mij nu, dus niet maren.'

Het hoogtepunt van de bundel is een lang episodisch gedicht dat is opgebouwd als de tweestemmige Inventio van Bach die ernaast staat afgedrukt en op de cd te horen is. Het gaat over een echtpaar waarvan de zoon, jaren nadat hij het contact met zijn ouders had verbroken, zelfmoord heeft gepleegd. Bij toeval hebben de ouders een keer een flits van hem opgevangen in een reportage van Netwerk, waarin de jongen naïeve toeristen een appartement probeert aan te smeren. Moeder wil nu iedere dag de video van dat programma zien.

De herhalingen in het gedicht corresponderen met die in het stuk van Bach en benadrukken het steeds opnieuw opgeroepen verdriet. De truttigheid van het echtpaar is van een schrijnende droefenis: 'spoel nog eens terug. Herman, spoel nog eens terug die band/ ik wil hem soms de hele dag wel zien en dan opeens nooit meer/ en dan weer steeds'.

In de bundel refereert Oosterhoff aan Lucebert, Riekus Waskowsky en Mallarmé. Toch is hier sprake van authentieke inspiratie, zoals het eerste gedicht beweert, waar de bundel geopend wordt als een deur: 'natuurlijk klemde het hout,/ zo lang hield het dieren/ en goden gescheiden'. Conceptuele poëzie? Jawel, 'beste ideeën! Maar piet vindt die zing je niet'. Het gaat niet om Oosterhoffs soms geniale inzichten, maar om de zang van de merel.

Tonnus Oosterhoff: Wij zagen ons in een kleine groep mensen veranderen.
Met bewegende gedichten op cd-rom.
De Bezige Bij; 56 pagina's; ¿ 19,50.
ISBN 90 234 1016 5.

Meer over