Volkskrant Leesclub

Volkskrant Leesclub over ‘Bies’: het vierde korte verhaal van Maarten Biesheuvel

Wat is het beste verhaal van Maarten Biesheuvel? Over die vraag wordt gediscussieerd in de Volkskrant Leesclub onder begeleiding van criticus Onno Blom, die de schrijver goed heeft gekend en de biografische schets schreef in Biesheuvels driedelige Verzameld Werk.

null Beeld Sophia Twigt
Beeld Sophia Twigt

Als eerbetoon aan de afgelopen zomer overleden schrijver gaat uitgeverij Van Oorschot een ‘eredundruk’ uitgeven, Schip in dok, een bloemlezing van Biesheuvels meest geliefde verhalen. Lezers kunnen tot 10 januari 2021 suggesties doen en zo de bundel helpen samenstellen. Bovendien publiceert Van Oorschot elke week een evergreen van ‘Bies’ op onze website. Dit is het vierde verhaal, getiteld ‘Lentebeken’, uit Godencirkel, 1986. Moet dit verhaal worden opgenomen in de ‘eredundruk’?

Zegt u het maar. Aanmelden via Facebook.

‘Lentebeken’ Uit: Godencirkel, 1986.

Door: J.M.A. Biesheuvel

‘Mondbeglänzte Zaubernacht,

Die den Sinn gefangen hält,

Wundervolle Märchenwelt:

Steig auf in der alten Pracht!’

Ludwig Tieck

Ik kom uit mijn kamer en daal de trap af, ik heb zin in een kop kof- fie, ik heb uren zitten lezen en nadenken in het schemerduister, in de huiskamer tref ik de zwerfkatten, negentien in getal, en de hond Mikkie aan, Eva is in de keuken bezig. Tot mijn verbazing zie ik dat ze een boek uit de kast heeft gepakt en nog wel mijn lievelings- boek, Madame Bovary, het boek ligt op een van de banken en vier poezen liggen eromheen te spinnen. Mikkie danst over het boek heen en ik schrik: de katten kunnen het boek immers bekrassen, ze kunnen er wel een haarbal op kotsen en daarover zou ik me verschrikkelijk woedend maken, daarom loop ik naar Eva in de keu- ken en vraag haar een beetje bits wanneer ze weer denkt te gaan lezen. ‘Over een uurtje heb ik weer tijd,’ zegt ze. ‘En al die tijd, dat hele uur lang laat jij Bovary zomaar op de bank slingeren?’ vraag ik kwaad, ‘berg het nou toch op als je even wat anders gaat doen, je weet dat ik al niet kan tegen een gat in de boekenrijen, ik wil weten waar mijn boeken zijn, maar als je zo nodig een boek moet pakken, berg het dan in een laatje wanneer je niet leest of zet het zolang in de kast terug, ja, dat is het beste, je leest toch maar twintig minuten per dag en dan staat het boek steeds op de goede plaats.’ Ik zeg het op een manier of Eva helemaal niet van me lezen mag en ze wordt een beetje bedroefd. ‘Waarom zeg je dat nou zo raar?’ vraagt ze,‘ het lijkt wel of je ruzie zoekt.’ ‘Lieve Eva,’ zeg ik, nadat ik vijf à zes seconden zwaar door mijn neus heb geademd, ‘ik ben bibliothecaris en ik kan er niet tegen dat mensen de boeken uit mijn kast ook nog lézen.’ ‘We gaan er geen ruzie om maken,’ mompelt Eva. ‘Ja!’ brul ik, ‘maar ik heb je toch al duizend keer heel vriendelijk gevraagd of je een boek dat je juist aan het lezen bent in een laatje wilt leggen als je niet leest, nu kunnen de poezen op het boek ademen, het boek bekrassen of er misschien een haarbal op leggen, de gedachte alleen al maakt me gek en misselijk en zenuwachtig! Ik heb het je al zo vaak gevraagd en toch doe je het niet, je wilt me toch niet sarren?’ Eva kijkt en zwijgt als een droevige engel, ze kijkt me recht in de ogen en langzaam komen er tranen in die ogen. Ik kan dat niet ver- dragen. Stil verwijt! Sloeg ze me nu maar, om mijn dwangneurotische dwaasheid, schold ze maar als een viswijf, maar deze blik is erger dan het gruwelijkste vonnis. Ik ben nu eenmaal in zekere zin gek en boeken zijn heilig voor mij, als het aan mij lag mochten de mensen in mijn huis niet eens naar de boeken wijzen! Mijn hart gaat tekeer als een rennende cavia, een kwetsbaar dier onder een heel dunne huid en breekbare en zenuwachtig vibrerende botten. Ik voel mijn pols en het hart begint een wedren met mijn horloge, de wedstrijd wordt gemakkelijk door het hart gewonnen. Dan ga ik op bed liggen na het boek in een laatje te hebben gelegd waar Eva het waarschijnlijk niet vinden kan. Op bed bedenk ik dat ik de za- ken gemeen en verkeerd heb voorgesteld; het lijkt zo wel of er twee kampen in huis zijn, ik met mijn krankzinnige liefde voor boeken en Eva met haar liefde voor haar zwerfkatten en Mikkie. ’s Nachts slapen Eva en ik apart en ’s morgens zeggen we elkaar geen goede- morgen. Dat moet het begin van een echtscheiding zijn. Op kantoor zit ik aan Eva en de boeken te denken: Dan zal er een haarbal komen op Kafka’s bibliofiel Brief an den Vater, of een kras op Bovary... moet ik daar nu een huwelijk voor opofferen? Ik zie in dat ik een sukkel en een knorrepot ben en dat ik nooit meer kwaad moet zijn als Eva een boek uit de kast pakt; het zijn gewoon gebruiks- voorwerpen en geen breekbare relikwieën. Ik scheld mezelf uit voor alles wat lelijk is, ik hoef vandaag op kantoor eigenlijk geen enkel telefoontje te beantwoorden en het schrijven van nota’s stel ik tot morgen uit, zo zit ik naar de radio te luisteren en hoor lange tijd werken van Brahms, Moessorgski en Mozart. Tegen vijven ga ik naar huis, ik vind het leuk om in de sneeuw door het centrum van de stad te baggeren in mijn rubberlaarzen. Ik heb me voorgenomen om mijn leven te beteren. Voortaan zijn ik, Eva, de boeken, de katten en Mikkie een grote kluwen van geluk waar niemand wijs uit kan worden. De boeken staan bij ons langs de hele wand tot aan de balken van het plafond. Ik kom thuis, Eva is er nog niet, ik schenk mezelf een glaasje whisky in de keuken in, ik wil de kamer binnenlopen, dan zie ik mijn liefste boeken gekreukeld (Schulz en Allais en Broch vooral kreunen van pijn en wentelen zich in het stof) op de grond liggen, er liggen zeker achtenvijftig boeken in alle standen en verfomfaaid, gekreukeld in de pluizen van het tapijt, in de haarballen en de kots van die dag (die Eva overigens iedere twee uur trouw opruimt, ik bemoei me daar nooit mee). Eva en de katten spannen samen, denk ik, ze willen me echt gek hebben. Ik werp een blik op de boekenkast die voor mij meer een ruïne lijkt: honderden boeken zijn omgevallen en de poezen hebben dolle pret op de planken achter de boeken die er nog staan. Tussen Homerus en Balzac zitten Saartje en Postbode, die je anders nooit samen ziet, me vanuit de hoogte van hun ‘boekenhol’ vrolijk aan te kijken. Ik smijt mijn glas whisky op de grond, probeer Mikkie die er niets mee te maken heeft een trap te geven, hij weet weg te springen en ik ga het huis weer uit, een halfuur loop ik over natte sneeuw waar- onder ijs ligt door de straten langs het water en dan ben ik bij mijn grote roeiboot, het is net een veerpont van zwaar en dik plaatstaal. Lentebeken! Dat merk ik nu pas, het heeft maandenlang vijftien à zeventien graden gevroren, maar nu is de dooi ingetreden, ik kan de natte sneeuw gemakkelijk uit mijn boot hozen en krijg er heel koude handen van. Zo ben ik binnen vijf minuten die zogenaamde ramp met de boeken vergeten. Als ik de natte sneeuw, zeker zes- honderd liter, uit de boot heb gewerkt, begin ik aan het losliggende ijs op de bodem. Stukken ijs van veertig kilo werp ik overboord en zo wordt mijn bootje steeds lichter. Het begint te schemeren en er begint een warme lieflijke regen te vallen, overal om me heen in de jachthaven hoor ik lieflijk geklater als van lentebeken, het is het smeltwater dat van de hellende van water en ijs glinsterende gras- mat op het ijs drupt en stroomt, het is een heerlijk geluid. Zo lang heeft mijn boot vastgelegen, geboeid door die ijzige Koning Winter, en als de dooi doorzet kan ik misschien over tien of twaalf dagen al roeien. Het is mooi en vreemd wat ik meemaak. De schemer, de regen, de lauwe plassen op het ijs dat eerst zo grimmig hard was, zo ongenaakbaar als het graf. Een meerkoetje poedelt zich in het lauwe water dat op de nog twintig centimeter dikke ijslaag staat, het magere diertje vindt een ontdooide broodkorst in het water. Het houdt op met regenen en een sikkel van de maan wordt zichtbaar – maan, murmelende beekjes, dit wordt een Zaubernacht! Ik dacht dat mijn boot nog helemaal vastlag maar als ik een groot stuk ijs wegwerp, een van de laatste stukken, merk ik ineens dat ik in de boot weer kan schommelen. Zo lange tijd is de boot niets anders geweest dan een verlengstuk van de onbeweeglijke straat, en nu schommelt de boot alsof hij op zee was, hij schommelt in een heel klein ijsmeertje, het ijs heeft een groenige weerschijn in de sneeuw, de dooi, zoals uitgebeeld op een van de schilderijen van Van Gogh: een rivier in de dooi bij het invallen van de avond, een bliekje is door een wak boven het water terechtgekomen en schiet nu van links naar rechts door het heldere water boven het ijs, een uitgehongerde reiger zit hem nog tamelijk kwiek achterna, glijdt uit en kijkt mij aan met een gezicht van wat-krijgen-we-nou!, maar weet het visje toch te vangen. Als hij hem op heeft slaakt de reiger een luide krijsende kreet en verdwijnt met statige wiekslag. Grappig, tegelijk griezelig silhouet boven de daken. Nu alleen nog de nachtegaal, die zal over een maand of twee hier zijn en de zwaluwen ook. Zo zal ik in de lente ontspannen roeien en dobberen op de wateren van de meren in de buurt, onder een hoge boom zal ik aan- leggen, de vogels zullen zingen, de mieren, de bijen, de torren en de rupsen zullen opstijgen uit de grond en nieuwsgierig rondkijken en dan kus ik jou, mijn lief, dan kus ik jou in de roeiboot, de winter is voorbij! Ik voel me een beetje als de Russische veerpontman: maanden hebben de mensen hem het brood uit de mond gestoten door over het water van de brede rivier te lopen, der Fluss, erstarrt zu Eise, maar nu ziet hij de schotsen al in woelende stoeten voorbijglijden, stil, stil, en hij weet dat hij over een dag of tien weer geld zal hebben, zijn wodkaatje kan drinken en vers brood eten, een tomaat misschien: hij zal het eindelijk weer warm hebben! Dit is Vjesna v Lejdenje. Lente in Leiden. Gelukzalig loop ik naar huis, en als ik thuis ben zie ik de ruïne die de poezen van de boekenkast hebben gemaakt niet. Ik voel me gloeiendheet over mijn hele lichaam en tril van gezondheid door de doorstane inspanning. Zeker vierhonderd kilo ijs en zeshonderd liter natte sneeuw heb ik uit mijn boot gekieperd en nu ligt mijn boot nog los ook! Nu drink ik mijn whisky met kleine teugjes en steek een kleine sigaar op. Wat smaakt me dat alles lekker. Ik kan niet begrijpen waarom ik eigen- lijk zo boos ben geweest. Rustig tref ik een maatregel: alle boeken komen weer op hun plaats en aan de zijkant van de kast spijker ik hier en daar plankjes (dat had ik al veel eerder moeten doen) zodat de poezen nooit meer in de kast kunnen. Een halfuur ben ik bezig. Dan komt Eva thuis, ik kus haar hartelijk en zeg niets over wat er is voorgevallen, ik maak haar geen verwijt en aai de poezen en geef Mikkie een groot stuk van mijn eigen worst. Na het avondeten ga ik met Nabokov naar boven naar mijn kamer. Ik schaam me eigen- lijk dat ik één keer van mijn leven ruzie heb gemaakt. Ik steek een pijp op en lees in mijn boek, het raam staat open en ik hoor dat het nog steeds een beetje regent. Zonder dat ik het me bewust ben begin ik te neuriën: ‘Über alle Gipfeln ist Ruh.’ Ik leg Nabokov even naast me neer en schrik niet als, pang! rombombom, een kolossale schots ijs van het dak vlak boven mijn hoofd losraakt en op twintig centimeter van mijn achterhoofd naar beneden raast en met een dreun de begane grond bereikt, een glas met water op een hoog en smal voetstuk dat op mijn bureau staat valt er haast van om, zo trilt mijn huis. Buiten komt een jongen voorbij en hij zingt een liedje uit mijn jeugd, de jongen loopt in de regen en hij zingt, ik vond dat liedje altijd zo leuk en nu ook, ik weet niet precies waarom, want het heeft niets te maken met de dooi en de onbenullige ruzie waar- onder Eva en ik dermate geleden hebben:

‘En ik heb jou voor het eerst ontmoet

daar bij de waterkant,

daar bij de waterkant,

daar bij de waterkant!’ ,

J.M.A. Biesheuvel, uit: Godencirkel, 1986

Lees hier de drie korte verhalen van Maarten Biesheuvel die we eerder op Volkskrant.nl hebben gepubliceerd: Reisavonturen , Handwerk en Mijn grootste schrik.

Meer over