LeeswijzerMarieke Lucas Rijneveld

Volkskrant Leesclub: Marieke Lucas Rijneveld, pas 29 jaar, lijkt nu al niet meer uit de letteren weg te denken. Wat maakt haar zo goed?

Het zesde boek dat we lezen in de Volkskrant Leesclub is Mijn lieve gunsteling van Marieke Lucas Rijneveld. Dit is de leeswijzer van leesclubbegeleider en Volkskrantrecensent Onno Blom. Meedoen? Word lid van onze facebookgroep.

Van het gevreesde tweederomancomplex heeft Marieke Lucas Rijneveld geen last gehad. Mijn lieve gunsteling is tenminste net zo goed als haar eerste roman uit 2018, De avond is ongemak, waarvan de Engelse vertaling onlangs werd bekroond met de International Booker Prize. Afgelopen week werd Mijn lieve gunsteling door de literaire kritiek juichend onthaald. Hoewel Rijneveld pas 29 jaar is, lijkt zij nu al niet meer uit de letteren weg te denken. Wie is zij? En wat maakt haar zo goed?

Marieke Rijneveld (20 april 1991) groeide op in Nieuwendijk, een plattelandsdorpje in Noord-West Brabant. Ze is de dochter van een gereformeerde boer en onderwijzer, en worstelde al jong met haar geloof en identiteit. Ze ‘schemerde’ tussen jongen of meisje, wilde geen keuze maken welk van beide ze wilde zijn. Toen ze ging schrijven voegde ze de naam van een fantasievriendje, ‘Lucas’, toe aan haar auteursnaam.

Haar literaire held is Jan Wolkers, met wie ze opvallend veel gemeen heeft. Beiden wilden ontsnappen aan het gereformeerde milieu waaruit zij voortkwamen – al rekende Wolkers daarmee harder af dan zij – en beiden hebben een grote liefde voor de natuur. In hun werk klinkt het ritme van het Oude Testament. Ze stapelen beeld op beeld, metafoor op metafoor. Er kolkt een duistere onderstroom.

Glashelder en glashard 

In een interview met Sara Berkeljon in deze krant vertelde Rijneveld dat ze Jan Wolkers met name bewondert om zijn vermogen om onverbiddelijk te zijn, om glashelder en glashard te schrijven over zijn ouders, het gezin en de benepen wereld waaruit hij voortkwam. Net als Wolkers is Rijneveld een obsessieve schrijver. Haar werk kan – net als dat van hem - worden gezien als een bezwering van de dood. Gedichten, verhalen en romans zijn dan een vorm van rouwverwerking, waarin afscheid wordt genomen van een verloren tijd, een geliefde of een trauma.

De vergelijking voert zelfs nog verder: het lijkt wel of hun schrijverschap stamt uit hetzelfde trauma. Beiden hadden een oudere broer die op jonge leeftijd stierf. De dood van Wolkers’ broer Gerrit leidde tot zijn eerste gedichten en zijn debuutroman, Kort Amerikaans. Marieke was drie toen haar twaalfjarige broer stierf bij een ongeluk, op weg naar school. De leegte vulde zij met haar verbeelding. De dood kuste haar schrijverschap tot leven.

Rijnevelds poëziedebuut, Kalfsvlies – verschenen in 2015, ze was toen vierentwintig – bestaat uit zeer breed uitwaaierende regels. Het is bijna proza dat op schijnbaar toevallige momenten wordt onderbroken voor een volgende regel of een punt. Geregeld wordt er in de woordenstroom een vraag opgeworpen, die een meanderend averechts, associatief antwoord krijgt. Of eigenlijk: verschillende mogelijke antwoorden, steeds gevangen in een nieuwe metafoor. Of geen antwoord. Ze lijkt zich nooit vast te willen leggen, wil onaanraakbaar blijven. Het kind in zichzelf bewaren:

‘Ik wil geen platteland, waar ik door de modder heen moet banjeren om te voelen / dat mijn benen een woeste ondergrond kunnen tillen, steeds mezelf toedekken met / lakens of met naakte personen, mezelf oprollen als een alleen gelaten kalf dat wacht / tot iemand het vlies weer over zijn kop heen trekt, terugduwt in de moeder zoals / kunstenaars dat kunnen in hun hoofd of met acrylverf, hoe romantisch / zou de puber in mij dit oplossen?’

Kalfsvlies was een groot succes. De bundel werd bekroond met de C. Buddingh’ Prijs, en is al aan de elfde druk toe. Ook de critici zagen haar talent, maar vonden aanvankelijk óók dat zij haar schrijverschap nog niet in de hand had. Te vaak liepen haar vergelijkingen op niets uit, vonden zij, werden mooie beelden bedolven onder teveel andere. ‘De taal stroomt, jazeker,’ schreef Piet Gerbrandy in De Groene Amsterdammer , ‘maar er zit geen rem op.’

Debuutroman 

In De avond is ongemak, Rijnevelds debuutroman uit 2017, trekt een androgyn boerderijmeisje haar jas niet meer uit nadat haar broer Mathies is gestorven. Hij is onder het ijs verdwenen bij een schaatstocht naar de overkant. De dood van de jongen dompelt het gezin in diepe rouw. De ouders reageren zwijgzaam en afstandelijk, klampen zich vast aan hun geloof. De drie overgebleven kinderen verliezen zich in perversiteiten, seksuele spelletjes en het martelen van dieren. Om aan de ijzige werkelijkheid te kunnen ontsnappen hult zij zich in haar fantasie. Jas flirt met dood en pijn.

‘‘‘Ooit wil ik naar mezelf toe,” zeg ik zachtjes en duw de punaise door het zachte vlees van mijn navel. Ik bijt op mijn lip om geen geluid te maken, een stroompje bloed loopt richting de band van mijn onderbroek, trekt daar in de stof. Ik durf de punaise er niet uit te halen, bang dat het bloed alle kanten op zal spuiten en iedereen in huis weet dat ik niet naar God maar naar mezelf toe wil.’

De avond is ongemak was een onmiddellijke bestseller, maar het succes werd pas echt spectaculair toen aan de Engelse vertaling van Michel Hutchinson, The Discomfort of Evening, de International Booker Prize 2020 werd toegekend. “Through pungent comedy and the sheer poetry of its perceptions,’ staat er in het juryrapport, ‘Marieke Lucas Rijneveld’s The Discomfort of Evening is a work of spellbinding beauty, translated with truly breathtaking sensitivity by Michele Hutchison. […] In truth, this book astounded us all when we first enountered it in the judging process and our fascination has only deepened on a second and third reading.’

Rijneveld reageerde op de bekendmaking in stijl door te verklaren dat ze ‘zo blij was als een koe met zeven uiers’.

In Mijn lieve gunsteling heeft Rijneveld het perspectief gedraaid. De ‘ik’ in haar debuut is een ‘jij’ geworden. De verteller van de roman is een negenveertigjarige veearts die een obsessionele liefde ontwikkelt voor een veertienjarig jongensmeisje op een boerderij. Het meisje raakt ook in zijn ban, een verboden liefde vlamt op – waaraan zij beiden dreigen te onder te gaan

In interviews heeft Rijneveld verteld dat ze in haar jeugd misbruikt is door een docent van haar middelbare school. ‘Verder kan en wil ik daar niks over zeggen. Ik ben toen grotendeels gestopt met praten, het lukte niet meer, ik was emotioneel op. Ik heb een jaar niet gesproken.’ Het kerngegeven van Mijn lieve gunsteling moet autobiografisch zijn. Wie googelt vindt zelfs de bewijzen van een zaak die, jaren nadat het misbruik plaatsvond, voor de rechter kwam.

Voor de roman maakt het niet uit wat ‘waar gebeurd’ is of niet. Hoewel de verteller af en toe de magistraten aanspreekt, is zijn verhaal niet louter een rechtbankverslag, het resultaat van therapie of een afrekening. Nee, Mijn lieve gunsteling is het tintelende, zwart-romantische bewijs van een verbluffende verbeelding, vormgegeven in tomeloze, genadeloze taal.

Interessant is dat Rijneveld laat zien waar haar taal vandaan komt, aan welke boeken, films en songteksten zij haar morbide verbeeldingskracht heeft ontleend. Zo noemt zij de veearts – voor de goede orde: een getrouwde man met kinderen van haar leeftijd – liefkozend ‘Kurt’, naar Kurt Cobain, de zanger van Nirwana die op zijn zevenentwintigste zelfmoord pleegde. De roman ritselt van de verwijzingen en citaten uit de wereldliteratuur – van Lewis Carroll tot Herman Melville, van Marcel Proust tot Roald Dahl

‘…en ik kon het niet helpen, dat ik daar zat met mijn onbeholpen hitsigheid en dat ik niet meer wist of ik je wilde koesteren of uiteen wilde scheuren, misschien wilde ik het wel allebei, lieve hemel ja, ik wilde het allebei, en de smerige stalbroek knelde bij mijn geslacht en ik wilde de zolen van je voeten aanraken die nog rimpelig waren van het zwemwater, ik wilde de regels van Roald Dahl uit je hoofd zoenen en ze vullen met mijn woorden, maar je leek zo ver weg ineens…’

‘Kurt’ ‘verziekt’ de geest van het porseleinen meisje door haar Lieve jongens van Gerard Reve voor te lezen. Hij weet dat hij haar zuiver moet houden, niet moet bezoedelen. Maar zijn lust is te sterk. In feite heeft hij hetzelfde doel als de verteller in Reve’s roman: door de kracht van zijn verhaal de begeerde in bed houden, en zijn slachtoffer te folteren met zijn ‘gewei’.

’O, de heerlijkheid van het woord gewei, het gezwollen geslacht van de verteller waarmee hij het jongensbeest begeerde, en het was daar in het kinderlusthof, terwijl je broer en je pa nog op het land reden en we omringd werden door een walm van douchegel en gier, en dat ik je hand pakte en hem op het kruisstuk van mijn broek legde, en je liet hem eerst wat zwaar en lusteloos daar liggen om toen pas voorzichtig aan de welving te voelen….

In Mijn lieve gunsteling blijft één roman ongenoemd, die zich wel onweerstaanbaar opdringt: Lolita van Vladimir Nabokov. Rijnevelds roman heeft dezelfde werking op je als dat wereldberoemde meesterwerk: je wordt heen en weer geslingerd tussen walging en opwinding, angst en betovering. Elke regel schrijnt. Knaagt aan je. Doet je twijfelen aan schuld en boete, aan je eigen moraal.

‘…en ik verkondigde het grootste verdichtsel van de eeuw want ik wist dat ik de pruimenplukker was, de jammaker, en ik zei dat je nog steeds een kind was, ondanks het bloed, je was mijn kind, mijn lieve gunsteling, en ik vroeg of je het je pa had verteld en je zei dat je het op het boodschappenbriefje had geschreven tussen de roomboter en de ontbijtkoek in, je had geschreven: ik bloed als een rund.’

Mij dwong Mijn lieve gunsteling me af te vragen: hoe ver mag fictie gaan?

Wat maakt Marieke Lucas Rijneveld onmiskenbaar tot Marieke Lucas Rijneveld?

Wellicht heeft u daarover iets te zeggen in de Volkskrant Leesclub.

Ik ben benieuwd.

Meer over