VOETNOTEN BIJ DE SUMMER OF LOVE

Heel even was San Francisco het epicentrum van de hippiebeweging...

‘If you’re going to San Francisco, be sure to wear some flowers in your hair.’Behalve een van de grootste hits in de zomer van 1967 was deze door Scott McKenzie gezongen ode aan San Francisco ook een van de meest gehate liedjes onder hippe popliefhebbers. Veel te lief en zwijmelend, bovendien geschreven door John Phillips van de Mamas And The Papas, uit Los Angeles.

San Francisco komt dan ook niet voor op de vier cd’s tellende box Love Is The Song We Sing – San Francisco Nuggets 1965-1970. De uitgave – een gebonden fotoboek met de cd’s in de kaft gestoken – oogt al meteen prachtig. Honderdtwintig glanzende bladzijden vol mooi fotomateriaal van bekende (Janis Joplin, Jefferson Airplane, Grateful Dead) en onbekend gebleven (The Vejtables, The Tikis, Public Nuisance) bands en artiesten. De balans tussen beroemd en obscuur is ook wat de goeddeels chronologisch geordende cd’s zo aardig maakt. De samenstellers hebben nadrukkelijk niet voor de makkelijke weg gekozen – al konden ze natuurlijk niet om Jefferson Airplane’s White Rabbit heen. Maar het zijn de opnamen van bands als The Oxford Circle en The Otherside die illustreren waar het platenmaatschappij Rhino om te doen was: aantonen hoe rijk en divers de rock ’n’ roll-scene in San Francisco was in de tweede helft van de jaren zestig.

Met tentoonstellingen, herdenkingstijdschriften en boeken is de afgelopen zomer uitgebreid stilgestaan bij het veertigjarig jubileum van The Summer Of Love, en San Francisco speelde daarin een voorname rol. Hier werden de Love-In’s gehouden, en het was deze stad die symbool kwam te staan voor flower power en hippiedom. Daar waar de straten Haight en Ashbury elkaar kruisen, lag het epicentrum van de hippiemuziek. In de Victoriaanse huizen en het nabijgelegen Golden Gate Park werd niet alleen eindeloos veel drugs gebruikt, er werd ook volop muziek gemaakt. De muziek-scene was er levendiger en geconcentreerder dan die in New York en Los Angeles, en dat is af te horen aan Love Is The Song We Sing. Je hoort de invloeden van Britse beat (Kinks, Beatles) en Amerikaanse folkrock van Bob Dylan en The Byrds bij veel bands terug, maar tegelijk wordt er volop geëxperimenteerd: Blue Cheer legt de basis voor de latere hardrock en Santana ontwikkelt zijn geheel eigen latinrock-variant.

San Francisco verwierf zijn plaats in de geschiedschrijving vooral dankzij Jefferson Airplane, Janis Joplin en Grateful Dead. Iets lager in de hiërarchie treffen we de bands Beau Brummels en Moby Grape aan, terwijl ook Sly Stone hier de basis legde voor zijn funk.

Vergelijk je San Francisco echter met Los Angeles, dat in dezelfde periode Frank Zappa, The Byrds, The Doors en Love voortbracht, dan is de stelling verdedigbaar, dat het allemaal toch wat mager is wat de stad van de Love-In’s aan relevante popmuziek heeft voortgebracht. Het was er bovendien snel afgelopen met de gezellige sfeer. Dank zij Scott McKenzie’s oproep werd de stad overspoeld door klaplopers en talentloze gelukszoekers. In Los Angeles zou eind jaren zestig in de wijk Laurel Canyon een veel interessantere muzikanten-scene ontstaan van singer songwriters (Jackson Browne, Joni Mitchell) en bands als The Eagles.

Desondanks is Love Is The Song We Sing een prachtig document van een periode en een regio waarin het even niet op leek te kunnen met nieuw muzikaal talent.

Zoals deze box duidelijk maakt dat Amerikaanse psychedelische rock in de jaren zestig meer behelsde dan Jefferson Airplane en Grateful Dead, zo zit in Real Life Permanent Dreams eveneens een boodschap verstopt. Deze box met vier cd’s brengt hetzelfde tijdvak in de Britse psychedelische rock in kaart. De aanmerkelijk minder deftig ogende box vult een leemte: Britse psychedelica is te lang uitsluitend in verband gebracht met Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band van The Beatles en The Piper At The Gates Of Dawn van Pink Floyd, beide uit 1967.

De vier cd’s maken nog eens duidelijk dat deze platen een enorme invloed hadden; er blijkt sprake van een tweedeling in de Britse psychedelica voor en na 1967. Maar ook hier zijn het de onbekendere namen die verrassen: The Drag Set, Gilbert en Twice As Much. Dat bekender werk ontbreekt, komt overigens ook doordat platenlabel Castle geen toestemming kreeg naast Pink Floyd of The Beatles werk van bijvoorbeeld Soft Machine in de box op te nemen. Ook The Kinks en de Small Faces ontbreken. Een bewuste keuze, schrijven de samenstellers, omdat iedereen die liedjes uit zijn hoofd kent en ze liever onbekender werk laten horen.

Het maakt de selectie soms wat gewild obscuur. Waarom een veel mindere ‘previously unreleased alt. version’ van Arthur Browns Fire dan de originele hit uit 1968?

Aardig is wel dat hier, net als in de San Francisco-box, de kiem voor latere ontwikkelingen te vinden is. Britse rock wordt tegen het einde van de jaren zestig niet alleen harder maar ook complexer en zal na 1970 verzanden in de progrock. Bands als The Nice en Fat Mattress geven vast een voorproefje wat de rockgeschiedenis met bands als Emerson Lake And Palmer en King Crimson nog te wachten stond.

Niet alles is even mooi of tijdloos op deze acht cd’s, maar samen vormen ze een belangrijke voetnoot bij een periode in de popgeschiedenis waarin toch te veel belang aan grote namen als Jefferson Airplane, The Doors en de Beatles is toegekend.

Meer over