Voetbal was grotendeels nog een sport voor heren

Zesenzeventig jaar geleden, op 12 juni 1921, speelde Chris Walder zijn enige interland, met het Nederlands elftal tegen Denemarken. Zeeziek dat hij was op weg naar Kopenhagen!...

Jonkheer Van der Mieden van Opmeer, over hem wil Chris Walder ook nog wel iets over kwijt. Ze speelden een keer tegen elkaar, de Haagse jonkheer en de Bredase loodgieterszoon, rechtsback van HVV en linksbuiten van UVV. Stond Van der Mieden van Opmeer plotseling toch een kabaal te maken!

Ten onrechte, want Walder stond niet eens offside. Mooi dat zijn doelpunt werd goedgekeurd!

In dezelfde wedstrijd had de jonkheer tegen de jonge, snelle linksbuiten gezegd dat het geen pas gaf dat hij hem tutoyeerde.

Het was 1922.

Acht jaar was hij toen een longontsteking hem trof. Een jaar lang lag hij in bed. Mevrouw, meneer, zei de dokter tegen zijn ouders, hij moet voortaan voorzichtig zijn. Maar u mag hem zijn vreugde niet ontnemen. Chris Walder sprong bijna tegen het plafond, zo blij was hij. Hij mocht blijven voetballen.

Als senioren van NAC het veld van de Chassé-kazerne in Breda in bezit namen, was hij ballenjongen, net zoals zijn vrienden. Voetbal was alles voor hem. En toen werd hij ziek.

Jaren later kwam zijn vader eens naar een wedstrijd van hem kijken, NAC tegen Willem II. Zijn vader geloofde zijn ogen niet. Stond Chris daar in dat volle stadion, zijn zoon die in zijn jeugd zo met zijn gezondheid had gesukkeld. Héél mooi was dat.

De mensen kunnen zich niet meer voorstellen hoe dat ging, toen. In 1921 won NAC de laatste wedstrijd in de kampioenscompetitie met 3-0 van Go Ahead. Als Be Quick op dezelfde dag in Amsterdam zou verliezen van Ajax, zou NAC kampioen zijn. Maar hoe kwam je achter de uitslag, in een tijd waarin bijna niemand telefoon had?

Per trein, via Nijmegen en Den Bosch, keerde NAC terug uit Deventer. Geruchten deden de ronde, maar wie moest je geloven? Gelukkig kwamen de treinen uit Deventer en Amsterdam tegelijkertijd op het station van Den Bosch aan. Eerst geloofden ze het nog steeds niet, totdat een bekende, de voorzitter van Wilhelmina, zijn toegangskaartje liet zien.

Met dat overtuigende bewijs dat hij getuige was geweest van Ajax - Be Quick in de hand, maakte de man op het perron de uitslag officieel bekend: 2-1, NAC kampioen van Nederland.

In Den Bosch ging gejuich op, een gekkenhuis was het, en in Breda was het nog veel erger. De spelers, ook hij, werden uit de trein gesleurd en op het stationsplein stond het werkelijk zwart van de mensen.

Chris Walder werd in mei 1921, als reserve, geselecteerd voor het Nederlands elftal dat in Antwerpen tegen België speelde. Hij vond dat magnifiek natuurlijk, maar vreemd was het wel dat de broers Boelie en Dé Kessler hem en enkele andere spelers nauwelijks zagen staan.

De Kesslers reisden apart naar België. Voetbal was grotendeels nog een sport voor heren en vooral Dé Kessler voelde zich ver boven de anderen verheven. Dat was niet zo gek want hij en zijn broer speelden bij HVV, de Haagse club van stand.

Een maand later, op 12 juni, speelde hij zijn eerste, enige interland. Alleen de reis naar Kopenhagen al. Met de trein naar Groningen, daar verzamelen en trainen, naar Noord-Duitsland en dan met de boot naar Denemarken. Werd hij toch zeeziek!

Zo ziek zelfs dat hij bang was dat hij niet mee zou kunnen spelen. Maar hij speelde toch, en goed ook, want hij was snel en deed er alles aan om te winnen.

Nog ziet hij zichzelf in Kopenhagen de hand schudden van de Deense koning Christian, een lange man. Grote Chris en Kleine Chris, grapten zijn ploeggenoten, want hij was maar klein.

Hij pakt de elftalfoto erbij. Niet dat hij de spelers nog kan onderscheiden, zijn ogen laten hem in de steek maar gelukkig gaat lopen nog goed, maar hij wil de foto graag laten zien. Alle anderen op de foto zijn inmiddels vertrokken, ja, wat dacht je dan? Hij was de jongste van het elftal.

Voetbal was alles voor Chris Walder. Maar toen hij in 1922 door Kwatta van Breda naar Amsterdam werd overgeplaatst en voor UVV ging spelen, ontmoette hij op kantoor een meisje, Lena. En dat meisje was lid van de Apostolische Gemeenschap, een kerkgenootschap dat de buitenwereld liefst buitensloot. Voetbal was vergif, jazeker, zo erg was het.

Walder was 24 jaar toen hij stopte met voetballen. Het moest zo zijn, het was liefde en hij had nog wel tien jaar kunnen spelen, ook misschien wel in het Nederlands elftal, maar hij stopte. Uit liefde voor haar.

Als broeder en later voorganger van de Apostolische Gemeenschap diende hij in 43 verschillende gemeentes. Dat werk was beter dan voetbal, vond hij. Niet leuker, maar béter. Nog jaren later kwamen clubs, gerenommeerde eersteklassers ook, bij hem langs. Of hij niet weer wilde gaan spelen.

Maar nooit hij spijt gehad van zijn beslissing om te stoppen. Hij ging soms nog wel eens kijken. In 1928 zag hij alle voetbalwedstrijden op de Olympische Spelen van Amsterdam. En vorig jaar nog was hij in Breda te gast bij NAC dat hem benoemde tot erelid.

Chris Walder houdt nog steeds veel van voetbal en koestert zijn herinneringen zorgvuldig, samen met Lena. Hij zou zoéweer een partij willen voetballen, zegt zijn vrouw (90) in de verzorgingsflat in Baarn. Chris en Lena Walder zijn binnenkort 67 jaar getrouwd, na een verloving van zeven jaar.

Van die long heeft Chris Walder nooit meer last gehad.

Paul Onkenhout

Meer over