Vluchten, met het lijk van je broer als enig aandenken

In een monumentaal fotoboek vertelt Claudia Heinermann het verhaal van Duitse wezen die tijdens en na WOII naar Litouwen vluchtten en overleefden in wouden en boerenschuren. De Volkskrant zocht enkele laatst levenden op.

Waltraut Minnt in haar keukenBeeld Claudia Heinermann

Niet ver van de rivier de Memel tussen Litouwen en het Russische Kaliningrad woont met haar zoon het wolfskind Waltraut Minnt. Een driekamerboerderij zonder stromend water. Drie schapen in de stal, een bonkig werkpaard, kippen op het erf - de dieren waarmee Waltraut zich zichtbaar beter op haar gemak voelt dan met het bezoek. Ze aait de schapen, knuffelt de knol en kalmeert ze zonder noodzaak met kwetterende geluidjes. Ze woont ver weg, aan de rand van het bos dat nog eens geelrood oplicht in het strijklicht van de zon, voordat de laatste bladeren, de lange noordse nachten en de sneeuw vallen.

Waltraut - eind 70, beweeglijk, klein en nog slechts in het bezit van enkele tanden - ivoren herinneringen aan de kiespijnen die ze als zwerfkind leed - ontvangt in de keuken. Het bezoek: documentair fotografe Claudia Heinermann en de Volkskrant-journalist. Het is er snikheet: niet ongebruikelijk in huizen in deze contreien. Maar als we haar levensverhaal aanhoren, is het niet moeilijk voor te stellen dat de hoog opgestookte houtstoof ook de kou moet verdrijven die in haar kinderjaren voor altijd in haar botten is getrokken.

Waltraut is een van de duizenden Duitse, Oost-Pruisische, kinderen die in de chaos in en na de Tweede Wereldoorlog de Memel overstaken. Vaak als verstekeling in treinwagons, soms met een bootje overgezet, of balancerend op een wankel vlot, met alle risico's van dien. Wat de kleine Deutschen, zoals ze in Litouwen al gauw werden genoemd, gemeen hadden was: niets. Ze hadden geen ouders meer, geen bezittingen, geen eten en geen onderdak. Ze konden zich niet verstaanbaar maken, hadden geen documenten, waren gehuld in lompen. Terwijl de Sovjets en de nazi's de hel die de slagvelden van Noordoost-Europa toch al waren, vervolmaakten met vervolging van de bevolking, sloegen kinderen vanaf de kleuterleeftijd die dat konden op de vlucht. Met het gekrijs van hun moeder die alvorens te worden vermoord werd verkracht, of het lijk van een broer of zus als laatste herinnering aan thuis, maakten ze zich uit de voeten. En verborgen zich in het bos. Sommigen leefden daar of in de buurt van boerderijen en dorpjes jarenlang, 's zomers en in ijzige winternachten, met het gehuil van wolven ver weg of dichtbij. Overdag gingen ze op bedeltocht, langs de Litouwse boeren. Velen, onbekend is hoeveel precies, zijn er gestorven door honger, kou, uitputting of verdrinking. Waltraut heeft wolven bij zich gehad. Haar hebben ze niets aangedaan, ze kon ze aaien.

Waltraut Minnt (midden) in de jaren vijftig.
Bos bij Kaunas, de tweede stad van Litouwen, waar wolfskinderen moeten hebben rondgezworven.Beeld Claudia Heinermann

Vrees voor deportatie

Documentair fotografe Claudia Heinermann (48), geboren in Duitsland en vanaf haar 18de wonend in Nederland, stuitte toevallig op het ongelofelijke verhaal van de wolfskinderen in Litouwen. Ze begon te googlen naar informatie over die kinderen uit het voormalige Königsberg (na de oorlog door de Sovjets omgedoopt tot Kaliningrad). En zes weken later bevond ze zich - gelukkige timing - op een door weldoener baron Wolfgang Von Stetten (over hem later) georganiseerde bijeenkomst in Duitsland te midden van zo'n dertig wolfskinderen. Het leeuwendeel van de gestaag door ouderdom uitstervende groep van nu nog ruim zestig overlevenden.

De verhalen die ze hoorde, sterkten Heinermann in de overtuiging dat zij de wolfskinderen moest fotograferen. In 2011 reisde ze voor het eerst naar Litouwen, samen met de Duitse journaliste Sonya Winterberg, die zich toevallig ook verdiepte in de wolfskinderengeschiedenis en met wie ze een samenwerkingspact heeft gesloten. Heinermann bezocht Litouwen veelvuldig, in alle jaargetijden. Morgen presenteert Heinermann op haar expositie in het Nutshuis in Den Haag haar monumentale fotoboek over de wolfskinderen.

'Wat me raakte, is dat hun verhalen altijd verstopt zijn gebleven. In Königsberg werd gemoord, iedereen vluchtte. In Litouwen was bij de boeren vaak nog wel iets te eten te krijgen. Veel kinderen zijn vroeg of laat opgenomen in gezinnen, meestal bij boeren. Daar kregen ze een Litouwse naam en werd hun verboden Duits te praten. De buitenwereld mocht van niets weten.' De vrees voor deportatie was enorm in Litouwen, dat na de oorlog door de Sovjet-Unie van Stalin werd ingelijfd. Talloze gezinnen werden naar Siberië gestuurd, en de angst dat de vondst van een Duits kind reden zou zijn voor zulke repercussies was niet ongegrond. Ook Waltraut werd aan het einde van de oorlog met haar moeder en zus op transport naar Siberië gestuurd. Haar moeder overleed nog in de trein. Haar zus stierf in het werkkamp. Waltraut werd daarop naar Litouwen gestuurd, de streek langs de rivier, en begon haar omzwervingen door de bossen, bedelend bij boerderijen, soms onderdak vindend, dan weer verstoten.

Expositie in Den Haag

In het boek Wolfskinder, A Post-War Story, heeft Claudia Heinermann 23 bejaarde wolfskinderen geportretteerd, hun leven gedocumenteerd en landschapsfoto's gemaakt op de plekken waar zij kunnen hebben rondgezworven. De teksten worden vertaald in het Litouws, zodat de kinderen zelf - voor het eerst - kennis kunnen nemen van wat er over hen is geschreven. Het boek (404 pagina's, in eigen beheer uitgegeven, 50 euro) is vormgegeven door Sybren Kuiper. Te bestellen op: wolfskinder.eu Het wordt morgen gepresenteerd op Heinermanns tentoonstelling in het Nutshuis in Den Haag, die duurt t/m 9/12.

Beeld -

Langetermijngevolgen van de oorlog

Vrijwel alle wolfskinderen groeiden op in de coulissen van de naoorlogse samenleving. Tenzij de pleegouders bemiddeld waren en aan vervalste documenten konden komen waardoor hun pleegkind Litouws scheen, waren wolfskinderen veroordeeld tot een leven zonder schoolopleiding. Ze leerden niet lezen en schrijven maar werkten voor kost en inwoning op het land. Ze verdienden, in de jaren van de stalinistische landbouwcollectivisatie, voor hun geploeter een paar kopeken per week op de kolchoze, de staatsboerderij. De meisjes hielpen in de huishouding de eindjes aan elkaar te knopen - een dagtaak voor alle huisgenoten in de jaren van schaarste die het hele naoorlogse decennium zou duren.

Heinermann portretteerde een groot aantal wolfskinderen, bekeek met hen de - indien nog aanwezige, dan schaarse - jeugdfoto's in zwart-wit met niet meer dan flarden van herinneringen aan een huis, een tuin, een vagelijk bekend gezicht. Hoorde hun door de ziel snijdende verhalen aan. 'Nieuwsgierigheid en verwondering voeren bij mij de boventoon. Ik moet het leed van deze mensen scheiden van mijn eigen emoties. Ik heb empathie, maar ik wil niet over ze dromen.'

Ze fotografeerde eerder bij opgravingen en identificaties van Duitse gesneuvelden in Rusland en bij massagraven in Bosnië, de bittere vruchten van de Joegoslavische burgeroorlog. Ze onderzoekt vooral de langetermijngevolgen van oorlog. Als de strijd is gestreden en de media hun aandacht hebben verloren, dan wakkert Heinermanns belangstelling aan. 'Mensen noemen het wel macaber wat ik doe, maar ik ben oprecht nieuwsgierig naar wat in de graven wordt aangetroffen - hoe de natuur werkt. Het zijn de persoonlijke verhalen die aan de stoffelijke resten verbonden zijn die je onder de huid kruipen. Zoals de brief van een vader van vier kinderen aan het Oostfront, die zijn vrouw schreef of ze met hen wilde bidden voor zijn terugkeer, omdat God kindergebeden verhoort. Een maand later werd hij door zijn kop geschoten. Er liggen rotzakken onder de grond, maar ook jongens die helemaal niet wilden vechten. Dergelijke kennis hoort in ons collectieve bewustzijn. Ik wil met mijn foto's laten ervaren hoe persoonlijke verhalen en het klinische van zo'n opgraving aan elkaar raken. Bijvoorbeeld als er een trui wordt gevonden. Dan denk je: ooit is die door een vrouw gebreid. Of een potloodstompje, waarmee brieven naar huis zijn geschreven.'

Waltraut MinntBeeld Claudia Heinermann

Verstild moment

Met haar portretten van de wolfskinderen probeert ze door te dringen tot hun kern. 'Ik zoek geen hevige emoties, maar een verstild moment, als ze zichzelf zijn. Iedereen draagt een masker maar als je geduld hebt, valt dat bijna altijd na een paar minuten af. Dan komt er een puur mens tevoorschijn. Door hun heftige geschiedenis komt er bij de wolfskinderen vaak kwetsbaarheid boven. Maar dat ze ons dat durven te laten zien, betekent juist dat ze sterk zijn, een soepel hart hebben. Het is belangrijk dat deze verhalen bewaard blijven voor toekomstige generaties. Ze horen bij ons collectieve bewustzijn, en het zijn universele en tijdloze verhalen. In elke oorlog worden kinderen die niets met dat conflict te maken hebben getroffen en getraumatiseerd voor de rest van hun leven.'

We lopen door de eenzame wouden bij Kaunas, de tweede stad van Litouwen, waar een gure bries de winter aankondigt. Groepen naaldbomen en kalende berken wisselen elkaar af, en soms staat er een grote loofboom die er in de oorlog ook al was. Onder de sparren is de grond omgewoeld - vermoedelijk door zwijnen. Ook hier moeten wolfskinderen hebben rondgezworven, geslapen onder takkenbossen, bladeren en gras hebben gegeten als een bedeltocht niets had opgeleverd. En ook hier zullen ze zijn bezweken, bij 20 graden vorst of meer. Op Heinermanns landschapsfoto's zijn van dat lijden geen sporen terug te vinden, maar veel fantasie is er niet nodig om te beseffen hoe onbarmhartig deze omgeving voor wolfskinderen is geweest. Er lagen mijnen. Overal zwierven partizanen rond, Litouwse verzetsstrijders die tot in de jaren vijftig een bloedige, verdoemde guerrillastrijd voerden tegen de overmacht van het Rode Leger. Nog steeds vielen er schoten.

Het huis van Waltraut Minnt in Litouwen, waar ze woont met haar zoon.Beeld Claudia Heinermann

Met zoetigheid gelokt

Tot de val van de Muur, de ineenstorting van de Sovjet-Unie en de onafhankelijkheid van de Baltische Staten, waaronder Litouwen, bleef het onderwerp van de wolfskinderen taboe. Enkele duizenden Duitse verdrevenen hadden rond 1950 gevolg gegeven aan een oproep van de autoriteiten om terug te keren naar Duitsland - de DDR wel te verstaan. De meesten gaven geen krimp, met verkrampte situaties tot gevolg. Zoals die keer op een begrafenis dat het ene wolfskind tegen het andere fluisterde: 'U bent toch ook Duitse?' Waarop de ander stellig had ontkend en gesnauwd: 'Hoezo, valt er iets te horen dan?' Luise Quitsch (75), zelf wolfskind, vertelt het van vriendinnen overgeleverde voorval met plezier. Toen de Russen in de jaren negentig vertrokken waren, hadden de kemphanen hartelijk om het voorval gelachen. Sindsdien, tot het overlijden van een van hen, waren de twee hartsvriendinnen, vertelt Quitsch.

De levensloop van Luise - jeugdige uitstraling, aanstekelijke giechel, maar zo verlegen dat ze haar gesprekspartner niet aankijkt - is voor een wolfskind uitzonderlijk. Niet haar vroege oorlogservaringen, maar het vervolg is opmerkelijk. Over haar peuterjaren spreekt ze zonder zichtbare emotie: 'Ik herinner me de stank van vreemde mannen, hun ogen die anders waren. Het geschreeuw van vrouwen, de explosies en de bomen die opvlamden als fakkels. Ik ben door een tante op een wagen gezet met een paard ervoor en zo vluchtten we over kleine weggetjes. Er vielen weer bommen. Ik zat in een bunker en kon geen lucht meer krijgen. Toen ik er eindelijk uit kon, lagen overal om me heen lijken en dode paarden. En ik krabbelde daar in mijn eentje tussen.' Ze werd meegenomen door een kok van het Rode Leger, die het meisje afleverde bij een provisorische opvang in Kaunas. 'Door mijn latere pleegmoeder ben ik met zoetigheid gelokt, ik kon zo wegglippen door een gat in het hek.'

Haar pleegouders stuurden haar, in tegenstelling tot haar meeste lotgenoten, wel naar school; ze beweerden dat Luise, inmiddels Alfreda genoemd, een weeskind was uit het (deels Duitstalige) Memelland. Met doorzettingsvermogen en haar grote geheim groeide ze op, studeerde bouwkunde, trouwde en maakte carrière als ingenieur. Sinds de bevrijding van Litouwen speelt Luise een hoofdrol in de vereniging van Wolfskinderen, Edelweiss geheten. Ze fungeert er als contactpersoon voor degenen die familie zoeken, die met geldgebrek kampen (het pensioen is meestal te laag om rond te komen) of problemen hebben met autoriteiten.

Beeld Claudia Heinermann

Aanspreekpunt

Nog steeds ondervinden de wolfskinderen gebrek aan erkenning. 'Ik ben in de loop der jaren ontvangen door enkele bondspresidenten, die ons allemaal medeleven hebben betuigd. Mooie woorden. Het zou de Duitse staat vrijwel niets kosten om de wolfskinderen financieel te helpen, maar door regels en bureaucratie komt er weinig van terecht.'

Luise is ook het aanspreekpunt voor de door de wolfskinderen op handen gedragen Duitser die wél financiële steun biedt: baron Wolfgang Von Stetten. De voormalige Duitse diplomaat voor de Baltische staten, zelf wees, heeft zich hun lot aangetrokken. Toen de politiek niet tot financiële compensatie was te bewegen, heeft hij met een groep prominente Duitsers een fonds opgericht. Daaruit ontvangen alle wolfskinderen maandelijks 150 euro. Waarom hij zo betrokken is? 'Zijn vader is in de oorlog gesneuveld. Hij zegt altijd: ik weet wat het is om wees te zijn.'

In 2011 bekostigde Von Stetten ook de reis voor de wolfskinderen naar Duitsland, waar Claudia Heinermann met hen kennismaakte. De groep kreeg op Von Stettens Slot Bellevue een banket aangeboden. Ook Waltraut was erbij. Tijdens het diner - 'heerlijk eten en drinken' - kreeg ze een flauwte. Ze werd neergevlijd op een canapé. Achter haar op de muur prijkte een imposant schilderij. Toen ze wakker werd, waande ze zich voor even een prinses. De herinnering stemt haar zichtbaar vrolijk.

Beeld Claudia Heinermann

Waltraut Minnt

Waltraut Minnt, in 1939 geboren in Uderwangen, Konigsberg. Woont met haar zoon niet ver van de rivier van Memel.

'Toen de Russen kwamen, renden ze ons huis in. Ik was met mijn zus buiten, we hoorden mijn moeder urenlang schreeuwen toen ze werd verkracht. We werden op transport gezet naar Siberië. Op straat viel mijn moeder voor een wagen van de Russen en tegelijk werd ze in haar been geschoten. Ze werd als een zak aardappelen op de schouder van een soldaat gegooid en in de trein gesmeten. Onderweg is ze gestorven. Mijn zus is in het werkkamp doodgegaan.

'Ik mocht later weg en kwam in Litouwen terecht. Ik huilde veel. De boeren gaven me een aardappel, of een kop soep. Een keer wilde een vrouw voor me zorgen op voorwaarde dat ik haar 'moeder' zou noemen. Dat weigerde ik, want dat was ze niet. Toen ben ik het bos weer ingetrokken. Later werd ik geholpen door een oud stel. Maar de man ging dood en toen stuurde zij me weg. Weer een andere vrouw ontfermde zich over me. Ze waarschuwde me altijd in haar buurt te blijven. Maar ja, een kind is nieuwsgierig en ik dwaalde af. Haar heb ik evenmin teruggezien.

'In het bos lokte ik de wolven. Tsuu, tsuu, riep ik en dan kwamen ze. Een keer pakten ze een schaap. Maar ik was nooit bang. Een keer ben ik gebeten, door een hond bij een boerderij. Hij had voer gekregen op een bord en dat probeerde ik te pakken. O, wat bloedde mijn been. Kijk, hier is het litteken.

Beeld Claudia Heinermann

Gewelddadig

'Ik kwam langs een ander huis. Er begon een hond te blaffen en ik verborg me snel onder de bladeren op een kar. Ik hoorde roepen: 'Kleine Kinder, kleine Kinder!' Ik werd ontdekt door een vrouw, die gebaarde dat ik bij haar kon blijven. Ze had al twee kinderen opgenomen. Door haar zoon ben ik jarenlang verkracht. Niemand greep in. Een keer kwamen er een paar mensen langs en die zagen het door het raam gebeuren. Ze waarschuwden mijn pleegmoeder, maar die weigerde het te geloven. Het hield pas op toen de zoon opgeroepen werd voor het Rode Leger.

'Mijn huwelijk heeft me veel ellende gebracht. Mijn man was een zware drinker en hij was gewelddadig. Hij heeft me vaak het ziekenhuis in geslagen. Midden in de winter vluchtte ik eens en kwam in de beek terecht, ik stond tot mijn nek in het ijskoude water. Een keer was ik zo wanhopig dat ik al het glas in huis heb stukgeslagen. Toen kwam de politie, die zei: goed gedaan! Uiteindelijk ben ik van hem gescheiden. Maar toen hij stervende was, ben ik voor de formaliteit bij hem teruggekomen. Zodat ik in elk geval een beetje weduwepensioen zou krijgen.

Bernhard Keusling

Bernhard Keusling, in 1937 geboren in Gedauen, Konigsberg. Woont met zijn echtgenote in een dorp in centraal Litouwen.

'Mijn vader was gesneuveld aan de grens met Litouwen en ik vluchtte met mijn moeder en zus naar de omgeving van Berlijn. Toen de oorlog ten einde was, moest iedereen terug naar zijn oorspronkelijke woonplaats. We deden er een week over om met de trein thuis te komen. We hadden aardappelen gekregen en maakten een vuurtje om ze te poffen. Maar lang voordat ze gaar waren, kregen we het bevel in te stappen. En dus aten we ze rauw.

'We zagen dat de meubelen uit ons huis werden gegooid, we durfden niet dichterbij te komen. We zwierven en kwamen bij een school. Daar was een kelder vol met kikkers. Die aten we op. We werden tewerkgesteld op een boerderij: een week werken, een week eten. Mijn moeder werd ziek, ze kon niet meer. Vlakbij was een bos. Daar waren dode paarden in bomtrechters gegooid. Met een paar jongens sneden we met ons zakmes stukken van de kadavers en aten die op. Eerst lachten de Russen ons uit, maar later bedekten ze de paarden zodat we er niet meer bij konden komen.

'Mijn moeder werd zieker en zwakker. Ze lag de hele tijd op bed. Op een dag vroeg ze me water. Toen ik het haar gaf, stierf ze. Mijn zusje en ik wisten niet wat we moesten doen, daar waren we te klein voor. Twee dagen bleven we bij haar. Af en toe raakte ik haar aan om haar wakker te maken. Ze droeg juwelen en een ring, die waren opeens verdwenen. Mijn zus ging bij haar liggen in bed. Zij is bevroren. Ik heb een laken over ze heen gegooid en heb gewacht. Toen zijn er mensen gekomen die buiten gaten hebben gegraven. Daar hebben ze de lichamen ingegooid. Mijn voeten waren bevroren, de teennagels vielen eraf.

Beeld Claudia Heinermann

Geen fascisten

'De jongens die ik van de paardenkadavers kende, vertelden me dat ze met een paar vrouwen mee zouden gaan, met de veetrein naar Litouwen. Ik sloot me aan en zo kwamen we over de grens terecht. Bij een veld stopte de trein, we sprongen eruit en de vrouwen riepen: 'Kinder, auf wiedersehen!' Nu was ik voor het eerst helemaal alleen.' Ik kwam terecht bij een boerengezin waar tot mijn geluk Duits werd gesproken.

'Bij weer een ander boerengezin merkte ik dat er 's nachts bezoekers kwamen om te eten: partizanen. Later heeft de geheime dienst de boerderij omsingeld. De partizanen werden gearresteerd en mijn pleegvader kreeg tien jaar gevangenisstraf wegens hulp aan het verzet. Toen ben ik voor de boerderij gaan zorgen. In die tijd kwam de collectivisatie van de landbouw op gang. Iedereen werd gedwongen te gaan werken op de kolchoze. Dat heb ik jaren gedaan. Gaandeweg werd de situatie iets beter.

'Ik moest naar Vilnius komen voor een militair paspoort, ik moest in dienst. Maar toen ik daar was, merkten ze dat ik Duits was. Ze pakten het register van de rekruten en schrapten mij door. 'Hier willen we geen fascisten', zeiden ze.'

Meer over