BeschouwingHet einde van de liefdesroman

Vivian Gornick heeft ongelijk over het einde van de liefdesroman, maar dat maakt haar werk niet minder leerzaam

De liefdesroman heeft zijn tijd gehad, stelt Vivian Gornick (1935) in haar nu vertaalde essaybundel Het einde van de liefdesroman. Dat Gornick ongelijk heeft, maakt haar werk niet minder leerzaam, schrijft Connie Palmen. 

Beeld Martyn F. Overweel

In de zomer van 2019 maakten de literaire critici van The New York Times een selectie van de indrukwekkendste vijftig memoirs van de afgelopen halve eeuw. Fierce Attachments (1987) van Vivian Gornick werd verkozen als het beste boek dat sinds 1969 in dit bijzondere genre is verschenen. Vier jaar geleden kwam het in het Nederlands uit als Verstrengeld, een woord waaraan je een weliswaar wurgende betekenis kunt verlenen, maar niet een dat het beeld oproept van de meedogenloze, agressieve verknochtheid tussen moeder en dochter die Vivian Gornick beschrijft. De wandelingen met haar moeder door New York zijn gekleurd door melodramatische herinneringen, krenkende dialogen, vernederende ruzies, vermolmde tederheid, ik heb nog nooit zoiets gelezen.

Met de keuze voor de beste memoirs bevestigde The New York Times wat Gornick eerder met de haar kenmerkende stelligheid beweerde in The Situation and the Story (2001), namelijk dat de roman als literair genre is verdrongen door autobiografische verhalen. Door deze oordelende, onwrikbare stelligheid – nagenoeg altijd gestructureerd als een syllogisme – lees ik haar essays met de hakken in het zand, klaar om met de schrijver in discussie te gaan, om de soms bruuske beweringen over de literatuur, de liefde en het leven te ondermijnen door de geldigheid van haar aannames te betwisten. 

Lezen in gevechtsstand

Het duurde een poos voordat ik in de gaten kreeg dat Gornick met mij, haar lezer, waarschijnlijk onbewust doet wat ze met haar moeder doet: ze lokt discussie uit, ze confronteert, zuigt, treitert, provoceert en intimideert, ze wil hoe dan ook ruzie met me, want als je ruzie maakt heb je tenminste een band. Geen liefde, wel intimiteit. Zodra ik haar lees, betreed ik de ring, ontwijk haar klappen, blijf alert en pas ervoor op dat ik niet knock-out ga. Precies daarom, omdat ik haar lees in gevechtsstand, geprikkeld en met ‘de smaak van ijzer in mijn mond’, ben ik in korte tijd een woeste bewonderaar geworden van de persoonlijke essays en memoirs van Vivian Gornick. Ruzie is de intimiteit van mensen die met de rug tegen de muur staan. Liefde is voor hen een mijnenveld geworden, elkaar bestrijden is veiliger. De volhardende manier waarop Gornick ondanks haar afwerende stoerheid en defensieve brutaliteit toch een innig contact met de buitenwereld zoekt, met mij, heeft me gaandeweg veroverd en als een weke krijger van haar doen houden. Gornick heeft chutzpah, gotspe, dat heerlijke, nagenoeg onvertaalbare Hebreeuwse woord voor zoiets als vermetelheid.

Het einde van de liefdesroman (1997) is na Verstrengeld en Een vrouw apart. En de stad het derde boek van Gornick dat bij Nijgh & Van Ditmar in de vertaling van Caroline Meijer verschijnt, en deze bundel is intiem ingeleid door Marja Pruis, onze eigen koningin van het persoonlijke essay. Een van de hoofdstukken heet ‘Meedogenloze intimiteiten’, een karakteristiek die ik van toepassing acht op het volledige oeuvre van deze in 1935 in een arbeiderswijk in The Bronx geboren New Yorkse. Afkomstig van Russische Joden, grootgebracht in een communistisch nest, behoort ze tot de tweede generatie immigranten die in Amerika opgroeit, thuis in de stad, er hecht mee vergroeid zoals je alleen met steden als New York en Amsterdam vergroeid kunt zijn, maar nog steeds toegerust met de onzekerheden en strijdvaardigheid van de vluchteling die zijn plaats in een vreemd land moet veroveren. ‘Het lukt me niet de immigrant te naturaliseren’, zegt ze op een dag vertwijfeld tegen haar psychiater.

Misschien moet je meer van haar gelezen hebben om in de gaten te krijgen dat alle essays in Het einde van de liefdesroman over Vivian Gornick zelf gaan. Het maakt niet uit welke vaak obscure, lang vergeten roman of schrijver ze uit het begin van de 20ste eeuw opdiept: wat ze erover te melden heeft, laat zich lezen als een autobiografische vertelling, een altijd eerlijk en vaak genadeloos zelfonderzoek, nodig om de verlammende tegenstrijdigheden in haar eigen bestaan onder ogen te zien, met elkaar te verzoenen en als dat niet lukt, ze te verduren. 

Zelfinzicht

Ik ken geen andere schrijver die zo vurig het belang verdedigt van introspectie en het verwerven van inzichten. Bij Gornick hangen haar leven en haar moeizaam verworven onafhankelijkheid ervan af. ‘Vrij ben je niet door je werkende geest of door bevredigde zinnen; vrij ben je door de gestage toepassing van zelfinzicht’, schrijft ze. Het motto ‘Ken uzelve’ krijgt bij haar het dwingende karakter van een morele imperatief, een ethische toetssteen die ze gebruikt om de waarde, zuiverheid en diepgang van romans, schrijvers, vrienden, en van zichzelf te bepalen. 

De stilzwijgende belofte van de literatuur dat je door het lezen van romans meer inzicht verwerft in een door innerlijke conflicten verdeelde ziel, is de kern van de verzamelde kritieken. Als ze vervolgens omineus stelt dat de liefde in onze tijd niet langer een bron van zelfkennis vormt, verkondigt ze vanuit deze premisse het einde van de liefdesroman. Natuurlijk ga ik niet in deze aanname mee, en verwerp ik dus ook de gevolgtrekking. Voor jou, dacht ik alleen maar, voor jou is de liefde geen bron van kennis, want die vijver heb je lang geleden gedempt. Maar ik dacht het met pijn en mededogen, zonder het genot van het gelijk. Want dat heb ik.

De verscheurdheid tussen liefde en werk, en de onmogelijkheid om de twee grootheden tegelijkertijd te dienen, is een schrijnender conflict voor vrouwen van Gornicks generatie dan voor die van de mijne, en in veel gevallen waarschijnlijk nauwelijks nog een strijd voor vrouwen van de huidige generatie. Sylvia Plath, Anne Sexton, Susan Sontag, Marilyn Monroe, om er maar een paar te noemen, leden onder de eenzaamheid en afzondering waartoe hun talent hen veroordeelde. Volgens Gornick zien alle vrouwelijke personages in de door haar besproken romans zichzelf voor de beslissende vraag gesteld: ‘In de wereld staan of worden als je moeder; mannen genegenheid schenken of afwijken van de norm en eenzaam en ongebonden zijn: een kunstenaar.’ Het in de essays beschreven oerconflict tekent zich in deze observatie duidelijk af: voor een vrouw bedreigt niet alleen de psychische verstrengeling met de moeder de vrijheid van het schrijverschap, de romantische liefde doet dat ook.

Een aparte vrouw

In Gornicks eigen leven betekent dit dat de liefde de vijand werd aan wie ze wilde ontkomen en naar wie ze op hetzelfde moment hartstochtelijk verlangde: ‘Het was er altijd, dreigend in mij aanwezig, deze splijting als het om de liefde gaat’, schrijft ze in Approaching Eye Level (1996). Zoals sommige vrouwen Medea, Madame Bovary, of Lulu worden, werd Vivian Gornick ‘The Odd Women’, zoals de titel van een roman van George Gissing luidt, een aparte vrouw, anders dan anderen, een uitzondering, afgezonderd en alleen. Zo’n vrouw die in de, overigens ijdele, veronderstelling leeft dat iets in haar mannen afschrikt. 

Een tijdlang heeft ze de eenzaamheid van haar uitzonderlijkheid niet hoeven ondergaan, omdat de feministen van de tweede golf in de jaren zeventig een hechte gemeenschap vormden waartoe zij behoorde. Ze dacht dat het veilige groepsgevoel zou blijven, ze bij hen altijd thuis en geborgen zou zijn, maar de band tussen de vrouwen onderling verdween, en opeens was ze alleen. Het verlangen naar liefde en de zekerheid van een groep bleef, maar elke hunkering verzwakt haar en zwakte is dodelijk. Ze geeft de voorkeur aan een hard hart, al blijft het romantische verlangen tegen haar pantser beuken. Ze is nu 85, op een tweetal zeer kortstondige huwelijken na leeft ze al decennialang alleen, ze werkt, denkt en schrijft, want als ze denkt, is ze niet geïsoleerd. Voor het overige is het leven, zoals ze al vroeg voorzag, een ‘eeuwigdurende worsteling’.

Een vrouw die regelmatig vol trots over haar geharde hart schrijft – een eigenschap waar alleen New Yorkers van voor de oorlog, maffiosi en radicale feministen prat op gaan – gebruikt de toetssteen van het zelfinzicht ook voor haar eigen leven en werk, en Gornick doet dit zonder scrupules. Onder haar zinnelijke levenslust gaan vaak bittere zwartgalligheid, droefenis, ontgoocheling en eenzaamheid schuil, door haar manmoedig onder ogen gezien en beschreven. In het slotessay van Het einde van de liefdesroman stelt ze dat de liefde in de romans van D.H. Lawrence, Henry James en Stendhal nog leidde tot gevaarlijke, dramatische, taboedoorbrekende ontdekkingen, maar dat de liefde in onze tijd, en daarom ook in de hedendaagse literatuur, niet langer het pad is naar zelfinzicht, ‘het enige dat moed geeft om door te leven’.

Vivian GornickBeeld Mitchell Bach

De hardheid van Gornick is het harnas rondom een te zachte ziel en het pantsert haar gemoed tegen het verdriet van te veel oude pijn, tegen de rouw om wat verloren ging of ongeleefd bleef, maar er ketst ook alles op af wat warm, zwak, goed en zacht is. En de liefde. Gepantserde strijders zijn onverbiddelijke lezers en analytici, wars van sentimentaliteit of de slaafse behoefte om iedereen en alleman met hun meningen te plezieren en voor zich in te nemen. 

Scherpzinnig en intelligent

Gornick dringt met een zo brutaal begrip en een bijna onbeschaamde intimiteit binnen in het leven van de personages en hun scheppers – en daarmee in dat van de lezer – dat het niet uitmaakt wie of wat het onderwerp is van haar intelligente, scherpzinnige aandacht. Willa Cather, een personage van George Meredith, Jean Rhys, het beruchte liefdeskoppel Hannah Arendt en Martin Heidegger: als Gornick zich in hen verdiept, levert het een openhartige beschouwing op van persoonlijke zoektochten, waardoor de lezer uitgedaagd wordt mee te denken over eenzaamheid, verlangens en erotiek in het algemeen. Omdat ze er – terecht – van overtuigd is dat leven en werk voor een kunstenaar onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, gaat ze soepel heen en weer tussen de biografie van een schrijver en het karakter en de handelingen van zijn personages. Elk inzicht dat ze via de literatuur verwerft, is een inzicht dat eerst door de schrijver is verworven, en de diepte ervan verraadt hoe een leven is verlopen. Het hoofdstuk over Hannah Arendt en Martin Heidegger opent met een van de mooiste alinea’s uit het boek.

‘Eigenlijk komt het hierop neer. Als je je gevoelens niet begrijpt, dan gaan ze je leven lang met je aan de haal. Begrijp je ze wel maar lukt het je niet om ze te verwerken, dan staan je heel wat verdrietige jaren te wachten. Ontken je of onderschat je hun macht, dan ben je verloren.’

Het is Freud in een notendop. Als je Vivian Gornick leest, haal je een enigszins ongemanierde psychiater in huis, van wie je het meest leert als je af en toe met haar durft te vechten. Maar iets leren doe je.

Vivian Gornick: Het einde van de liefdesroman. Uit het Engels vertaald door Caroline Meijer. Nijgh & Van Ditmar; 207 pagina’s; € 20.

Meer over