Verzamelde werken 1

De havik ziet het duifje niet

Marjolyn Van Heenstra

Ooit liep ik door de jungle van Suriname met een gids die de weg kwijt was. Een middag lang hakten we door struiken en vonden af en toe een pad maar nooit het juiste. De gids haalde laconiek zijn schouders op. Uiteindelijk komt een mens altijd wel weer terecht, zei hij.

Tijdens het lezen van de verhalen van Nikolaj Vasiljevitsj Gogol (1809-1852), onlangs verschenenen in een nieuwe vertaling van Aai Prins, moest ik denken aan die laconieke gids en het gevoel te zijn overgeleverd aan iemand die je niet brengt waar je heen wilt. Iemand die zijpaden inslaat, nergens naar op weg lijkt en toch stevig doorstapt terwijl hij je gebaart te volgen.

Zo iemand is Gogol. In het verhaal 'De Nevski Prospekt' leef je mee met een arme kunstenaar die uit liefdesverdriet zijn keel doorsnijdt. Maar hij is nog geen twee zinnen dood of de verteller schakelt moeiteloos over op de belevenissen van een kennis van de overledene die een mislukte poging doet een Duitse vrouw te versieren. En vanaf dan gaat het verhaal over deze kennis. Als hij de Duitse probeert te zoenen, wordt hij betrapt door haar man, krijgt een aframmeling, zint op wraak, eet twee bladerdeegpasteitjes, leest een krant en zijn woede zakt.

Einde verhaal. Alsof de kunstenaar nooit bestaan heeft.

'Ivan Fjodorovitsj en zijn tante', over een man die van zijn tante moet trouwen maar dat zelf niet wil, eindigt met de mededeling dat er 'in tantes brein een geheel nieuw plan rijpt' waarover wij volgens de verteller in het volgende hoofdstuk meer zullen horen. In het volgende hoofdstuk wordt vervolgens met geen woord gerept over Ivan of zijn tante.

En zo laten veel van Gogols vertelsels je gedesoriënteerd achter, met het gevoel dat je iets over het hoofd zag, iets niet begreep.

Krijgen we ooit wat we wensen?, vraagt de verteller zich aan het einde van 'De Nevski Prospekt' af.

Nee, dacht ik tijdens het lezen.
En toch las ik door.

Want Gogol is niet alleen onbetrouwbaar, maar ook onweerstaanbaar. Een schrijver die je hardop doet lachen tijdens het lezen. Om zijn merkwaardige observaties, vreemde wendingen en vooral de bizarre personages. Zoals de psalmenlezer met een 'fijne lakense soepjas in de kleur van afgekoelde aardappelgelei', en de kokkin die 'altijd iets vond om op haar mutsje te spelden: een stukje lint of een anjer, of zelfs een papiertje bij gebrek aan iets anders.' Er is een man die praat 'als een slaapje na het baden'. En een die beschikt over 'bijzondere vaardigheden zoals heel aardig die mop kunnen vertellen over een kanon dat één ding was en een eenhoorn iets anders'.

Het zijn onhandige mensen, 'breed als een pannenkoek', of met een gezicht 'rimpelig als een gebakken appel', met 'duifgrijze' snorren en 'voortreffelijke bakebaarden'. Stuk voor stuk eenzaam, onzeker, bijgelovig, voortdurend de verkeerde keuzes makend.

Karikaturen, waar je als een blok voor valt. Niet omdat ze grote dingen verrichten maar juist omdat hun handelen zo onbenullig is en hun wereld zo klein. Omdat de manier waarop Gogol ze beschrijft lachwekkend maar tegelijkertijd menselijk is, vol oenigheid en ijdelheid.

Tussen de zinnen schemert een vreemd universum door. Magisch en chaotisch, met een eigen logica. Een wereld waarin de neus van majoor Kovaljov zijn eigen plan trekt en in een goudbestikt uniform door de stad rijdt om na een lange omweg weer op het gezicht van zijn eigenaar te belanden. 'Hoe je het ook bekijkt', eindigt Gogol dit verhaal, 'dit soort dingen gebeuren op aarde - niet vaak, maar ze gebeuren.'

Om Gogol te begrijpen, schreef Vladimir Nabokov, is een mentale salto nodig.

Van de lezer vergt dat overgave. Aan een verteller die zich verliest in bijzaken, aan verhalen zonder plot, aan de bekaaide manier waarop vrouwen en vooral joden er bij hem vanaf komen en aan de vermoeiende ophemeling van de kozakkencultuur zoals in het verhaal 'Taras Boelba'; meer

dan honderd pagina's lang rondvliegende hoofden, paarden die met 'geraas' ter aarde storten en 'onverzettelijke' kozakken met 'ridderlijke standvastigheid' vechtend voor God en het moederland.

Gelukkig volgt daarop de hilarische geschiedenis van Ivan en Ivan, twee vrienden 'door de duivel zelf met een touwtje aan elkaar gebonden', die in een absurde ruzie terechtkomen nadat de een de ander een 'ganzerik' noemt. Het komt nooit meer goed tussen de twee.

In Gogols werk hebben de meest onbenullige dingen consequenties. Als er een boodschap is, is het waarschijnlijk deze: dat het triviale van grotere invloed is dan we denken. Het onbelangrijke is van belang. De wereld op zijn kop.

De rode draad daarbij is de overweldigende kracht van Gogols taal; licht, beweeglijk en poëtisch. De zon gaat 'blozend' onder, bergketens liggen als 'steenkettingen' in het land, een mens zinkt 'als een sleutel' naar de bodem van een vijver en over de toekomst schrijft hij dat ze verrijst 'als een herfstnevel opgestegen uit moerassen. Geruisloos vliegen vogels erin op en neer, met fladderende vleugels, zonder elkaar te herkennen; een duifje ziet de havik niet, de havik ziet het duifje niet, en niemand weet hoe ver hij van zijn ondergang vandaan vliegt...'

Gogol volgen betekent kopje onder gaan in een werkelijkheid die raakt aan werelden buiten de onze. Een onnavolgbaar pad waarin je soms de weg naar huis denkt te herkennen, om vervolgens het spoor bijster te zijn. Als in een goed gedicht hangt alles een fractie uit het lood en weet je: ik hoef dit niet te begrijpen om het te begrijpen.

Meer over