Verzamelde verhalen 3

Allejezus, de loterij gewonnen!

Zeeman Micha¿

'Ivan Dmitritsj, een doorsnee burgerman die met zijn gezin van twaalfhonderd roebel 's jaars moest rondkomen en heel tevreden was met zijn lot, ging een keer na het avondeten op de divan de krant zitten lezen.'

Let op de tevredenheid, let op het volslagen onopmerkelijke karakter van het personage en zijn bezigheden, let, kortom, op het alledaagse van wat er na deze beginzin gebeurt. "'Ik heb vergeten vandaag in de krant te kijken", zei zijn vrouw terwijl zij de tafel afruimde. "Zie eens of er geen trekkingslijst in staat.'"

En, jawel, de loterij gewonnen: het nummer in de lijst winnende loten correspondeert met het nummer van het lot dat de vrouw van Ivan Dmitritsj heeft gekocht. Als nu het serienummer ook nog klopt, dan zijn zij binnen: 75 duizend roebel wijzer, dat zijn ruim zestig jaarsalarissen. Wat je daar allemaal niet van kan gaan doen, hun hele leven zal veranderen. Zij zullen een landhuis kopen, overweegt de man, het piekfijn laten opknappen en inrichten en dan kunnen zij nog met gemak royaal leven van de rente die het resterende geld op zal brengen.

Terwijl hij zijn ogen opslaat van de krant, schiet hem een eerste obstakel te binnen: zijn vrouw heeft dat lot toch naar de Bank van Lening gebracht? Jawel, dat heeft zij, maar ze heeft ook de rente erop keurig voldaan, dus dat lot is nog haar eigendom. Als manlief nu even snel naar dat serienummer kijkt, dan weten zij of zij voortaan in weelde leven zullen. De verwachtingsvolle spanning loopt op en allebei slaan die echtelieden koortsachtig aan het fantaseren. Allejezus, de loterij gewonnen! Wat zullen ze doen met dat geld? Reizen, naar Italië en Frankrijk, volop van hun leven genieten.

Maar met háár, peinst de man, met haar, zijn vrouw, die niet alleen zijn echtgenote maar bovendien de eigenaresse van het winnende lot is. Er zijn geen tekenen die op enige onvrede in hun huwelijk tot dusverre wijzen, maar het perspectief, samen met haar dat andere leven beginnen, verenigt verwachting en ontgoocheling. In de minuten, nee, seconden, die verstrijken tussen de eerste opwinding en de controle van dat serienummer ontvouwt zich een visioen en opent zich een ravijn.

Nee, dat serienummer klopt niet, natuurlijk niet, gewonnen hebben zij niets. Wel veel verloren, in die paar seconden. Het huiselijk geluk en de tevredenheid zijn tegelijkertijd verdampt met de illusie - en in vijf bladzijden onderhoudend verhalend proza staat meer over de psychologie van het huwelijk dan in een plank therapeutisch vakproza.

Het kan niet anders of Anton Tsjechov bereikte in de verhalen die in het derde deel van deze nieuwe Nederlandse vertaling staan zijn literaire hoogtepunt. Hij was zevenentwintig jaar toen hij veruit de meeste van deze verhalen schreef en 't is dat het Aai Prins is, één van de drie vertalers en recensente Russische literatuur van de Volkskrant, die dat kalmpjes vaststelt in haar nawoord, anders zou ik geloven in misleiding, ja, een complot. De 'Tsjechov' van dit deel maakt de indruk een pseudoniem te zijn voor een collectief van uiterst ervaren en hoogst getalenteerde schrijvers van gevorderde leeftijd, mannen, dat wel, met een groot literair zelfvertrouwen en de licht afstandelijke, licht ironische blik die door mededogen en geamuseerdheid wordt gestuurd.

Vijfenzestig verhalen in een jaar schreef hij, naast het werk in zijn zojuist opgezette dokterspraktijk, het eindeloze gehannes met zijn familieleden, die geen van allen wilden deugen en voor wie Tsjechov zich niet zozeer verantwoordelijk voelde als wel door wie hij eenvoudigweg verantwoordelijk werd gesteld, naast, vervolgens, het gesjacher met tijdschriftredacteuren die méér verhalen van hem wilden en hem steevast te weinig betaalden, het reizen, het werken aan zijn eerste toneelstuk, het opkomen van de kwaal die hem ten slotte zou vellen, tuberculose. Het is niet onvoorstelbaar, het is ongeloofwaardig.

Want Tsjechov mag dan verwacht hebben dat hij niet voor de eeuwigheid sch

reef - 'binnen tien jaar zullen de mensen mijn verhalen vergeten zijn' -, het eigenaardige aan zowat alle hier gebundelde verhalen is dat zij nog altijd onvergetelijk zijn, al na eerste lezing. Een verhalenbundel brengt doorgaans de vreugde en de ondeugd van het gevarieerde en het korte. Op het ene verhaal volgt het andere, je leest ze zoals je snoept, en dus dreigt de opeentasting de vluchtigheid ervan te bespelen. Hier blijft de overeenkomst met het snoepen, maar door de symbiose van psychologische en stilistische scherpte blijven die verhalen als splinters in het geheugen steken.

Dat heeft veel met de economie van het schrijven te maken. 'Lev Ivanovitsj Popov, een nerveus man, onfortuinlijk in zijn betrekking en zijn gezinsleven, trok de rekeningen naar zich toe en begon opnieuw te schrijven.' Dat is kristalhelder en messcherp: ligt het aan dat 'nerveus', ligt het aan die handeling, ligt het aan de lichte haast waarmee zo'n verhaal lijkt te beginnen?

'Hij praatte veel en heftig, en naar vader Fjodors mening was druk gepraat onfatsoenlijk en schadelijk voor kinderen; bovendien placht hij zich kritisch en verachtelijk uit te laten over het vissen, waarvan de deken en de diaken grote liefhebbers waren'. Ligt het aan de knisperende humor van die combinatie, schadelijk voor de jeugd en denigrerend over de hobby van de deken en de diaken?

Het is vrijwel niet anders te benoemen dan met het mysteriewoord 'genie'. Maar dat het daarmee benoemd moet worden staat vast. Dat de nieuwe vertaling een feest is, heb ik bij het vorige deel al vastgesteld; er gaat geen woord vanaf.

Meer over