Verzameld werk

De dingen zijn uiteindelijk allemaal in orde

Peters Arjan

Vanuit de marge ineens in het licht, zo mogen we de uitgave van de liefdevol gemaakte cassette met het Verzameld Werk van Arie Visser (1944-1997) wel betitelen. De rusteloze dichter en heroïnejunk die door zijn huwelijk met een Marokkaanse moslim werd en Arie Omar Visser ging heten, schreef verzen van een berustende klaarte: 'zonlicht speelde door zijn haren/ op speurtocht naar de juiste toon//het oude liedje vond de snaren// wat is het leven bitterschoon.'

Zelf vond hij zich in de eerste plaats dichter, maar het prozadeel van de drie banden bevat de grootste surprise. Naast een flitsend en erudiet essay over Charlie Parker, en een nieuwsgierig makend stuk over de Perzische balling Sadegh Hedayat, schrijver van De blinde uil uit 1936 (wiens graf in Parijs nog steeds wordt bezocht, zoals laatst bleek uit de documentaire Forever van Hedy Honigmann), staan daarin de columns die Visser schreef over de Nederlandse schuldcultuur en de Marokkaanse schaamtecultuur.

Zonder achterdocht, met open blik, onderzocht hij de verschillen, voorzag met bezorgdheid de botsingen, maar behield zijn goedgeluimdheid: 'Mijn vrouw spreekt behoorlijk Nederlands, maar ik ben wel eens met tien uien thuisgekomen, terwijl de bedoeling was tien eieren ofwel eien. Gelukkig is mijn vrouw ervan overtuigd dat het huwelijk door Allah persoonlijk in de hemel is geregeld, en ik kan me geen betere regisseur voorstellen in het vermakelijke zedenspel dat de getrouwde staat voor mij inhoudt.'

De islam is in Nederland niet geliefd, schrijft hij in 1993: 'Als ik de opinies lees omtrent de islam van erkende vetkaarsen van onze nationale verlichting als Bram de Swaan, Gerrit Komrij of Jan Blokker, heb ik geen enkele illusie over de opvattingen van de man in de straat.'

De bezorgers hebben bovendien een deel 'documentatie' gemaakt met sprankelende brieven, een biografie van de belezen zwerver, en de weergave van zes indringende gesprekken die Oek de Jong voerde met Visser in de laatste maanden van diens leven. Ze waren bevriend, deze gedreven zoekers naar mystiek, maar hoe groot is het contrast tussen de stroeve Oek en de intuïtief filosoferende Visser.

Jij draagt een Marokkaanse muts, merkt De Jong op, en het is waarschijnlijk geen toeval dat zo'n muts daarginds door schriftgeleerden wordt gedragen. Visser: 'Nee, dat is geen toeval, maar ik draag ze in feite alleen maar omdat ik ze zo elegant vind staan.' Neemt De Jong geen genoegen mee. Goed, die petten zitten lekker, 'maar je vond het ook geen toeval dat jij zo'n muts...' Waarop Visser: 'Nee, misschien is het geen toeval, maar ik ben altijd een pettenfreak geweest. (...) Soms mompel ik wel eens voor mezelf: het is niet alleen een pet voor schriftgeleerden, maar ook voor farizeeërs.'

Geweldige aanvulling, deze ruim tweehonderd pagina's, door de nijvere De Jong voor deze uitgave uitgetikt, met zijn bloedserieuze vragen die steevast worden beantwoord met Vissers oorspronkelijke mengeling van ernst en luchthartigheid waar De Jong voortdurend van lijkt te schrikken.

Ondanks de chaos waarin hij leefde, zegt Visser, werd hij gestuurd door het besef dat de dingen uiteindelijk allemaal in orde zijn: 'En ik sluit mijn ogen zeer zeker niet voor de puinhoop waarin we leven, maar ik weet gewoon dat er een woordeloos contact is met een werkelijkheid die wij niet kunnen benoemen, maar waarvan we wel weet hebben.'

In zijn laatste jaren studeerde hij zich suf op de wiskundige L.E.J. Brouwer, die hij bewonderde om zijn stijfkoppigheid en onafhankelijkheid. Onbegrijpelijk, brengt De Jong uit. 'Kijk, het is ook belachelijk, hoor,' zegt Visser dan, om zijn perplexe vriend te vertellen wanneer die fascinatie begon: op een keer was hij bij de Volkskrant geweest om te praten over een eventueel medewerkerschap, en weer buiten op de Wibautstraat vond hij 'in de goot' Brouwers Handbook of Mathematical Logic, 1048 pagina's dik. Hij droogde het thuis op de verwarming, en begon. 'Er was werkelij

k helemaal niets wat ik ervan begreep.' Maar wat was nou het leuke: al lezend ontdekte Visser dat Brouwer er een mystieke totaalfilosofie op nahield. Alle dingen zijn met elkaar verbonden. Het werd zijn lijfboek.

Achteraf mogen we de Volkskrant-redacteur die in de winter van 1993 Brouwers roggebrood moedeloos uit het venster wierp, zeer dankbaar zijn. Zo kwam het op Arie 'Omar' Vissers pad, en schonk het zijn leven op de valreep enige verlichting.

Meer over