Verzameld proza

Bibberend tegenover een volksopstand

In adembenemend proza beschrijft Heinrich von Kleist (1777-1811) hoe een getergde burgerman vernietigend wraak neemt op de boven hem geplaatsten.

Aan het eind van de novelle De vondeling wordt de beschaafde Antonio Piachi naar het schavot geleid. Hij is een Romeinse makelaar, die aan het eind van zijn leven in onbesuisde woede is ontstoken. De jongen die hij als kind het leven heeft gered en die hij en zijn vrouw samen hebben opgevoed, ja, aan wie zij hun solide onderneming hebben overgedragen, heeft zich ontpopt als een schoft. Piachi neemt het niet en brengt hem, zo oud als hij is, om.

Daar komt de doodstraf van - en dus de vraag of hij, met de galg voor zijn neus, de laatste sacramenten wil. Want de staat heeft het recht niet iemand zijn kansen op de hemel, hoe klein die ook zijn, te onthouden. Maar Piachi weigert die sacramenten, tot driemaal toe. Hij wil helemaal niet naar de hemel: hij wil juist uit alle macht naar de hel, om dat pleegkind van hem, die lamzak, tot in der eeuwigheid te kunnen aframmelen.

De vondeling is een van de verhalen en novellen van de Duitse schrijver Heinrich von Kleist (1777-1811), die Ria van Hengel vertaalde voor haar editie van zijn Verzameld proza. In die bundel staan al zijn verhalen en al zijn essays, al is dat laatste een wat royaal woord voor de paar journalistieke beschouwingen en persoonlijke overwegingen die de schrijver naliet. Hoe aardig enkele daarvan ook zijn, het gaat om de verhalen - om de verrukkelijke manier waarop de vertaalster zich, met al haar enorme vakmanschap en vindingrijkheid, heeft kunnen wijden aan zijn toon en timbre.

Het is de Arnon Grunberg Foundation geweest die de fraaie boekuitgave daarvan vervolgens mogelijk heeft gemaakt. En ook dat begrijp je meteen, want onder de hedendaagse schrijvers die wel iets in Kleists werk herkennen moeten, kost het geen aarzeling ook Grunberg aan te wijzen. J.M. Coetzee verwerkte zijn bewondering voor Kleist ooit door diens langste novelle, Michael Kohlhaas, als uitgangspunt te nemen voor zijn roman The Life and Times of Michael K. Men mag niet uitsluiten dat Grunberg, op zijn eigen grillige wijze, hem daar ooit eens in zal vergezellen.

Wat een geschiedenis, trouwens, Michael Kohlhaas - en wat een belevenis om een verhaal van tweehonderd jaar oud ter hand te nemen en dat in een steeds onbesuisder tempo te ondergaan als een dringend rapport, een verslag van een reeks calamiteiten waarin ieder woord cruciaal is. Die Kohlhaas is een paardenhandelaar die in moeilijkheden komt met een edelman; die laatste verzint van het een op het andere moment een passeertarief voor wie langs zijn slot stadwaarts trekt en bovendien een belasting op diens goederen. Kohlhaas kijkt daar van op, voelt er niet veel voor, maar moet een deel van zijn handel toch als onderpand achterlaten.

En vanaf dat moment wordt een administratieve vernieuwing de bron van een oplopend aantal bestuurlijke en juridische intriges, die ten slotte tot een uitbarsting bij Kohlhaas zullen leiden. Geklier van een machthebber prikkelt op den duur een brave en burgerlijk gehoorzame handelaar zozeer, dat er een burgeroorlog van dreigt te komen. Wij schrijven zestiende eeuw, het oostelijk deel van wat nu Duitsland is, staatsmannen in Berlijn, Dresden en Leipzig die van de ene onregelmatigheid de volgende weten te maken en vorsten die ten slotte staan te bibberen tegenover een volksopstand.

Het is een weergaloze geschiedenis, vooral omdat zij in zo'n adembenemend tempo wordt verteld en schaamteloos de juridische en morele afwegingen van alle partijen weergeeft. Het geniale zit in de toon, die op het eerste gezicht zo formeel is als die van een bestuurlijke reconstructie. Het is uitgesloten bij eerste kennismaking met Michael Kohlhaas dat steeds snellere lezen waartoe het verhaal dwingt af te remmen, juist doordat de presentatie van de intrige zo volwassen is, dat wil zeggen ogenschijnlijk zo buiten-literair. Niks dweperige 'Romantiek', n

iks precieuze woordwegerij - nee, de toon van een tijdschrift, van een reportage.

En, jawel, die is helemaal geconstrueerd, woord voor woord, zin voor zin, door een nog jonge schrijver, die enorme zin had te laten zien hoe een keurige burgerman ontsporen kan als de machthebbers zich niet een beetje gedragen jegens hem. Hij had, met andere woorden, zowel een thema als een toon. Hij was, kortom, uitgesproken ambitieus als schrijver.

Dat is prachtig te zien aan De markiezin van O..., een verhaal dat teruggaat op een geamuseerde vermelding van de 16de-eeuwse Franse filosoof Michel de Montaigne. Een vrouw uit de betere standen is zwanger geraakt, maar zij weet niet hoe en al evenmin van wie. Het gaat niet om gebrek aan kennis van de wetten van de natuur, want de markiezin is weduwe en moeder van twee kinderen. Nee, zij weet echt niet wat haar is overkomen.

Kleist trekt het verhaal uit de zestiende eeuw naar zijn eigen tijd, en maakt het nog intrigerender door het te laten openen met een advertentie die de zwangere vrouw in de krant laat zetten: kan iemand haar vertellen dat hij de vader van haar vrucht is? Daar wordt de anekdote van Montaigne tot een aangrijpend verhaal, juist door de strakke regie.

Dat gaat al gauw, net als Michael Kohlhaas, van adem afsnijdend naar bloedstollend hoogtepunt, in het tempo van een proces verbaal. En dat is een secuur afgewogen besluit van de schrijver.

Wat jammer dat hij, vierendertig jaar oud, al in 1811 vond dat hij mislukt was, en een einde aan zijn leven maakte. Een romantisch trekje, aan iemand die de Romantiek een paar graden uit koers had kunnen houden.

Meer over