Verzameld dichtwerk

De donzen val van klamme bloemen donzen

Gerbrandy Piet

Om het werk van Karel de Woestijne (1878-1929) hangt de aura van loodzware ernst. Maar er lijkt een kentering te komen in de waardering voor de productieve dichter, met zijn volheid van taal en bedwelmende klankeffecten.

'Waarde Karel van de Woestijne, de heilige verering voor u, waa rmee ik en velen van mijn generatie opgegroeid zijn (...), dwingt mij u aan te spreken met waarde; geachte is niet goed, want bij die verering kwam liefde, 'awe': een religieus-angstige genegenheid; tenslotte een medevoelen en begrip, die mij zouden doen zeggen beminde, maar daarvoor is de afstand nog te groot; u bent, met Gezelle, onze grootste dichter, de dichter. In de Nederlandstalige poëzie werd u mijn meester: om uw ritme, uw woorden, uw klank, uw spelling, uw voorkeur voor een weelderige taal, uw alomvattende melancholie.'

Deze lichtelijk pretentieuze pathetiek komt niet uit de pen van een vroeg-20ste-eeuwse dweper, maar werd in 2003 geschreven door Christine D'haen (1923), de grande dame van de Vlaamse literatuur. Haar brief opent een recentelijk verschenen bundel met essays over Karel de Woestijne (1878-1929), en onbedoeld maakt ze duidelijk waarom de aanbeden dichtervorst al vele decennia uit het zicht is verdwenen. Om zijn werk hangt de aura van loodzware ernst en doodzieke decadentie, alsof het een heiligdom betreft dat slechts door gesoigneerde ingewijden betreden mag worden.

Is dat terecht? Het valt niet te ontkennen dat Van de Woestijne poëzie heeft geschreven die wel als het absolute tegendeel beschouwd kan worden van alles wat vlot, plezierig en ontspannen is. Terwijl de atletische Herman Gorter, min of meer een generatiegenoot, zijn vederlichte lyriek schreef, gaf Van de Woestijne zich over aan een zorgvuldig gecultiveerde doodsdrift.

Beide dichters hielden intens van de zee, maar in hun omgang met dit element verschilden zij diametraal van elkaar, zoals Jacob Groot treffend schrijft: 'Als ik kan zien hoe de ene, in het gebronsde lichaam, zijn ogen blauwe wonden, verschijnt op het heldere strand zonder mensen en klaar in het water komt, zie ik ook hoe de ander op dezelfde zomerdag, een paar honderd kilometer zuidwaarts, in een knellend zwart kostuum uit de trein stapt, een kopstation aan de kust, een rijtuig neemt, een boekenkoffer meezeult naar zijn clair-obscure kamers, zijn verfijnde huis met de koorts van de kust in de ommuurde tuin, met de bollende gordijnen, de droge lippen, het dodelijke snakken naar de onderdompeling in de heerlijkheid.' Dat lijkt geen reclame. Karel van de Woestijne heeft een imagoprobleem.

Wat ook de oorzaak moge zijn, de laatste tijd lijkt er een kentering op gang te komen in de waardering voor deze productieve dichter. Vorig jaar verscheen het imposante (en inmiddels bekroonde) proefschrift van Hans Vandevoorde over de allegorie in het werk van Van de Woestijne, in de prestigieuze Delta-reeks is nu al zijn poëzie gebundeld in twee kloeke delen, tegelijkertijd kwam de Historische Uitgeverij met de zojuist genoemde essaybundel, en Peter Theunynck is bezig met een biografie. Het werd hoog tijd om dit fascinerende oeuvre af te stoffen. In zekere zin heeft Christine D'haen gelijk: Van de Woestijne is de dichter.

Net als die andere van Eros en Thanatos bezeten geweldenaar uit de Nederlandse literatuur, Willem Bilderdijk, was Van de Woestijne een woorddronken intellectueel die de wereld slechts kon ervaren via de taal. Zelfs wanneer hij met liefdevolle precisie de arbeid van boeren op het land beschrijft, blijkt hij bij nader inzien een verfijnd literair spel met Griekse en Romeinse voorgangers te spelen. Van de Woestijne is nooit een onbevangen jongeman geweest. Op de allereerste bladzijde van zijn debuutbundel Het Vader-huis (1903) verlangt de dichter al naar de dood, en van meet af aan is ook zijn erotische poëzie doortrokken van weerzin, van een ennui dat misschien eerder is ontleend aan een te gretige lectuur van Baudelaire dan dat het voortkomt uit ervaringen

met vrouwen van vlees en bloed. Maar pose of niet, weinig dichters in ons taalgebied schrijven regels van een zo grote dichtheid en een zo bedwelmende muzikaliteit als Van de Woestijne:

'k Ben eenzaam-droef, in 't geel-teêr avond-dalen...

Door 't open venster hoor 'k den donzen val

van klamme bloemen in krystallen schale...

- En 'k weet niet of ik haar beminnen zal,

in 't stil en licht bewegen harer leden,

en hare goedheid in mijn vreemd bestaan...

De donzen val van klamme bloemen: je ruikt de vochtige avond, je ziet de vroeg-oude dichter aan het venster staan, walgend van zijn eigen geilheid. Deze man wil zich niet thuisvoelen in de burgerlijke wereld van huwelijk en gezin, werken en geld verdienen.

Intussen slaagde hij er wonderwel in zich in die wereld staande te houden. Van de Woestijne stichtte een gezin, had een baan bij de overheid, schreef buitengewoon geestige columns over Belgische politiek voor de Nieuwe Rotterdamsche Couranten legde bovendien een ontzagwekkende werklust als dichter en prozaïst aan den dag. In krap dertig jaar publiceerde hij een omvangrijk oeuvre waarin geen onbeduidende bladzijde voorkomt, hoe je er verder ook over wilt oordelen.

De Vlaamse literatuur is vanaf het begin sterk gepolitiseerd geweest. Door bewust voor het Nederlands te kiezen ondersteunden schrijvers en dichters impliciet de Vlaamse emancipatie, al bestonden er heftige meningsverschillen over de wijze waarop die gestalte moest krijgen. Vooral in de Eerste Wereldoorlog voltrok zich een pijnlijke scheiding der geesten, toen fanatieke flaminganten de Germaanse bezetting wilden uitbuiten om belangrijke onderdelen van hun politieke programma te realiseren, zoals de stichting van een Nederlandstalige universiteit in Gent. Van de Woestijne deed daaraan niet mee, al kan evenmin gezegd worden dat hij zich in alle opzichten principieel opstelde.

In zijn essay over deze periode laat Peter Theunynck zien dat de dichter, misschien vanuit een zekere naïviteit, maar zeker ook omdat hij een gezin had te voeden en zijn poëzie grotere bekendheid wilde geven, een vriendschappelijke band onderhield met de Duitse dichter Alexander Schröder, die in de oorlogsjaren censor was in Brussel. Van de Woestijne was verplicht zijn stukken voor de NRC ter goedkeuring aan Schröder voor te leggen, maar daar stond tegenover dat deze zich beijverde om Van de Woestijnes poëzie in Duitsland vertaald te krijgen. Er is echter geen sprake van dat Van de Woestijne de komst van de Duitsers toejuichte, integendeel: 'Europa ronkt en rilt al onder 't stompe stampen / der Duitsche voeten; en de oneind'ge Duitsche dreun (...) klopt in mijn keel, kleunt door mijn hoofd zijn vasten deun.'

Regels als deze laten zien dat Van de Woestijne verzot is op klankeffecten die we tegenwoordig misschien overdadig zouden noemen, maar die tegelijk het machtigste wapen ervan uitmaken. De weelderige alliteraties en assonanties, het rijke vocabulaire, de gezochte samengestelde woorden en de vaak ingewikkelde zinsbouw hebben een meeslepend en bedwelmend effect, waarbij je je in eerste instantie helemaal niet afvraagt wat er nu eigenlijk staat. De volheid van de taal trekt de aandacht zozeer naar zich toe, dat de poëzie autonoom wordt, zoals die van Mallarmé en Lucebert. Je voelt de woorden rondwoelen in je mond, je adem past zich aan het krachtige ritme aan, de lange zinnen stuwen je voort, terwijl de vreemdheid van de beelden je tegelijkertijd doet struikelen. Pas in tweede instantie, wanneer je gaat herlezen, ontdek je dat die zinnelijke taal het voertuig is voor vaak hoogst abstracte ideeën.

Een schitterend voorbeeld is een gedicht dat zo begint: 'Zwart; zijne flanken paars in 't laat gelaai aan 't lichten; / een vlugge draad van goud die reist ten rugge-rand; / uit loenschende oogen, nek gebogen, norsche schichten; / zijn mane een donkre vlam die tegen hemel brandt'. Pas in de achtste regel wordt duidelijk dat de dichter

Meer over