Verrukkelijke stokslagen

Een kind imiteert zijn ouders. In menige tv-reportage over huiselijk geweld beweert een psycholoog dat een zoon die door zijn vader wordt geslagen, later zelf ook last krijgt van losse handjes....

De vader van Niccolò Paganini sloeg zijn zoon met een stok. Vader Paganini was een arbeider uit Genua die er een handeltje in levensmiddelen bij deed. Hij was vaak te vinden aan de goktafels van de havenkroegen. Wanneer hij had verloren, werd er thuis gemept. Als hij had gewonnen, ging de kurk van de fles en ontlokten zijn handen fraaie klanken aan de gitaar. Niccolò keek ademloos toe hoe de rappe vingers over de snaren gleden. Hij imiteerde het spel op de jongenskamer en ontwikkelde spelenderwijs een weergaloze techniek op de gitaar en de viool. Zijn vader ontdekte in het talent van zijn zoon een goudmijn. Dreigend stond hij met een stok in de hoek van de studeerkamer. Wanneer Niccolò niet hard genoeg oefende, sloeg hij toe, een tennisvader avant la lettre.

Hij heeft maar kort van zijn zoon kunnen profiteren. Niccolò vluchtte in zijn tienertijd van huis om door Europa te gaan zwerven. Vanaf dat moment werd hij een legende. Door het letterlijk ongehoord virtuoze spel, maar ook door zijn spraakmakende privé-leven, dat een spoor van vernieling achterliet in de steden waar hij kwam en weer wegtrok. Verdenking van roof, zelfs van doodslag, overal schulden, romances aan het hof en de geboorte van een zoon, Achille, die zijn enige liefde zal worden.

Niccolò is net als zijn vader gokverslaafd. Als hij geen zin meer heeft in vioolspelen, begint hij een casino in Parijs. Er ontstaat gedoe over vergunningen en het faillissement volgt spoedig. Paganini (1782-1840) is dan al erg ziek, een geraamte dat lijkt bezeten door de duivel. Zo wordt hij ook geportretteerd door zijn vriend, de schilder Eugène Delacroix: alleen het bleke gezicht en de arm met de strijkstok lichten op uit de duisternis.

Van zijn composities kent bijna iedereen de caprices, beroemd geworden door het sprankelende thema. Talloze componisten namen dat als uitgangspunt voor eigen bewerkingen. De rapsodie van Rachmaninov blijft het dichtst bij Paganini. Geestig en virtuoos.

Het indrukwekkendst zijn de variaties voor twee piano's van de Poolse toondichter Witold Lutoslawski (1913-1994). Het is alsof hij een boze droom beschrijft. Vader Paganini staat klaar met de stok, maar Niccolò ontwijkt hem met zijn lenige gestalte.

Op de machteloze slagen van de vader volgen onnavolgbare rappe notenreeksen van zijn duivelse zoon, die danst om het logge lijf van de havenarbeider. Hij lacht zijn vader uit, maakt met zijn magere lijf pirouettes in een tempo dat niemand meer kan volgen en na tien minuten stort de vader uitgeput ter aarde. Hij ziet zijn zoon ontsnappen en hoort diens honende lach in de verte.

Paul Witteman

Meer over