Verplaats jij je nu in de dood

Als poëzielezer word je geacht je onbevangen op te stellen tegenover ieder nieuw boek, zelfs tegenover elk nieuw gedicht. Je moet het de kans geven zich in je te ontvouwen, zonder dat je de ruimte waarin dat gebeurt al met vertekenende verwachtingen hebt voorgevormd....

Maar meestal is dat een onmogelijke eis. Je kent de naam van de dichter, zijn of haar geslacht, leeftijd, soms weet je iets van de omstandigheden waaronder het werk tot stand is gekomen, of welke poëtica de dichter aanhangt. Dat alles kleurt de lectuur, of je het nu wilt of niet. Onbevangenheid is helemaal ondenkbaar in het geval van Ben jij het, ik? van Kees Ouwens (1944-2004), geschreven in de laatste levensjaren van de dichter, toen hij wist dat hij ongeneeslijk ziek was.

Over alle gedichten in het boek hangt de doem van de dood. Hoewel het een rijke bundel is, waarin heel wat meer aangesneden wordt dan het naderend levenseinde, ben je geneigd iedere regel te lezen als de uiting van iemand die in het reine probeert te komen met zijn eigen verdwijning. Deze poëzie, is, zoals al het werk van Ouwens, een compromisloos onderzoek naar de grenzen van het ik, de taal en het denken.

Is de wereld om ons heen niet een door onszelf geconstrueerde illusie, die op haar beurt ons de mogelijkheid biedt ons een voorstelling van haar te maken? Wat gebeurt er dan met die wereld als we sterven? Als ik in staat ben iets over mezelf te zeggen, betekent dat dan niet dat er in feite twee instanties zijn, ik en mij, of zelfs drie, als je de ik die dit constateert, meetelt? Hoe zit het met de verhouding tussen lichaam en ziel? En heeft het nog zin over het goddelijke te spreken?

Het openingsgedicht is een gebed tot de zonnegod, de ‘mondigmaker, schepper/ en overweldiger, door het zuiden om-/ lopende bron en doem’, de ‘godendoder-betoveraar’. De spreker stelt vast dat hij ‘uw herhaling niet evenaart’ en dat hun wegen op het punt staan zich te scheiden. De zon is de godheid die zichtbaar maakt, en met de uiterlijke schijn van de dingen moeten we het doen, want ‘nu we om ons heen/ kijken/ zien we dat niet afgebeeld worden// kunnen gelijk is aan geen bestaan hebben’. Wat onzichtbaar en onzegbaar is, bestaat niet.

Tot het niet-bestaande behoort niet de dood, want Ouwens slaagt er op aangrijpende wijze in hem tot leven te wekken, als een metgezel, een persoonlijke schaduw, in wie hij zich probeert in te leven:

Om hem te leren kennen van binnen

uit, verplaats jij je nu in de dood.

Het mes dat jij je op de keel zet, dring

jij je lichaam volkomen kalm binnen,

als een plug die je wond dicht

met een opening

Elders zegt de dood: ‘Zelf kwam ik/ als een schaduw/ kijken// naar wie mij wierp’. De nieuwsgierigheid, het verlangen de ander te leren kennen is wederzijds.

In dit boek wordt veel gestorven. Er is sprake van offerdieren, van Jezus, het Lam Gods, van Narcissus, van Herakles’ kameraad Hylas, die door nimfen het water in werd gesleurd, en de dodelijke ziekte verschijnt als hond die afmaakt of afgemaakt wordt.

Zoals ook in eerdere bundels van Ouwens het geval was, identificeert de spreker zich – of zoekt hij contact met – een aantal wonderlijk genaamde personages. Hier heten ze Antoon, Godhelp en Wieland. De heren worden in soms hilarische bewoordingen aangesproken: ‘ook het wee is geen weitas, antoon!’ En: ‘Had ook jij, Wieland, het lot gemachtigd/ maandelijks een bedrag af te schrijven/ om de hoop levend te houden (. . .)?’

Dat is een verontrustend gegeven: dat het moeizame, vaak afstandelijk, zelfs bijna juridisch geformuleerde zoeken naar de steeds wijkende kern van de identiteit ongehoord grappig kan zijn.

Ouwens heeft de reputatie steevast ‘de gewrongenste zegging’, zoals hij het ooit zelf uitdrukte, te gebruiken. Inderdaad ontbeert zijn poëzie iedere natuurlijkheid en is ze vaak ongelooflijk moeilijk, maar heideggeriaanse volzinnen worden op vrijwel iedere bladzijde afgewisseld met vloeiende lyriek, scherpe aforismen en prachtige, zij het nooit eenduidige beelden. Zo typeert hij eenzaamheid als ‘een luxe voor de levenden’, zegt hij ‘dat het een oase is// te ontbreken’, en omschrijft hij zijn poëzie als het ‘aaneenrijgen van madeliefjes// tot een keten’.

In een gedicht met de van zelfspot getuigende titel ‘Narcisme’ evalueert hij wat het dichterschap heeft opgeleverd. ‘Wat, in godsnaam, heb je uitgevoerd? Heb je – ten/ minste – je dag geboekstaafd?’ Het geïmpliceerde antwoord luidt bevestigend. Ouwens heeft het als levenstaak gezien zijn aanwezigheid te boekstaven, met alle navelstaarderij die daarbijhoort. Zijn oeuvre is een monument van zelfreflectie, en deze bundel mag beschouwd worden als het testament, ‘en wel zo, dat ik mij (. . .) getuige// wil laten blijven van wat mij is afgenomen’.

Kees Ouwens: Ben jij het, ik? Meulenhoff; 90 pagina’s; ¿ 17,50. ISBN 90 290 7672 0

Meer over