Verkavelde verhalen

Tijdens de Nacht van de Geschiedenis, eind volgende maand, wordt het beste Nederlandse geschiedenisboek van het afgelopen jaar bekroond met de Historisch Nieuwsblad / de Volkskrant Prijs. Wat zeggen de vijf nominaties over de stand van de geschiedschrijving in Nederland?

Michaël Zeeman

Hoe goed gaat het eigenlijk met het Nederlandse geschiedenisboek? Ik heb het over het genre, niet over de handel: dat er een energieke en kooplustige belangstelling voor geschiedenis bestaat is allerwegen al wel vastgesteld, voor de knusse verhalende geschiedschrijving in de eerste plaats. Maar hoe staat de discipline ervoor, de oorspronkelijkheid en de durf, de visie en ten slotte de herschrijving van het verhaal van ons verleden op basis van de actuele inzichten van de wetenschap en de verlangens van de natie?

Als je de jury van de prijs voor het beste geschiedenisboek, die het Historisch Nieuwsblad en de Volkskrant dit najaar voor het eerst gaan uitloven, mag vertrouwen: goed tot zeer goed. Er is weliswaar nog geen juryrapport – de winnaar wordt tijdens de Nacht van de Geschiedenis, op 20 oktober aanstaande, aangewezen – , maar de vijf boeken die genomineerd werden zijn, hoezeer ook om uiteenlopende redenen, een plezier om te lezen.

Zij zijn leep gekozen, uit vijf verschillende en welonderscheiden genres van de geschiedschrijving, en alleen daardoor al lastig met elkaar te vergelijken. Een geschiedenisboek is geen roman en zodoende heeft de jury van deze prijs het moeilijker dan die van de grote literaire prijzen: zo breed als de literaire meesterwerken van een seizoen ook zouden kunnen zijn, zij blijven binnen één genre vallen en over de criteria die bij de weging gebruikt worden, kun je het snel eens worden.

Maar hoe vergelijk je een biografie met een nieuw deel in een meerdelige geschiedenis van één stad, of een boek over Huizinga’s stijl met een boek over Frankrijks oorlogen? Vijf boeken uit vijf verschillende genres van de geschiedschrijving lijken samen op een ruiker én op een waaier: dit is het beste dat de geschiedschrijving in Nederland te bieden heeft en het is ook nog eens een demonstratie van de verscheidenheid daarin.

Een biografie, een door een collectief van auteurs geschreven deel in een stadsgeschiedenis, een origineel synthetisch werk over een afgebakende periode in de Nederlandse geschiedenis, een samenvattende impressie van een buitenlands historisch onderwerp en een historiografische, stilistische studie: op een becommentarieerde bronnenuitgave en een specifieke monografie na ontbreekt er geen enkel genre uit het brede terrein waarop historici zich manifesteren zodra zij boeken schrijven.

Over die laatste twee, bronnenuitgaven en monografieën over een gedetailleerd onderwerp, valt bovendien te twisten wanneer er een prijs voor het beste geschiedenisboek wordt uitgeloofd. Want die geschiedenis is als wetenschappelijke discipline weliswaar een academisch specialisme met talloze versplinterde deelspecialismen, de geschiedenis zelf is van ons allemaal. Een goed geschiedenisboek richt zich daarom beter niet uitsluitend tot de naaste collega’s van de auteur en het houdt zich afzijdig van het academische gezelschapsspel van de voetnotenstrijd.

Bronnenlezers zijn wij niet, en dat wreekt zich in de bronnenuitgaven. Terwijl in Frankrijk en Groot-Brittannië de voornaamste klassieke bronnen van de nationale geschiedenis, het werk van oudere of zelfs zeer oude geschiedschrijvers daarbij inbegrepen, voorhanden is in uitgaven die ook een breed publiek bereiken, moet je in Nederland, zo je al een dergelijke uitgave kunt vinden, gaan zoeken in de zelden beschikbare en daarenboven kostbare reeks van de Rijks Geschiedkundige Publicatiën of een enkele uitgave in het fonds van Verloren. Van oudere, befaamde historici is in de boekwinkel niets te vinden: geen Fruin, geen Colenbrander, geen Romein, laat staan Van Aitzema, Bor of Van Meteren. Alleen uit P.C. Hoofts Nederlandse Historiën verscheen eerder dit jaar een beknopte en hertaalde bloemlezing. Het is met de Nederlandse geschiedschrijving als met de Nederlandse literatuur: een geheugen hebben zij niet en een traditie onderhouden zij niet.

Veruit de meeste monografieën over een specifiek en afgebakend onderwerp – de reformatie in Almelo, de elite van Gouda, de huurlingen in het staatse leger, de boekhandel in Leiden en dat alles in secuur afgebakende tijdvakken – zijn uitwerkingen van scripties of zelfs onbewerkte versies van proefschriften. Met de leesbaarheid is bij het schrijven ervan doorgaans geen rekening gehouden, de verdedigbaarheid in de universitaire aulabanken lijkt het enige motief te zijn geweest waarom zij geschreven werden. Met uitzondering van Bart Wallets monografie over de Nieuwe Nederlanders van de 17de eeuw maakte de stapel die ik doorlas de indruk uit puzzelstukjes te bestaan in een legpuzzel waarvan ik de complete afbeelding niet ken: wel de stukjes, niet het deksel van de doos.

En daar manifesteert zich dan een eerste opvallende eigenaardigheid van de huidige Nederlandse historiografie, het blijkbaar ontbreken van de behoefte aan het opstellen van syntheses of het falen van de ambitie daartoe. Terwijl in Groot-Brittannië de uitgever Allen Lane ten behoeve van de paperbacks van Penguin begonnen is een omvangrijke reeks nieuwe synthetiserende delen uit te brengen over zowel de Britse als de Europese geschiedenis, lijkt het wel of de grote hoeveelheid detailstudies die in Nederland verricht worden, bedoeld zijn om de verwarring te vergroten. In het rapport over de Nederlandse identiteit dat de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid volgende week uitbrengt, stellen hooggeleerde historici – nadat zij daar vanzelfsprekend acribisch onderzoek naar hebben gedaan – vast wat iedere bezoeker aan een streekarchief of van een verjaarspartijtje al jaren weet, namelijk dat Nederlanders zich in de eerste plaats interesseren voor de geschiedenis van hun eigen familie.

De alledaagse geschiedenis, liefst van eenvoudige mensen en op kleine schaal, heeft het gewonnen van de grote greep, de talloze kleine verhalen versloegen het ene Grote Verhaal. Zo werd de afgelopen eeuw die van de een zijn vader en de ander haar grootmoeder: de Nederlanders zeggen het, hun historici lijken het te beamen al was het maar door daar niets tegenover te stellen.

Dat is verklaarbaar. De grote nationale geschiedschrijving zoals die in de negentiende eeuw werd aangevat en vervolgens meteen werd vertaald in programma’s voor het onderwijs trok in haar ontwikkeling gelijk op met de verzuiling. Het Grote Verhaal werd dientengevolge verkaveld in evenzovele verhalen als er zuilen waren. Maar met het ineenzijgen van die zuilen zijn ook die versies van het verleden verkruimeld: ‘vaderlands verleden in veelvoud’ heette de reeks publicaties die van het resultaat daarvan een kwarteeuw geleden de balans opmaakte

De zuilen achtten zichzelf verantwoordelijk voor de elitevorming, dat wil zeggen: voor hun eigen continuïteit én die van de natie, en de geschiedschrijving maakte daar deel van uit. Met de ontzuiling werd de geschiedenis het bezit van iedereen en was de verantwoordelijkheid ervoor derhalve van niemand meer. De voorlopige uitkomst daarvan is vandaag de dag zichtbaar in een gemis, in beider betekenis van dat woord: er zijn geen samenvattende beelden meer van de Nederlandse geschiedenis en zij worden inmiddels node gemist. Wie naar de vertrouwde thema’s van de Nederlandse geschiedenis kijkt, de Opstand tegen Spanje van de 16de eeuw, de Bataafse Opstand van de 18de, de modernisering van Nederland in de 19de eeuw en, het scharnierpunt in de indruk die de Nederlanders van hun eigen verleden hebben, de Duitse Bezetting in de 20ste eeuw, stelt vast dat wij er geen synthese meer van hebben durven maken.

Misschien is dat laatste voorbeeld wel het pregnantste: nadat L.J. de Jong een kwart eeuw geleden zijn omvangrijke De geschiedenis van het koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog had voltooid, is er weliswaar eindeloos veel onderzoek verricht naar specifieke gebeurtenissen uit die periode en is er even vitaal gedebatteerd over de historiografische voetangels waarmee dat gepaard gaat – goed of fout, collaboratie of accommodatie, grijs in plaats van zwart en wit – maar geen historicus heeft zich sedertdien gewaagd aan een nieuwe synthese. Dat is opmerkelijk omdat die episode uit onze geschiedenis tot op de dag van vandaag de morele slijpsteen voor de nationale identiteit is gebleven.

Waar wel beeldbepalende studies voor sleutelperioden voorhanden zijn – zoals die van de geschiedenis van de Republiek in de 17de eeuw – zijn die geschreven door buitenlanders, Jonathan Israel en Simon Schama voorop. Zelfs de tulpenhandel van de zeventiende eeuw en de rol van de medicijnen tijdens de Republiek zijn al in handen van Britse en Amerikaanse historici.

Maar het gemis wordt voelbaar, wordt knellend voelbaar: het canondebat van de afgelopen jaren illustreerde dat, de dappere poging om ook voor Nederland een reeks pleisterplaatsen van het geheugen aan te wijzen, lieux de mémoire, bevestigde dat en het plan eerlang een nieuwe algemene geschiedenis van Nederland te laten schrijven, onderstreept dat.

Maar de canon is nog niet geïntroduceerd, de delen over de plaatsen der herinnering waren over het algemeen een flauwe uitwerking van een goed idee en die algemene geschiedenis is er nog niet. Wie in Nederland geschiedenisboeken schrijft, opereert in het puinlandschap van na de ontzuiling, op eigen houtje, mogelijk geïnspireerd door een buitenlandse mode en zonder andere dan impliciete noties van samenhang te kunnen gebruiken. Eén geschiedenis vertakte zich in vele geschiedenissen, het onderlinge conflict dat die hebben, stemt weliswaar bedremmeld, maar nog benauwder stemt de gedachte eens wat knopen door te hakken en op te komen voor een samenhangende visie.

En toch: mooie boeken, die vijf genomineerde.

Bart Slijpers biografie van de dichter Bloem is niet alleen een aantrekkelijk en leesbaar boek over de grootste chagrijn uit de Nederlandse poëzie van de 20ste eeuw, zij is ook bij implicatie een commentaar op de wijze waarop dat genre, de biografie, in Nederland beoefend wordt. Zo kan het ook, lijkt Slijper te verdedigen, een portret van iemand schilderen zonder elk neushaartje individueel op het doek te willen brengen.

Erg origineel is het boek overigens niet. Die oorspronkelijkheid is daarentegen het eerste en doorslaggevende kenmerk van het fenomenale boek van Auke van der Woud, Een nieuwe wereld. Het ontstaan van het moderne Nederland. Van der Woud is architectuurhistoricus en historicus van de stedebouw en die bijzondere belangstellling heeft ervoor gezorgd dat hij in zijn beschrijving van de modernisering van Nederland gedurende de tweede helft van de 19de eeuw niet in de eerste plaats naar de politieke en sociale geschiedenis kijkt, maar naar die van de techniek en de toepassingen daarvan in de ontwikkeling van een gelede infrastructuur. Het is zaak zijn bevindingen nu naast die van de conventionele geschiedschrijving te leggen.

Over buitenlandse geschiedenis, niet-Nederlandse geschiedenis en die van internationale betrekkingen, verschijnt vrijwel nooit meer een boek in het Nederlands. Voor H.L. Wesselings Frankrijk in oorlog, 1870-1962, bestaat daarom nauwelijks of geen Nederlands vergelijkingsmateriaal. Wesseling is de laatste Nederlandse historicus die nog aan algemene geschiedenis doet; zijn boek is dat van een geestdriftige geamuseerde leraar, die de grote lijnen van zijn onderwerp langs puntige anekdotes trekt.

Het vierde deel in de nieuwe stadsgeschiedenis van Amsterdam, van Piet de Rooij c.s., is te beschouwen als exemplarisch voor het huidige Nederlandse geschiedkundige bedrijf. Een collectief met een keur aan specialismen schreef in fragmenten de geschiedenis van de hoofdstad, het overzicht mag de lezer maken. Het is genade dat dit deel mede geschreven en geredigeerd is door de man die over de late 19de en vroege 20ste eeuw zo’n mooi boek schreef, Piet de Rooij.

Willem Otterspeers Orde en Trouw, over Johan Huizinga als historicus, is uniek in zijn soort. Over geschiedschrijving als stijloefening en als een reeks weloverwogen stilistische keuzes, over de culturele achtergrond en de filosofische neteligheden van de geschiedschrijving, wordt in Nederland vrijwel nooit een boek uitgebracht. Door Huizinga op de voet te volgen, door te lezen wat hij las en te analyseren hoe hij dacht en schreef, legt Otterspeer een ethiek en een esthetiek van het métier van de historicus aan. Hij moet zich vaak eenzaam voelen.

Hoe kies je uit die vijf – door op oorspronkelijkheid te letten of op leesbaarheid, door de geschiedenis als discipline te bejegenen of door haar als collectief bezit te bestempelen, door intelligentie te appreciëren of mededeelzaamheid? We gaan het lezen, volgende maand: iedere keuze zal een aanbeveling en dus een uitnodiging zijn.

Meer over