Verdi achter prikkeldraad

Zo telde het kampencomplex Auschwitz-Birkenau, toen de vernietigingsmachine er op volle toeren draaide, maar liefst zes verschillende orkesten. De leden ervan beseften dat hun musiceren uitstel van executie kon betekenen. Zij speelden om tijd te winnen.

Wat dreef de nazi’s? Was het cynisme, vergelijkbaar met het morbide ‘Arbeit macht frei’ boven de toegangspoort van Auschwitz? Was het sadisme? (Niet zelden werden executies begeleid door onder dwang uitgevoerde, vrolijke marsmuziek.) Of was het een maskerade om de vijand in de waan te brengen dat het in de kampen om tewerkstelling ging en niet om vernietiging?

In veel gevallen was er sprake van een combinatie van motieven. Maar in het geval van Theresienstadt gold vooral het laatste. In het najaar van 1941 besloten hoge SS-officieren, onder wie de beruchte Adolf Eichmann, van het Boheemse Terezín een getto te maken voor zestigduizend, aanvankelijk vooral Tsjechische joden. Met de nodige propaganda – ‘Der Führer schenkt den Juden eine Stadt!’ – werd de suggestie van een modelkamp gewekt, dat de geruchten over kwaadaardige bedoelingen van de nazi’s met de joden zou doen verstommen. Maar achter de coulissen was deze camouflagestad een gewoon Durchgangs-lager, zij het dat de op transport gestelden er de enkele reis Auschwitz aanvaardden onder de opgewekte klanken van Smetana’s Die verkaufte Braut.

In die verknipte wereld, waar schijn en werkelijkheid voortdurend verstoppertje speelden, vatte de geïnterneerde dirigent Rafael Schächter in 1944 het plan op om met een koor en orkest, samengesteld uit een bont allegaartje van joodse musici, Verdi’s Requiem in te studeren. Een bizar plan waar niet iedere kampbewoner aanvankelijk gelukkig mee was. Zoals het mannetje dat de dirigent voor idioot uitmaakte. Een dodenmis! Hoe kon een jood, die de angst voor de hel niet kent, een requiem instuderen? Daar moest een Mensch toch minstens katholiek voor zijn!

Schächter zette door, ondanks barre omstandigheden en directe tegenspoed, zoals plotseling op transport gestelde solisten. Hij stelde bovendien hoge eisen aan zijn meer dan honderd musici, die echter troost putten uit de repetities en bij wie de hoop opvlamde dat Verdi’s dodenmis wellicht hun redding zou kunnen betekenen. Apotheose was de uitvoering voor een zaal vol SS’ers, waarbij het koor zich in een overdonderend gezongen ‘Libera me’ (‘bevrijdt ons!’) rechtstreeks tot Eichmann en de zijnen richtte. Die lieten zich echter niet vermurwen. Toen na de zomer van 1944 de transporten naar Auschwitz werden hervat waren de eerste treinwagons gereserveerd voor Schächter en zijn musici.

Onder de gedeporteerden bevond zich ook de Tsjechische schrijver Josef Bor, pseudoniem van Josef Bondy (1906-1979), die, anders dan Schächter, het kamp overleefde. Hij zette het absurde verhaal van Verdi achter prikkeldraad op papier en publiceerde het in 1963 onder de titel Terezínské rekviem. De Wereldbibliotheek bracht het onlangs opnieuw uit in een Nederlandse vertaling. Een hartverscheurend mooi boekje.

Josef Bor: Requiem Theresienstadt. Vertaald uit het Tsjechisch door M. van Emde Boas-Starkenstein en W. Wielek-Berg. Wereldbibliotheek; € 12,50.

Meer over