Verdeelde Nederlandse filmwereld eindelijk even eensgezind

'Fantastisch' en 'heel gezellig' zei Monique van de Ven. En ze had gelijk: zelden heerste er zo'n opgetogen sfeer als maandag in het Haagse Tuschinski op de Dag van de Nederlandse Speelfilm....

PETER VAN BUEREN

Van onze kunstredactie

AMSTERDAM

Ooit werden er achter elkaar Nederlandse films gemaakt die volle zalen trokken. De tijd van Paul Verhoeven en Rob Houwer (Wat zien ik, Turks Fruit, Keetje Tippel, Soldaat van Oranje) en van Pim en Wim (De la Parra-Verstappen, Blue Movie). Toen, in de jaren zeventig, werd aan de nu naarstig gezochte basisvoorwaarde voldaan waarop een filmindustrie kan groeien: commerciële successen. Maar een bloeiende Nederlandse filmindustrie kwam er niet uit voort.

Je hebt ook uitzonderingen gehad: Fanfare van Bert Haanstra (1955 al, nog steeds in de top van kassuccessen aller tijden), Flodder (Dick Maas, 1968), het laatst Filmpje! (1995). Altijd zo geweest, ook in de sector 'kunstzinnig': talenten die steeds weer opdoken en steeds weer verdwenen. Wat speelfilm betreft is er sprake van slechts één constante regisseur: Fons Rademakers, wiens Dorp aan de Rivier uit 1958 al een Oscarnominatie kreeg, die in 1986 de Oscar won voor De aanslag en daartussen (en ook een beetje nog daarna) altijd speelfilms maakte. Goede tweede: Frans Weisz, sinds Het gangstermeisje in 1966.

De Nederlandse speelfilm was en is: elk jaar een paar aardige kleine films, elk jaar een paar nieuwe beloften, en om de zoveel tijd een film die ook veel publiek trekt. De jaren zeventig waren een uitzondering. Het is ook alleen in de jaren van die uitzonderlijke commerciële toppers geweest dat het bezoekpercentage van Nederlandse films boven de tien procent kwam. Het bezoekersaantal van vijf procent, afgelopen jaren, is niet uitzonderlijk, geen reden om te roepen - zoals in Den Haag - dat het niet vijf vóór maar al vijf over twaalf is.

Wat voor de Nederlandse film geldt, gaat op voor de totale niet-Amerikaanse film. Eenzelfde soort percentage van het totale bioscoopbezoek en ook een dalende lijn. De opbrengst van de Amerikaanse film in de Nederlandse bioscoop was in in 1984 nog zestig, de laatste tien jaar tachtig tot over de negentig procent van het totaal.

Hollywood beheerst de bioscopen, omdat de Amerikaanse distributeurs de markt bepalen en de grote bioscoopconcerns (voornamelijk in buitenlandse handen) keurig het aanbod van deze distributeurs plaatsen. Waar is de plek voor die mooie kleine Nederlandse film? Niet in de grote bioscoop, maar in kleine theaters. Ongeacht de andere oorzaken: het Nederlandse publiek pikt de Nederlandse en andere niet-Amerikaanse film niet op, omdat de distributie en vertoning daarvan marginaal blijft.

En, om nog eens een kenmerkend staaltje te noemen: omdat die Nederlandse filmwereld, indien nodig gezamenlijk achter de Nederlandse film staand, zich graag leent voor de promotie van die Amerikaanse film. Een paar jaar geleden mocht Veronica de slotavond van het Nederlands Filmfestival, de grote jaarlijkse pr-manifestatie van de Nederlandse film, niet (meer) uitzenden om de omroep te veel eisen stelde.

Uit woede bedacht Veronica tegenover het Gouden Kalf van Utrecht een eigen prijs: de Rembrandt. Deze wordt nog steeds toegekend, door lezers van het Veronicablad, waarbij veelal Amerikaanse films, Amerikaanse acteurs en Amerikaanse video's worden bekroond. Een regelrecht anti-Nederlandse filmprijs. En wie dringen vooraan om die prijzen uit te mogen reiken? Juist, Nederlandse acteurs en actrices, Nederlandse producenten. Dezelfden dus die steen en been klagen over de positie van de Nederlandse film en oproepen dat 'we' met z'n allen het Nederlandse filmbelang moeten verdedigen.

Van de slechte (commerciële) situatie van de Nederlandse (commerciële) film krijgt iedereen de schuld: de critici uiteraard, de televisie, de overheid. Maar nooit die filmwereld zelf, die altijd verdeeld is geweest en zelf de kwaliteit van die films bepaalde.

Voorheen wilden die filmers en producenten niets weten van overheidssubsidie (maakt maar afhankelijk), niets van televisie (dat heeft toch niets met film te maken), niets van gezamenlijke inspanningen. Het bijzondere van de Nederlandse Speelfilmdag was dat er steunmaatregelen werden aangekondigd, die voortvloeien uit een vorig jaar verschenen rapport van het bureau KPGM, op initiatief van de gezamenlijke Nederlandse regisseurs en producenten.

Historisch: de eerste gezamenlijke actie na de invoering van het BIO-vakantie-oord. En prompt reageerde de overheid even uniek met een gezamelijke reactie van drie ministeries. Minister Wijers temperde de euforische stemming door te zeggen dat hij geen Sinterklaas was, maar dat hij, geïnspireerd door de wilskrachtige sfeer van het KPGM-rapport, wel een bureautje wil vrijmaken waar wellicht een vliegwiel in gang kan worden gezet.

Als die filmwereld weer uit elkaar spat in individuele, uitsluitend op eigenbelang gerichte regisseurs en producenten, komt er allemaal niets van terecht. Natuurlijk helpen de voorzetten van Wijers en Nuis, natuurlijk helpt de fiscale trucendoos van Vermeend. Maar dat garandeert geen kwaliteit of bezoekcijfers. Wijers, Vermeend en Nuis zijn geen filmmakers.

De verdoemde critici hebben kleine kwaliteitsfilms nooit aan een miljoenenpubliek kunnen helpen, noch vreselijk slechte films als Filmpje! van een miljoenenpubliek kunnen afhouden. Met die haast onafzienbare rij talentrijke regisseurs die we - werd in Den Haag voortdurend benadrukt - hier bezitten en met bovendien een technisch hoog ontwikkeld vakmanschap, en dan ook nog met die nieuwe overheidssteun, is het meer dan ooit aan de producenten, de distributeurs en de exploitanten om kwaliteit en middelen om te zetten in een marktpositie.

De producenten die de creatieve en technische kwaliteit moeten omzetten in producten die het publiek bereiken. De distributeurs die deze films moeten promoten en de exploitanten die ruimte moeten bieden in hun theaters. De filmmarkt is hun vak. En daarom is hun rol cruciaal. Omdat hun eigen belang voorop staat, vormen zij tevens de zwakke stenen van het hele bouwwerk.

Peter van Bueren

Meer over